Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3402

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
22-002142-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens telen van hennep in woning. Verwerping beroep op niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn en schending van het verbod van willekeur. Nadere bewijsoverweging met betrekking tot feiten en omstandigheden die op betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij duiden. Alternatief scenario verdachte volstrekt onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002142-17

Parketnummer: 09-755015-16

Datum uitspraak: 15 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1972,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 1 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
Hij in of omstreeks de periode van 1 oktober tot 18 december 2013 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ( in een pand aan de [adres]), een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een hennep middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het 5e lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot 18 december 2013 te Leiden met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres]), een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot 18 december 2013 te Leiden, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2.
Hij op of omstreeks 18 december 2013 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ( in een pand aan de [adres]) ongeveer 263 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde een hennep middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het 5e lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt met name tot een andere strafoplegging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, primair wegens overschrijding van de redelijke termijn en subsidiair wegens schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Schending redelijke termijn

Bij de beoordeling van het primair door de raadsman gevoerde verweer stelt het hof voorop hetgeen de Hoge Raad in zijn standaardarrest d.d. 17 juni 2008, LJN BD2578, heeft bepaald. De Hoge Raad heeft in dat arrest onder meer overwogen dat een overschrijding van de redelijke termijn in beginsel, behoudens uitzonderingen, wordt gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is bepleit geen aanleiding om van deze vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af te wijken. Het hof verwerpt in zoverre het verweer.

Beginsel van een redelijke en billijke belangafweging

Bij de beoordeling van het beroep op niet-ontvankelijkheid op grond van –kort gezegd- het verbod van willekeur stelt het hof het volgende voorop. In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Die beslissing van het Openbaar Ministerie leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van goede procesorde.

Een uitzonderlijk geval als hierboven bedoeld kan niet worden gevonden in hetgeen daartoe door de verdediging is aangevoerd. Het hof verwerpt ook dit verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
Hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot 18 december 2013 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ( in een pand aan de [adres]), een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het 5e lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 18 december 2013 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ( in een pand aan de [adres]) ongeveer 263 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde een hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het 5e lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 24 januari 2014 (proces-verbaalnummer [x]) is op 18 december 2013 in de woning aan de [adres] te Leiden een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 263 hennepplanten. De kwekerij bevond zich op de eerste verdieping van de woning. De badkamer was ingericht ten behoeve van de stroomvoorziening en de watervoorziening van de hennepkwekerij. De verdachte en zijn partner waren de huurder van de woning. Hij stond ten tijde van het tenlastegelegde ook ingeschreven op dat adres.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 23 december 2013 (nr. [x]) blijkt dat bij het sporenonderzoek in de woning een sigarettenpeuk op de wasbak in de badkamer is aangetroffen. Deze sigarettenpeuk is veilig gesteld en in beslag genomen en voorzien van SIN-nummer [x].

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 mei 2014 blijkt voorts dat DNA-onderzoek is verricht aan een referentiemonster van de verdachte. Het DNA in het referentiemonster is vergeleken met het DNA in het sporenmateriaal dat is aangetroffen op genoemde sigarettenpeuk en dat is voorzien van voormeld SIN-nummer. Geconcludeerd is dat het DNA in het sporenmateriaal met SIN-nummer [x] afkomstig kan zijn van de verdachte, waarbij de berekende matchkans kleiner is dan één op één miljard.

De verdachte heeft betrokkenheid bij de hem ten laste gelegde feiten ontkend. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdachte – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de woning aan de [adres] in de ten laste gelegde periode niet heeft bewoond en dat hij niets wist van een daar aanwezige hennepkwekerij. De verdachte had de woning in de ten laste gelegde periode onderverhuurd aan [getuige]. Ter onderbouwing daarvan heeft de verdachte een door [getuige] op 1 oktober 2013 ondertekend huurcontract aan de politie overhandigd.

De verdachte heeft voorts verklaard nadien niet meer in de woning te zijn geweest. Ten aanzien van de in de badkamer aangetroffen sigarettenpeuk heeft de verdachte verklaard dat deze daar al moet hebben gelegen bij de overdracht van de woning aan [getuige] en dat de woning niet helemaal leeg en schoon was opgeleverd.

Het hof acht de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

[getuige] is gehoord door de politie en heeft ontkend dat er sprake is geweest van een reële huur van de woning aan de [adres]. [getuige] heeft verklaard dat hij het huurcontract heeft ondertekend omdat hij in geldnood zat. Hij heeft daar € 500,- voor gekregen.

Gelet op deze verklaring van [getuige] kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij de woning aan [getuige] had verhuurd, te meer nu het dossier daarvoor geen verdere aanwijzing bevat. Het hof stelt die verklaring daarom als ongeloofwaardig terzijde.

Nu uit voormelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte en zijn partner de huurder waren van de woning aan de [adres], de verdachte daar ook stond ingeschreven en er DNA-materiaal van de verdachte op een sigarettenpeuk is aangetroffen die op de wasbak in de badkamer van de woning lag, terwijl aanwijzingen voor betrokkenheid van een ander ontbreken, gaat het hof ervan uit dat verdachte degene is die verantwoordelijk is voor de in de woning aangetroffen hennepkwekerij. De verklaring van de verdachte dat hij de sigarettenpeuk eerder in de woning moet hebben achtergelaten, acht het hof onaannemelijk gezien het feit dat de badkamer was ingericht ten behoeve van de stroomvoorziening en watervoorziening van de hennepkwekerij. De sigarettenpeuk is dus op een voor de hennepkwekerij essentiële plaats aangetroffen, zodat in redelijkheid moet worden aangenomen dat die sigarettenpeuk op die plaats is achtergelaten door iemand die in de hennepkwekerij werkzaam is geweest. Dat de sigarettenpeuk daar meer dan tweeëneenhalve maand heeft gelegen is volstrekt onaannemelijk.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zoals is bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep. Hij heeft daartoe opzettelijk een groot aantal hennepplanten aanwezig gehad in zijn (huur)woning. De verdachte heeft aldus doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Drugs zijn bovendien schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles afwegende en in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet - van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een taakstraf, zoals door de eerste rechter opgelegd en zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof is van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, - mede ter voorkoming van recidive - een alleszins passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft evenwel – met de verdediging en de advocaat-generaal - geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteren en in plaats van voormelde taakstraf een taakstraf voor de duur van 80 uren, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. B.P. de Boer en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2017.