Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3354

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
BK-17/00493
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:3391, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de Bor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0249
NLF 2017/2972 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2017/2834
V-N 2018/10.16 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 29-11-2017
FutD 2017-3008 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00493

Uitspraak van 14 november 2017

het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 maart 2017, nummer SGR 16/1867, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag in het successierecht.

Aanslag, beschikking en bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 september 2014 een aanslag in het successierecht opgelegd naar een belaste verkrijging krachtens erfrecht van [Y] van € 350.297. Het geheven bedrag aan successierecht is € 54.057.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is € 46 aan griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is van haar een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 september 2017, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van belanghebbendes vader [A] (kenmerk BK-17/00428) en belanghebbendes zus [B] (kenmerk BK-17/00494). Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Erflaatster, [Y] , is [in] 2009 overleden (de overlijdensdatum). Belanghebbende is een dochter van erflaatster. Naast belanghebbende zijn haar vader [A] en haar zus [B] erfgenamen.

3.2.

Tot de nalatenschap behoort 50% van de aandelen in [C] B.V. ( [C] BV), welke vennootschap op de overlijdensdatum enig aandeelhoudster was van [D] B.V. ( [D] BV).

3.3.

Bij testament van 27 maart 2009 heeft erflaatster over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft de vader van belanghebbende, de zus van belanghebbende en belanghebbende benoemd tot erfgenamen: de vader van belanghebbende voor 1/100ste deel en belanghebbende en haar zus ieder voor 99/200ste deel. Verder heeft erflaatster aan belanghebbende en haar zus elk een legaat toegekend ter grootte van de vordering die erflaatster had op één van hen. Aan de vader van belanghebbende is een zogenoemd afvullegaat toegekend en aan een kleinzoon van erflaatster een legaat ter grootte van de voor hem geldende vrijstelling van successierecht. Het aan elke dochter toekomende legaat bedroeg uiteindelijk € 251.507, het afvullegaat voor de vader van belanghebbende € 2.172.250 en het legaat aan de kleinzoon € 10.323. De som van de legaten is € 2.685.587.

3.4.

Bij de verdeling van de nalatenschap zijn alle aandelen in [C] BV toebedeeld aan de vader van belanghebbende en verkregen belanghebbende en haar zus een vordering in geld op hun vader.

3.5.

Volgens de aangifte successierecht bedraagt het zuivere saldo van de nalatenschap € 3.030.033, zodat na aftrek van de legaten € 344.446 resteert. Daarvan verkrijgt de vader van belanghebbende € 3.444 (1/100) en belanghebbende en haar zus ieder € 170.501 (99/200). De verkrijging van de vader van belanghebbende is verhoogd met de waarde van een “fictief vruchtgebruik van de vordering van de overige erfgenamen” ter grootte van € 143.221, terwijl de verkrijging van belanghebbende en haar zus bij ieder werd verlaagd met de helft daarvan, dus met € 71.611. De verkrijging van de vader van belanghebbende bedroeg aldus: € 2.172.250 (legaat) + € 3.444 (erf) + € 143.221 (fictief vruchtgebruik) = € 2.318.915 en die van belanghebbende en haar zus elk € 251.507 + € 170.501 -/- € 71.611 (vruchtgebruik) = € 350.397.

3.6.

Belanghebbende heeft een belaste verkrijging aangegeven van € 350.397. De Inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat de aanslag moet worden verminderd omdat zij recht heeft op de bedrijfsopvolgingsregeling (Bor) van hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956, zoals deze luidde op overlijdensdatum (SW). Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de Bor.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

4.3.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de Rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“5. Op grond van artikel 35b, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de SW geldt de Bor voor de verkrijger van aandelen in een vennootschap, niet zijnde een beleggingsvennootschap, die bij de erflater behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet IB 2001.

6. Bij de verdeling van de nalatenschap van haar moeder heeft eiseres geen aandelen in [C] BV verkregen. Deze zijn toebedeeld aan haar vader. Ook verder is gesteld noch gebleken dat eiseres vermogen heeft geërfd als bedoeld in artikel 35b van de SW. Daarom moet worden geoordeeld dat eiseres geen recht heeft op toepassing van de Bor en dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft bij de toedeling uit de nalatenschap geen aandelen in [C] BV verkregen en ook niet in [D] BV. Zij heeft een vordering op haar vader verkregen. Ook anderszins is geen sprake van de verkrijging van een bestanddeel van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b van de SW 1956. De in de bedrijfsopvolgingsregeling neergelegde vrijstelling geldt alleen voor de verkrijging van ondernemingsvermogen. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende geen recht kan doen gelden op toepassing van de Bor.

7.2.

Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

8.2.

Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en H.J. van Leijenhorst, leden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 14 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.