Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3403

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
22-000063-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling, noodweerexces. Portier van uitgaansgelegenheid in centrum van Den Haag wordt onverwacht aangevallen door bezoeker. Nadat een collega van de portier door de man in het gezicht wordt geslagen heeft de portier de man (die inmiddels ten val was gekomen) een trap gegeven tegen het hoofd van de man. Noodweersituatie. Overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Noodweerexces. Het hof ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000063-17

Parketnummer: 09-234654-16

Datum uitspraak: 3 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 januari 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1984,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 20 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, waarvan dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2016 te 's-Gravenhage [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] een trap tegen het hoofd te geven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2016 te 's-Gravenhage [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] een trap tegen het hoofd te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, nu de verdachte niet het opzet heeft gehad om [benadeelde partij], het latere slachtoffer, tegen het hoofd te trappen, maar dat de trap een reflex was bedoeld om het slachtoffer uit te schakelen.

Voor wat betreft de vraag of de verdachte zich kan beroepen op noodweer(exces) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gaat, op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 9 oktober 2016 werkzaam was als beveiliger/portier bij Club [x] aan het Spui in Den Haag en dat hij tegen sluitingstijd bezig was om bezoekers naar huis te sturen.

Uit het dossier waaronder de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde camerabeelden volgt dat [benadeelde partij] op enig moment de verdachte -die op dat moment in gesprek was met een andere bezoeker van voornoemde club - een duw en een vuistslag in zijn richting heeft gegeven. In reactie hierop heeft de verdachte [benadeelde partij] richting de rijbaan geduwd en een schopbeweging in zijn richting gemaakt. Vervolgens is er een opstootje ontstaan, waar behalve de verdachte en [benadeelde partij] ook een collega van de verdachte ([collega]) en een onbekende man bij betrokken waren.

De verdachte heeft verklaard dat zijn collega [collega] aangevallen werd en een behoorlijke klap kreeg.

In dit opstootje heeft de onbekende man [benadeelde partij] een vuistslag gegeven, ten gevolge waarvan [benadeelde partij] ten val kwam. De verdachte heeft verklaard dat hij door de onverwacht dreigende situatie vol adrenaline zat en dat hij, ter bescherming van zijn collega [collega], [benadeelde partij] heeft geschopt terwijl hij op de grond lag, welke schop onbedoeld tegen zijn achterhoofd aankwam.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat zowel de vuistslag van [benadeelde partij] in de richting van de verdachte als de vuistslag van [benadeelde partij] in het gezicht van [collega] als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van respectievelijk verdachtes lijf en andermans lijf moet worden beschouwd, waartegen een verdediging door de verdachte gerechtvaardigd was. Door echter [benadeelde partij] – die inmiddels op de grond was gevallen – een trap (tegen het hoofd) te geven, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden .

Het hof is echter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding van zijn collega [collega], zodat die overschrijding verontschul-digbaar is.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat aan de verdachte ter zake van de trap een beroep op noodweerexces toekomt.

De verdachte is derhalve ter zake van het bewezen verklaarde niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. B.P. de Boer en mr. A.M. Zwaneveld, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2017.

Mr. A.M. Zwaneveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.