Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3335

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
22-003123-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 22b, lid 2, Sr. Taakstrafverbod. Recidiveregeling. Jeugdstrafrecht. In het geval van oplegging van een taakstraf onder het volwassenstrafrecht is de recidiveregeling van art. 22, lid 2, Sr. ook van toepassing indien sprake is van een eerder aan de verdachte onder het jeugdstrafrecht opgelegde en tenuitvoergelegde taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003123-17

Parketnummers: 09-827090-15 en 09-146001-14 (TUL)

Datum uitspraak: 23 november 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 november 2016 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

adres: []

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

9 november 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarden van - kort gezegd - een meldplicht bij de reclassering en het volgen van een CoVa-training. Verder is beslist op de vordering tenuitvoerlegging en is het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg (..) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met daarin een laptop en/of twee zonnebrillen en/of een usb-stick en/of een sleutelhanger en/of een keycord en/of een geldbedrag (van 200 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- bij het gezicht en/of lichaam beetpakken van die [slachtoffer] en/of

- knijpen in het gezicht van die [slachtoffer] en/of

- tegen de grond gooien/duwen van die [slachtoffer] en/of

- het stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer];

en/of

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] bij het gezicht en/of het lichaam beet te pakken en/of

- die [slachtoffer] in het gezicht te knijpen en/of

- die [slachtoffer] tegen de grond te gooien/duwen en/of

- die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Verzoek tot toepassing van het jeugdstrafrecht

Ter terechtzitting is door de raadsman het verzoek gedaan om ten aanzien van de verdachte, die ten tijde van het ten laste gelegde nog maar kort meerderjarig was, het jeugdstrafrecht toe te passen.

Het hof slaat te dien aanzien mede acht op het reclasseringsadvies van 20 augustus 2015 en overweegt dat de verdachte niet de indruk wekt jonger te zijn dan zijn kalenderleeftijd, dat er geen pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden zijn en dat er geen contra-indicaties zijn voor het inzetten van het volwassenenstrafrecht. Het verzoek wordt mitsdien afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg (...) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met daarin een laptop en/of twee zonnebrillen en/of een usb-stick en/of een sleutelhanger en/of een keycord en/of een geldbedrag (van 200 euro)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- bij het gezicht en/of lichaam beetpakken van die [slachtoffer] en/of

- knijpen in het gezicht van die [slachtoffer] en/of

- tegen de grond gooien/duwen van die [slachtoffer] en/of

- het stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer];

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof. Daarbij is tegen het slachtoffer geweld gepleegd. De verdachte heeft blijk gegeven van onvoldoende respect voor de eigendommen van het slachtoffer en zich niet ontzien van inbreuk op diens lichamelijk integriteit om zijn doel te bereiken.

Ter voorbereiding van dit feit smeedden verdachte en zijn mededader een geraffineerd plan, waarbij het slachtoffer min of meer in de val is gelokt. Dat verdachte hierbij zou zijn opgekomen voor een derde persoon die eerder zou zijn opgelicht door het slachtoffer doet, wat van dat eerdere voorval verder ook zij, aan het verwerpelijke van verdachtes handelen niet af, nu hij zich in zoverre dan aan onder geen enkele omstandigheid geoorloofde eigenrichting zou hebben schuldig gemaakt.

Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk delict nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Feiten als het onderhavige brengen in de regel ook bij burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 oktober 2017, waaruit blijkt dat de verdachte al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat wegens voormeld soortgelijk feit bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar van 26 mei 2011 aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf is opgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting, meer in het bijzonder het rapport van Palier d.d. 16 juni 2015, is gebleken dat deze taakstraf is uitgevoerd, zodat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht toepassing behoort te vinden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2014 onder parketnummer 09-146001-14 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, met bevel dat 10 uren van die taakstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

59 (negenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat 1 (één) dag van de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de overige tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, zodat na aftrek van de overige 12 (twaalf) dagen van het voorarrest van de taakstraf resteren 136 (honderdzesendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2014, met parketnummer 09-146001-14, te weten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 10 (tien) uren.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. S. Verheijen, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2017.