Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3400

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
22-002098-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens verboden wapenbezit. Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verworpen, gelet op de verklaringen van verdachte en zijn gedrag bij het verlaten van het café. Mede gelet op eerdere veroordeling wegens het bezit van een vuurwapen legt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002098-17

Parketnummer: 09-817028-17

Datum uitspraak: 15 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1993,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman aan de Westersingel 50 b te 3014 GV Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 1 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte van 9 mei 2017 is namens de verdachte onbeperkt appel tegen het vonnis ingesteld. Bij akte van 1 november 2017 en voordat de zaak was uitgeroepen, is het appel ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten ingetrokken.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep is beperkt tot het onder 1 ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij is mitsdien niet meer aan de orde in hoger beroep.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 1 januari 2017 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (Crvrena Zastava, serienummer [x], kaliber 7.65mm), voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee - in verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 1 januari 2017 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (Crvrena Zastava, serienummer [x], kaliber 7.65mm), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – conform de door hem overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt. Hiertoe heeft hij -kort samengevat- aangevoerd dat de verdachte werd geconfronteerd met een conflict van belangen. Hij moest kiezen tussen het bij de vechtpartij in het café weghalen van het wapen dat de verdachte aldaar in handen had gekregen om zo de veiligheid van de in het café aanwezige personen te waarborgen, en het zich schuldig maken aan een strafbaar feit, waarbij de verdachte in een impuls heeft gekozen voor het meest zwaarwegende belang, te weten de bescherming van de in het café aanwezige personen.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Hoewel er naar het oordeel van het hof in het verhandelde ter terechtzitting geen duidelijke aanwijzingen zijn te vinden dat het vuurwapen aan verdachte toebehoorde of dat hij het wapen naar het feest in het café heeft meegenomen, hecht het hof gelet op de niet zonder meer consistente verklaringen zoals die door de verdachte zijn afgelegd over hoe hij het wapen in handen heeft gekregen en gelet op het gedrag van de verdachte bij het verlaten van het café geen geloof aan zijn verklaring voor zover die inhoudt dat hij het vuurwapen slechts heeft aangepakt of opgepakt en meegenomen om degenen die in het café aanwezig waren te beschermen. Het hof wijst er in dat kader op dat de verdachte eerst heeft verklaard dat het wapen in zijn handen werd gedrukt, maar dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg niet meer precies wist hoe hij aan het wapen is gekomen. Het gedrag van de verdachte bij het verlaten van het café, waarbij hij wegrende voor de ter plaatse gekomen politieagenten, duidt er voorts op dat hij wilde voorkomen dat de politie het wapen in handen zou krijgen en past daarmee naar het oordeel van het hof niet bij het door en namens de verdachte gedane beroep op overmacht-noodtoestand en hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd. Ook de door verdachte voor zijn vluchtgedrag gegeven reden, te weten ‘dat hij de politie niet vertrouwt’ en uit paniek is weggerend, acht het hof gelet op het voorgaande niet geloofwaardig.

Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een actuele en concrete nood bestaande uit een belangenconflict, zodat de verdachte geen beroep toekomt op overmacht in de zin van noodtoestand. Het hof verwerpt het verweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in het openbaar een vuurwapen voorhanden gehad. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer aangezien vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten of bij eigenrichting. Uitgangspunt bij het bezit van een verboden vuurwapen is de oplegging van een vrijheidsstraf.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook voor het voorhanden hebben van een vuurwapen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft tot slot acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 6 april 2017 waarin de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. B.P. de Boer en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 november 2017.