Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3377

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
200.212.678/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap. Overeenstemming bereikt? Welk recht is van toepassing op de (verdeling van de) onroerende zaken in China. In geding brengen van schriftelijk bewijs. Huurpenningen:3:172 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 8 november 2017

Zaaknummer : 200.212.678/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-636 & FA RK 16-5246

Zaaknummer rechtbank : C/09/504180 & C/09/514337

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.K.S. Verhoek te Bleiswijk,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.A. van Hapert te Amsterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 december 2016 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 12 mei 2017 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingediend.

De man heeft op 5 juli 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de man op 4 april 2017 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.

De zaak is op 2 augustus 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de advocaat van de man;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Tevens is verschenen de heer [naam] , tolk in de Engelse taal.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Mr. Van Hapert heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 17 mei 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgemeenschap opnieuw vast te stellen en te bepalen dat de [pand 1] en de [pand 2] niet tot de huwelijksgemeenschap behoren en dat de man niet uit hoofde van de verkoop van [a] appartement een bedrag aan de vrouw hoeft te betalen.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof

in principaal hoger beroep

de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen;

in incidenteel hoger beroep

primair

de man te veroordelen tot nakoming van de in het kader van de naderende echtscheiding gemaakte afspraken ten aanzien van de verdeling van de panden, en wel als volgt:

dat de panden A tot en met D worden toebedeeld aan de man met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijkheid van alle daaraan gekoppelde schulden, met de verplichting van de man om aan de vrouw 2,8 miljoen renminbi (hierna RMB) te betalen per 22 januari 2016, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede met toescheiding van huis E aan de vrouw zonder verrekening;

subsidiair

de bestreden beschikking enkel te vernietigen op het punt van de onder dictum 1a, b en c en 3 genoemde bedragen en wel als volgt:

1. aan de man wordt toebedeeld:

a. de economische eigendom van de onroerende zaak [pand 1] , onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van 2.000.000 RMB;

b. de economische eigendom van de onroerende zaak [pand 2] , onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van 860.000 RMB;

c. de winkelruimtes, derde verdieping in [panden] , onder de verplichting om de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van 194.513 RMB;

2. te bepalen dat de man uit hoofde van de verkoop van [a] appartement [nummer 1] een bedrag van 340.000 RMB aan de vrouw dient te betalen;

de man te verplichten tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen € 987,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2016 tot betaling;

de man te verplichten tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen een gebruiksvergoeding ad maandelijks € 1.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, in het kader van zijn bewoning van pand E, met de verplichting aan de man om - zo nodig met behulp van de Chinese sterke arm - pand E te verlaten, alsmede de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 5.000,- per dag(deel) dat de man pand E niet heeft verlaten en ontruimd;

de man te verplichten tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de helft van de door hem ontvangen maandelijkse huurpenningen (ad RMB 1.800, ergo RMB 900,-) over de periode 25 januari 2016 tot 26 december 2016, vermeerderd met de wettelijke rente;

de man te verplichten tegen behoorlijk bewijs aan de vrouw te betalen de helft van de woonlasten van pand F van 22 januari 2016 tot datum verkoop van het pand.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken af te wijzen.

5. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de man het petitum van de man mondeling gewijzigd. De advocaat van de vrouw heeft daartegen bezwaar gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft daartoe aangevoerd zich overvallen te voelen door de wijziging en deze wijziging in een dergelijk stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde te achten.

6. Het hof is van oordeel dat de wijziging van het petitum door de advocaat van de man ter terechtzitting tardief is en in strijd met de goede procesorde. Het hof zal derhalve aan de wijziging voorbij gaan en beslissen op de verzoeken die in de processtukken aan het hof zijn voorgelegd.

De niet in het Nederlands opgemaakte stukken

7. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat op grond van het procesreglement alle bescheiden die zijn opgemaakt in een vreemde taal voorzien moeten zijn van een beëdigde vertaling. Voor zover de vrouw zich op de stukken wenst te beroepen, verzocht de man haar beëdigde vertalingen in het geding te brengen, bij gebreke waaraan de stukken buiten beschouwing gelaten dienden te worden, aldus de man in eerste aanleg. De man heeft echter niet gegriefd tegen het betrekken van de vertalingen naar de Engelse taal in het oordeel van de rechtbank. De man heeft bovendien niet betoogd dat de door de vrouw in het geding gebrachte (niet beëdigde) vertalingen een onjuiste weergave behelzen van de Chinese teksten. Evenmin heeft de man gesteld de Engelse taal niet te beheersen, waardoor de producties voor hem niet te doorgronden zouden zijn. Het hof zal om die redenen de niet-beëdigd vertaalde stukken in zijn beoordeling betrekken.

Het onroerend goed in China

Overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap?

8. Het hof zal als eerste de meest verstrekkende stelling van de vrouw, te weten dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, bespreken. Als partijen met elkaar overeenstemming hebben bereikt over de verdeling dan heeft de man immers geen belang meer bij de bespreking van zijn eerste en tweede grief.

9. De vrouw stelt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, kort gezegd inhoudende, dat beide partijen aanspraak maken op de helft van de waarde van de huwelijksgemeenschap, ofwel op 4 miljoen RMB. De vrouw stelt dat de overeenkomst volgt uit de door haar als producties 18 en 19 in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen partijen. Dit betreft producties die in eerste aanleg in het geding zijn gebracht. In randnummer 32 van haar incidentele appel geeft de vrouw nog een nadere toelichting.

10. De man betwist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Productie 18 van de zijde van de vrouw betreft een e-mail van de vrouw aan de man, waarin de vrouw haar wensen uiteen zet. De man heeft nimmer akkoord gegeven op de wensen van de vrouw. De man stelt voorts dat partijen niet overeen konden komen dat de panden [pand 1] en [pand 2] in de verdeling zouden worden betrokken, nu deze panden partijen niet in eigendom toebehoren. De man betwist de Wechat-berichten, waarnaar de vrouw verwijst, geschreven te hebben en stelt dat deze berichten zijn opgesteld door mevrouw [A] , in een poging om een gemoedelijke scheiding tussen partijen tot stand te brengen. De man stelt dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de berichten, noch toestemming heeft gegeven om dergelijke uitlatingen te doen over de panden van zijn moeder.

11. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gedingstukken niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het hof overweegt daartoe als volgt. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Naar het oordeel van het hof kan uit de gedingstukken niet méér worden afgeleid dan dat de vrouw haar wensen ten aanzien van de financiële afwikkeling van het huwelijk op schrift heeft gesteld. De uitdrukkelijke of impliciete aanvaarding van dit aanbod door de man blijkt naar het oordeel van het hof echter niet uit de stukken. Dit betekent dat de eerste incidentele grief van de vrouw faalt.

12. Het hof passeert het aanbod van de vrouw tot het overleggen van aanvullend bewijs met betrekking tot het bestaan van de overeenkomst. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de vrouw voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten met stukken of geluidsopnamen te onderbouwen en er geen enkele reden is geweest om te wachten tot zij door het hof zou worden toegelaten tot bewijslevering. Het ligt op de weg van de vrouw om tijdig schriftelijk bewijs in het geding te brengen nu zij dit niet heeft gedaan komt dat voor haar rekening en risico.

[pand 1] en [pand 2]

13. Nu het hof heeft geoordeeld dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt omtrent de verdeling heeft de man belang bij de bespreking van grief 1. De man heeft onder meer gesteld dat het volledige (juridische en economische) eigendom van de panden, bij partijen bekend als [pand 1] en [pand 2] , bij zijn moeder, mevrouw [B] , berust.

14. De vrouw betwist niet dat de moeder de juridisch eigenaar van [pand 1] en [pand 2] , maar zij stelt dat het economisch eigendom van de panden op de peildatum bij partijen berustte en derhalve in de huwelijksgemeenschap viel.

15. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat economisch en juridisch eigendom hand in hand gaan. Niet in geschil is dat het juridisch eigendom van [pand 1] en [pand 2] bij de moeder van de man berust. De bewijslast van de stelling dat het economisch eigendom van [pand 1] en [pand 2] bij partijen berustte en derhalve in de huwelijksgemeenschap viel, ligt bij de vrouw. In artikel 10:127 Burgerlijk Wetboek (hierna ook BW) is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

  1. Behoudens voor zover in de leden 2 en 3 anders is bepaald, wordt het goederenrechtelijke regime met betrekking tot een zaak beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de zaak zich bevindt.

  2. [...]

  3. [...]

  4. Het in de vorige leden bedoelde recht bepaalt in het bijzonder:

  1. of een zaak roerend of onroerend is;

  2. wat een bestanddeel van een zaak is;

  3. of een zaak vatbaar is voor overdracht van de eigendom ervan of vestiging van een recht erop;

  4. welke vereisten aan een overdracht of vestiging worden gesteld;

  5. welke rechten op een zaak kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van deze rechten zijn;

  6. op welke wijze die rechten ontstaan, zich wijzigen, overgaan en tenietgaan en welke hun onderlinge verhouding is.

5. Voor de toepassing van het vorige lid is, wat betreft de verkrijging, de vestiging, de overgang, de wijziging of het tenietgaan van rechten op een zaak, bepalend het tijdstip waarop de daarvoor noodzakelijke rechtsfeiten geschieden.

6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing in het geval van overdracht en van vestiging van rechten op zakelijke rechten.

[pand 1] en [pand 2] zijn gelegen in China. Uit het bepaalde in artikel 10:127 BW volgt dat op de eigendomsverhouding van die panden Chinees recht van toepassing is.

16. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat een splitsing tussen de juridische en de economische eigendom naar Chinees recht mogelijk is, overweegt het hof dat de gestelde economische eigendom niet blijkt uit de aangiftes Inkomstenbelasting van partijen. Ook ander bewijs - bijvoorbeeld geldstromen waaruit blijkt dat partijen de aankoopprijs van de panden hebben voldaan of een overeenkomst met de juridisch eigenaar van de panden - ontbreekt.

17. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat de enkele WeChat berichten - voor zover daaruit al zou kunnen worden afgeleid dat partijen zich beschikkingsbevoegd achten - onvoldoende zijn om de verregaande conclusie te kunnen trekken dat het economisch eigendom van de genoemde onroerende zaken bij partijen berust. Dit betekent dat de vrouw er niet in is geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling. De eerste grief van de man treft dan ook doel.

18. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de stelling van de man dat de door de vrouw in het geding gebrachte WeChat berichten niet door of namens hem zijn opgemaakt geen nadere bespreking behoeft. Het oordeel van het hof dienaangaande kan immers in het licht van het bovenstaande niet tot een ander oordeel leiden.

[a] appartement [nummer 2]

19. De man stelt dat de aankoopprijs van het [a] appartement door zijn oom is voldaan en dat de verkoopopbrengst van het pand daarom ook rechtstreeks aan zijn oom is betaald. De opbrengst van het voor de peildatum verkochte appartement valt derhalve niet in de huwelijksgemeenschap.

20. De vrouw heeft de stelling van de man, dat het pand door zijn oom is gefinancierd en dat de verkoopopbrengst derhalve ook aan de oom toekwam, gemotiveerd betwist.

21. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat het appartement voor de ontbinding van de gemeenschap is verkocht. Op de vrouw rust de bewijslast dat de verkoopsom op de peildatum nog tot de gemeenschap behoorde. Als de man de verkoopsom onverschuldigd aan zijn oom heeft betaald, dan behoort tot de ontbonden huwelijksgemeenschap een vordering op de oom van de man. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet bewezen dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap daartoe nog een saldo behoorde met betrekking tot de verkoop van het appartement, noch dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap een vordering op de oom van de man daartoe behoorde. Ook deze grief treft doel.

De waardering van de winkelruimtes [panden]

22. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de waarde van slechts één van de winkelruimtes in de verdeling heeft betrokken, in plaats van de waarde van beide ruimtes. De vrouw stelt dat uitgegaan dient te worden van de aankoopwaarde van de panden, ofwel 389.026 RMB.

23. De man verweert zich daartegen en stelt dat de rechtbank van de juiste waardes is uitgegaan. De man betwist dat de winkelruimtes nog altijd 389.026 RMB waard zouden zijn: de man stelt dat de waarde van de winkelruimtes is gedaald sinds de aankoop en dat de marktwaarde van de ruimtes tezamen thans 172.188 RMB bedraagt. De man concludeert dat de tweede incidentele grief van de vrouw faalt.

24. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de winkelruimtes zijn aangekocht voor 389.026 RMB. Naar het oordeel van het hof rust op de man de bewijslast van zijn stelling dat de panden nadien in waarde gedaald zijn. De man heeft voor die stelling geen enkel bewijs aangedragen. De grief van de vrouw treft doel. Het hof zal dit verzoek van de vrouw, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum van deze beschikking, toewijzen.

Ziektekostenverzekering van de man

25. De vrouw stelt dat de ziektekostenverzekering van de man tot november 2016 is voldaan vanaf een bankrekening van de vrouw. De vrouw stelt dat zij dienaangaande een vordering heeft op de man vanaf de peildatum tot november 2016, ofwel 10 maal € 98,75.

26. De man verweert zich daartegen en stelt dat partijen in de periode van januari 2016 tot november 2016 nog met elkaar waren gehuwd en elkaar derhalve het nodige dienden te verschaffen, waaronder de ziektekostenverzekering. De man betwist voorts dat de vrouw meer dan twee termijnen heeft betaald en wijst erop dat de vrouw zulks niet met stukken heeft aangetoond.

27. Het hof overweegt als volgt. Het huwelijk van partijen is op 17 mei 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van artikel 1:84 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), dat van toepassing is zolang het huwelijk niet is ontbonden, komen de kosten van de huishouding ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Tot de kosten der huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW moeten – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - in het algemeen worden gerekend hetgeen in het huishouden verteerd of verbruikt wordt en hetgeen ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven (vgl. Kamerstukken II 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 5).

28. De premies voor ziektekostenverzekering behoren tot de kosten van de huishouding en vallen derhalve onder het bereik van artikel 1:84 BW. Naar het oordeel van het hof hebben partijen niet, althans onvoldoende, onderbouwd hoe hun inkomens- en vermogenspositie was in de betreffende periode en derhalve hoe er overeenkomstig de draagplicht moest worden gefourneerd. Derhalve is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat haar een vergoedingsrecht toekomt en zal het hof dit verzoek van de vrouw afwijzen.

Gebruiksvergoeding [appartement]

29. De vrouw stelt dat de situatie waarin zij de echtelijke woning bewoont en alle lasten daarvoor voldoet, terwijl de man zonder enige tegenprestatie in het aan de vrouw toebedeelde appartement [b] woont, in strijd is met de regels die (voormalige) echtelieden jegens elkaar in acht moeten nemen, alsmede in strijd is met artikel 1:165 BW. De vrouw stelt voorts dat de man het appartement - in strijd met het bepaalde in de bestreden beschikking - na 1 april 2017 niet heeft verlaten. De vrouw schat een redelijke gebruiksvergoeding op € 1.000,- per maand. Daarnaast meent de vrouw dat oplegging van een dwangsom geboden is, omdat de man het appartement weigert te verlaten.

30. De man verweert zich daartegen. De man stelt dat de vrouw geen kosten heeft aan het appartement, althans dat zij geen bewijs heeft overgelegd van gemaakte kosten, zodat hij geen gebruiksvergoeding verschuldigd is. Het door de vrouw verzochte bedrag is exorbitant hoog en ongefundeerd. De man stelt voorts dat hij al lang niet meer in de woning woont, zodat de dwangsom moet worden afgewezen.

31. Het hof overweegt als volgt. Het appartement maakte tot 17 mei 2017 deel uit van de onverdeelde huwelijksgemeenschap en partijen waren tot die datum gelijk gerechtigd tot dit pand. Het appartement heeft niet gefungeerd als echtelijke woning, zodat artikel 1:165 BW daarop niet van toepassing is. De vrouw heeft desgevraagd geen juridische grondslag kunnen geven voor het opleggen van een gebruiksvergoeding ten tijde van het huwelijk. De man heeft betwist dat hij het appartement na ontbinding van het huwelijk is blijven bewonen en de vrouw heeft niet aangetoond dat dit anders is. De advocaat van de vrouw heeft het hof weliswaar ter terechtzitting een foto voorgehouden, maar het hof kan niet vaststellen op welke datum die foto is gemaakt, noch of op die foto het appartement [b] staat, noch of de auto die op de foto staat aan de man toebehoort. Het hof zal het verzoek van de vrouw om een gebruiksvergoeding en een dwangsom dan ook afwijzen.

Huurpenningen

32. De vrouw stelt dat de helft van de door de man ontvangen huurpenningen voor de twee winkelruimtes gelegen op de [panden] in de periode tussen de verdeling van de banksaldi (25 januari 2016) tot de toescheiding van de panden aan de man (26 december 2016) aan de vrouw toekomen. De vrouw voert daartoe aan dat de panden in de gemeenschap vallen en dat de man heeft erkend dat hij huurpenningen ontvangt. De vrouw betwist dat de oom van de man in dezen een rol speelt. De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van de huurpenningen van 1.800 RMB, ofwel op 900 RMB.

33. De man verweert zich daartegen en betwist dat hij huurpenningen heeft ontvangen. De man herhaalt zijn eerder ingenomen stelling dat de huurpenningen door zijn oom zijn ontvangen.

34. Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de eigendom van de winkelruimtes bij partijen berust. De voor de winkelruimtes ontvangen huurpenningen zijn derhalve een vrucht van de gemeenschap, waartoe ieder van partijen op grond van artikel 3:172 BW voor de helft gerechtigd is. De man heeft zijn stelling, dat de huurpenningen aan zijn oom zijn voldaan of aan zijn oom toekwamen, niet met verifieerbare stukken onderbouwd. De grief van de vrouw treft derhalve doel.

Woonlasten echtelijke woning

35. De vrouw stelt dat partijen op grond van artikel 3:172 BW gehouden zijn naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijke goed - de echtelijke woning - bij te dragen in de uitgaven /de hypothecaire lening. De vrouw concludeert dat de man dient bij te dragen in de lasten van de echtelijke woning over de periode van 25 januari 2016 tot de verkoop van die woning.

36. De man verweert zich daartegen en stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is dat de vrouw de volledige lasten van de echtelijke woning draagt, nu zij bij uitsluiting van de man deze woning bewoont.

37. Het hof overweegt als volgt. De lasten met betrekking tot de echtelijke woning zijn te kwalificeren als kosten van de huishouding tot de datum van ontbinding van het huwelijk, te weten 17 mei 2017. Zoals hiervoor onder 27 overwogen, komen de kosten van de huishouding op grond van artikel 1:84 BW ten laste van het gemene inkomen van de echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan.

38. Zoals hiervoor onder 28 overwogen, hebben partijen niet, althans onvoldoende, onderbouwd hoe hun inkomens- en vermogenspositie was in de betreffende periode en derhalve hoe er overeenkomstig de draagplicht moest worden gefourneerd. Derhalve is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat haar een vergoedingsrecht toekomt.

39. Ten aanzien van de periode vanaf 17 mei 2017 overweegt het hof als volgt. Bij de bestreden beschikking is met betrekking tot de echtelijke woning - kort samengevat - bepaald dat de woning zal worden verkocht en dat de overwaarde bij helfte gedeeld dan wel de onderwaarde bij helfte gedragen zal worden door partijen. Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert, en moeten zij in diezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. Aangezien een dergelijke regeling ontbreekt, is de man gehouden de helft van de aan de voormalige echtelijke woning verbonden lasten te voldoen. De man heeft niet betwist dat de vrouw alle lasten samenhangend met de voormalige echtelijke woning heeft voldaan. Het hof zal aldus beslissen.

40. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw met betrekking tot de onroerende zaken [pand 1] en [pand 2] ;

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw met betrekking tot het appartement [a] ;

veroordeelt de man om uit hoofde van de toedeling van de winkelruimtes, [panden] de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van 194.513 RMB;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de helft van de door hem ontvangen huurpenningen (ad RMB 1.800, ergo RMB 900,-) uit hoofde van verhuur van de winkelruimtes, [panden] over de periode 25 januari 2016 tot 26 december 2016, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de datum van deze beschikking tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man tot betaling van de helft van de door de vrouw voldane lasten voor de voormalige echtelijke woning over de periode van 17 mei 2017 tot aan de datum van verkoop van de woning;

verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2017.