Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3375

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.193.240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie. Column in krant. Botsing van grondrechten. Vrijheid van meningsuiting versus recht op bescherming privéleven en goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0925

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.193.240/01

Zaaknummer rechtbank : 4607180 / CV EXPL 15-50164

arrest van 5 december 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

[geïntimeerde] .,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. O.G. Trojan te Den Haag.

Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij dagvaarding van 9 juni 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam van 11 maart 2016.

1.2

Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd.

1.3

Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

1.4

Vervolgens is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het gaat in deze zaak om de vraag of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door de publicatie van een column van [X] in [krant] van [datum] getiteld: “De burgemeester tobt met een dilemma”. Deze column luidt als volgt.

Nergens is meer geld voor, maar juist nú wordt de Gemeente [naam gemeente] door de rechter gedwongen om 4000 euro schadevergoeding te betalen aan de veroordeelde pedoseksueel [appellant] Hij woont nog altijd in een appartement op de bovenste verdieping van woonzorgcentrum [naam] . De rechter vindt dat onze burgemeester het adres van [appellant] niet bekend had mogen maken, terwijl [appellant] nota bene zélf contact heeft gezocht met de media om zijn verblijfplaats te onthullen. De burgemeester tobt met een dilemma: de ex-gevangene beschermen of de overige buurtbewoners beschermen. In dezelfde flat aan de [straatnaam] zit namelijk op de begane grond kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] en iets verderop is een buitenschoolse opvang. Ook is er een jongerenhuis met kamertraining in de buurt. De burgemeester meldt via zijn weekvideo dat dit alles ‘naar de heer [appellant] is gecommuniceerd.’ Nou, dan weet je wel hoe laat het is. Iets is naar iemand gecommuniceerd. Stront aan de knikker, impasse.

[naam gemeente] besteedt veel geld aan externe specialisten voor advies.

Nu had de burgemeester ook beter een gerenommeerde conflictbemiddelaar kunnen consulteren. Van een psychopathische provocateur kun je een strijd namelijk nooit winnen. Die zuigt, ettert, en daagt uit (plaatst bijvoorbeeld een foto van peuters van [naam kinderdagverblijf] op zijn weblog). En vooral: hij is ziek, zwak en zielig. Hij verwijt de buurtbewoners het koesteren van ‘onderbuikgevoelens’, kan niet tegen stress maar wijst elk gesprek en elk aanbod dat zou kunnen leiden tot verbetering van zijn welzijn consequent af. Ook de meest ervaren reclasseringsambtenaar strandt in wanhoop bij dit soort gehaaide manipulators.

Afgelopen dinsdag stond er in [krant 2] een uitvoerig interview met [appellant] Grote foto erbij waarop we hem uit het raam zien kijken. Het allereerste wat in het oog schiet, is de verrekijker die op zijn vensterbank ligt. Ik wil niet denken aan waar hij naar zit te gluren, want wie weet speurt deze querulant naar de volgende stressverhogende rechtszaak.

3. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] , strekkende tot het uitspreken van een verklaring voor recht dat publicatie van deze column onrechtmatig is, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding en verwijdering van de column van de website van [geïntimeerde] , afgewezen. Daartegen komt [appellant] in hoger beroep op.

4. De feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld, staan in hoger beroep niet ter discussie zodat het hof daarvan ook zal uitgaan. Gemakshalve geeft het hof die feiten hier nogmaals weer.

4.1

[appellant] is veroordeeld geweest tot gevangenisstraf wegens – kort gezegd – het plegen van ontucht met minderjarigen. Sinds zijn invrijheidsstelling in 2009 is het vinden van een duurzame woonlocatie voor hem moeilijk gebleken, hetgeen heeft geresulteerd in een rondgang langs een groot aantal gemeenten. In mei 2014 heeft [appellant] een woning betrokken in [naam gemeente] .

4.2

Bij brief van 21 juni 2014 heeft de burgemeester van [naam gemeente] de omwonenden van [appellant] geïnformeerd over het feit dat [appellant] in de buurt is komen wonen. Vervolgens heeft [appellant] de gemeente [naam gemeente] aansprakelijk gesteld uit hoofde van onrechtmatige daad vanwege de bekendmaking van zijn verblijfplaats.

4.3

Bij vonnis van 8 april 2015 is door de kantonrechter te [naam gemeente] geoordeeld dat de gemeente [naam gemeente] , door de wijze waarop deze over de aanwezigheid van [appellant] heeft gecommuniceerd aan de buurt, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en is de gemeente [naam gemeente] veroordeeld tot het betalen van € 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding aan [appellant] .

4.4

Op [datum] heeft [geïntimeerde] in [krant] de gewraakte column gepubliceerd.

5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. In deze zaak is sprake van een botsing tussen het grondrecht op vrijheid van meningsuiting dat

de pers toekomt, en het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van eer en goede naam van [appellant] . Bij dit conflict van rechten moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een belangenafweging aan de hand van alle ter zake dienende omstandigheden. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers in een democratie om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat steeds voorrang toekomt aan het door art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor de door art. 8 EVRM beschermde rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van eer en goede naam geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM, dan wel van art. 8 lid 2 EVRM. (EHRM 8 juli 1986, ECLI:NL:XX:1986:AC0448; HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627)

6. Vrijheid van meningsuiting kan ook beledigende of schokkende denkbeelden betreffen. In dit geval is de gewraakte perspublicatie geschreven in de vorm van een column, welke publicatievorm veelal het karakter heeft van een korte, betrekkelijk oppervlakkige en enigszins ironische beschouwing, waarbij overdrijving niet wordt geschuwd en die bovendien provocerend en shockerend kan zijn. Een column bevat doorgaans waardeoordelen van de columnist en niet zozeer objectieve feiten (zie voor de relevantie van het onderscheid tussen waardeoordelen en feiten bijvoorbeeld EHRM 8 juli 1986, ECLI:NL:XX:1986:AC0448, r.o. 46). Daarom is in een column over het algemeen meer toelaatbaar dan in andere publicaties: een columnist heeft een grotere vrijheid om te simplificeren, uit te vergroten, te overdrijven en gebruik te maken van scherpe bewoordingen dan een (onderzoeks)journalist. De vrijheid van meningsuiting is echter ook in een column gebonden aan grenzen, die onder meer hierin zijn gelegen dat gebezigde bewoordingen niet nodeloos grievend mogen zijn of bedoeld om een persoon te kwetsen (HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731), terwijl columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening over personen geen kwalificaties mogen bezigen of vergelijkingen mogen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven.

7. In dit geval is verder van belang dat [appellant] , die in een strafvonnis is veroordeeld wegens het plegen van ontucht met minderjarigen en zijn straf daarvoor heeft uitgezeten, in beginsel vrij is om zich ergens te vestigen en zijn maatschappelijke leven weer op te pakken. Anderzijds is invoelbaar dat, indien een zedendelinquent zich in een gemeente vestigt, dit kan leiden tot angst en onrust bij de omwonenden en tot maatschappelijke commotie, die voor een krant of columnist aanleiding vormen om daarover te schrijven.

8. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] en haar columnist [X] in dit geval dient te prevaleren.

9. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat sprake was van een actueel maatschappelijk relevant onderwerp, te weten een rechterlijke uitspraak waarbij de gemeente [naam gemeente] was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] wegens het bekendmaken van zijn woonplaats in die gemeente. Die bekendmaking had geleid tot publieke onrust en tot verontwaardiging bij omwonenden. Kort voor het verschijnen van de column was bekend geworden dat de gemeente niet in hoger beroep zou gaan tegen de uitspraak. De columnist vroeg – mede gezien de titel van de column – aandacht voor het dilemma waarin de burgemeester van [naam gemeente] zich bevond ten aanzien van de vestiging van [appellant] in de gemeente: enerzijds het honoreren van het recht van [appellant] om, kort gezegd, een nieuwe start te maken, anderzijds het recht van de omwonenden op informatie omtrent het feit dat een veroordeelde zedendelinquent in hun omgeving was komen wonen. De columnist had kritiek op de hiermee verband houdende opstelling en het gedrag van [appellant] . De – hier en daar ontegenzeggelijk scherpe en zelfs beledigende – uitlatingen en bewoordingen van de column vormen een onderbouwing van deze kritiek en van het geschetste dilemma. Het hof deelt dan ook het oordeel van de kantonrechter onder 5.3 van het bestreden vonnis dat de uitlatingen van [X] niet tot doel hadden om [appellant] te kwetsen.

10. In de column wordt er onder meer op gewezen dat [appellant] eigener beweging zijn woonplaats al bekend had gemaakt aan een journalist en dat de gemeente eerst nadat zij door die journalist was gebeld en was geconfronteerd met deze mededeling, is overgegaan tot het doen uitgaan van een persbericht. Het moge zo zijn dat [appellant] niet zijn exacte adres had gemeld aan de journalist, maar slechts heeft gezegd dat hij in de gemeente [naam gemeente] was komen wonen in een seniorenflat waarin ook een kinderdagverblijf was gevestigd, maar hiermee vindt de desbetreffende passage in de column voldoende steun in de feiten, nu onweersproken is dat met deze gegevens de exacte woonlocatie van [appellant] eenvoudig kon worden achterhaald.

11. Verder neemt het hof in aanmerking dat [appellant] voorafgaand aan het verschijnen van de column reeds het onderwerp was geweest van zelfgekozen media-aandacht, zoals blijkt uit een op [datum 2] gepubliceerd interview met [appellant] in [krant 2] , en dat [appellant] ook in de openbaarheid trad door middel van het bijhouden van een weblog. [appellant] heeft zich via zijn weblog meermalen beledigend uitgelaten jegens derden. Een en ander kan van invloed zijn op de mate van belediging die [appellant] zich op zijn beurt dient te laten welgevallen.

12. Wat betreft de specifiek gewraakte passages en kwalificaties overweegt het hof als volgt. Weliswaar is de uitdrukking “psychopathische provocateur” beledigend en uitvergroot, maar naar het oordeel van het hof in de gegeven context niet nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Voor de lezer is redelijkerwijs duidelijk dat met “psychopathisch” niet is bedoeld een medische diagnose te stellen. Met die term wordt in een context als de onderhavige (slechts) een persoonlijk waardeoordeel over iemand gegeven, evenals wanneer wordt gezegd dat iemand “niet spoort” of “gestoord is”. De uitdrukking “provocateur” acht het hof evenmin nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Daarbij weegt mee dat [appellant] zich voorafgaand aan de verschijning van de column daadwerkelijk provocerend had opgesteld, door een foto van kinderen van het kinderdagverblijf waar hij boven woonde, op zijn weblog te plaatsen en door het plaatsen van een foto van een slapend jongetje op zijn blog na een nachtelijke demonstratie van buurtbewoners bij zijn huis, met daarbij de tekst: “p.s., mijn logé sliep er gelukkig doorheen zoals u ziet” (prod. 7). Dat, naar [appellant] heeft aangevoerd, dit reacties waren op een op zichzelf provocerend uitje van het kinderdagverblijf tot bij zijn raam respectievelijk op genoemde demonstratie, doet er niet aan af dat die reacties van [appellant] (ook) provocerend waren. Ook na het verschijnen van de column heeft [appellant] zich provocerend gedragen door bijvoorbeeld een blogbericht d.d. 24 december 2015 te plaatsen met een oproep aan een puber “om samen plezier te hebben”, een blogbericht getiteld “Welkom puber” met het telefoonnummer van [appellant] en een oproep aan een “leuke jongen” om te “chillen bij [appellant] thuis”, twitterberichten waarin [appellant] het heeft over het uittrekken van “puberboxers”, het “leren genieten van ontluikend groen” en “lieve pubertjes” uitnodigt een “nachtje bij [appellant] te reserveren”, en een televisie-interview waarin [appellant] opmerkt dat kinderen vanzelf naar hem toekomen waar hij ook komt (prod. 11, 14, 15, 16 en 17). Weliswaar moet bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de column worden gelet op de omstandigheden ten tijde van het verschijnen ervan, maar uit latere feiten of omstandigheden kunnen wel aanwijzingen worden geput over de situatie ten tijde van de publicatie en deze kunnen een kleuring geven aan de beoordeling van de rechtmatigheid. Dat [appellant] niet de bedoeling heeft (gehad) te provoceren, zoals hij stelt, maar slechts zaken wil aankaarten, doet er niet aan af dat zijn gedragingen redelijkerwijs als provocerend kunnen worden opgevat. De bewoordingen “zuigt, ettert en daagt uit” acht het hof in de gegeven omstandigheden om dezelfde redenen evenmin onrechtmatig.

13. De bewoordingen van de column “hij is ziek, zwak en zielig” acht het hof niet nodeloos grievend of bedoeld om [appellant] te kwetsen. Deze woorden worden gevolgd door de zin: “Hij verwijt de buurtbewoners het koesteren van ‘onderbuikgevoelens’, kan niet tegen stress maar wijst elk gesprek en elk aanbod dat zou kunnen leiden tot verbetering van zijn welzijn consequent af.” De columnist verwijst kennelijk naar het meergenoemde op [datum 2] verschenen [krant 2] interview met de kop: “Mijn lichaam is kapot. Ik kan niet tegen die stress”. In dat interview zegt [appellant] onder meer: “Ik ben gedotterd. Ik heb diabetes, slaapapneu, artritis en artrose. Mijn lichaam is kapot. Ik ben al bijna dood. Ik kan niet tegen die stress.” De strekking van de gewraakte passages uit de column is kennelijk dat [appellant] zich volgens de columnist als slachtoffer presenteert, hetgeen volgens de columnschrijver niet strookt met het consequent afwijzen van elk gesprek of aanbod dat zou kunnen leiden tot verbetering van zijn welzijn. De columnist gebruikt de ironische / sarcastische bewoordingen “hij is ziek, zwak en zielig” dan ook om een punt te maken terwijl voorts niet kan worden gezegd dat de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven tot die bewoordingen.

14. De woorden “gehaaide manipulators”, hoewel ongetwijfeld beledigend, acht het hof evenmin te ver gaan tegen de achtergrond van het te hanteren toetsingskader zoals weergegeven onder 5 en 6 en de omstandigheden zoals vermeld onder 7 en 9 tot en met 13.

15. De zinsnede “Ik wil niet denken aan waar hij naar zit te gluren” moge suggestief zijn en het woord gluren mag een negatieve connotatie hebben, een en ander maakt niet dat in de te maken belangenafweging het recht op bescherming van privacy, eer en goede naam van [appellant] in die zin voorrang heeft op het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde] / [X] dat het schrijven van deze zinsnede onrechtmatig moet worden geacht. Het hof verwijst naar het te hanteren toetsingskader zoals hiervoor weergegeven onder 5 en 6 en de omstandigheden die zijn vermeld onder 7 en 9 tot en met 13.

16. Ook wanneer de column, de inhoud en bewoordingen ervan als geheel worden beschouwd kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat daarmee de in dit geding aan de orde zijnde grens wordt overschreden. Het hof verenigt zich voor het overige met de overwegingen van de kantonrechter onder 5.5 en 5.6 en neemt die over.

17. Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 718,- aan griffierecht en € 894,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dagtekening van dit arrest;

verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M. Wattendorff, C.J. Verduyn en P. Kuipers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.