Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3320

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
200.216.629/01; 200.216.952/01; 200.218.795/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Familieleden van de vader, in eerste aanleg strafrechtelijk veroordeeld voor het om het leven brengen van de moeder, en de moeder verzoeken met de voogdij van de drie minderjarige kinderen te worden belast en de kinderen bij hen te plaatsen. De raad verzoekt plaatsing van de kinderen in een neutraal pleeggezin en het belasten van de gecertificeerde instelling met de voogdij. Het hof stelt voorop dat in het algemeen een netwerkplaatsing de voorkeur heft boven plaatsing in een neutraal pleeggezin. het hof is van oordeel dat inde onderhavige zaak van deze hoofdregel niet moet worden afgeweken op grond van de aangedragen argumenten. het hof is van oordeel dat plaatsing van de kinderen bij de familieleden van de moeder de voorkeur geniet. Omdat het belang van de kinderen het beste is gediend bij het toekennen van de voogdij aan degenen die voor hen zorgen, is het hof van oordeel dat de voogdij aan de familieleden van de moeder dient te worden toegekend. het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummers: 200.216.629/01; 200.216.952/01; 200.218.795/01

Rekestnummers Rechtbank: FA RK 16-9930; FA RK 17-786; FA RK 17-789;

FA-RK 16-7956

Zaaknummers Rechtbank: C/09/524486; C/09/526309; C/09/526314; C/09/520306

Beschikking van de meervoudige kamer van 15 november 2017

In de zaak met zaaknummer 200.216.952/01:

van

[de vader] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader van de drie minderjarigen,

advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam,

tegen

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de oom vaderszijde] ,

wonende te [woonplaats] ,

de broer van de vader van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom vaderszijde] ,

advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk,

- [de oom en tante moederszijde] ,

wonende te [woonplaats] , Rusland,

de broer en de schoonzus van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom en tante moederszijde] ,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

- [de grootouders moederszijde] ,

wonende te [woonplaats] , Rusland,

hierna te noemen: de ouders van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

[de oom moederszijde] , [de tante moederszijde] en de grootouders moederszijde hierna gezamenlijk ook te noemen: de familie in Rusland,

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

- [de voormalige pleegmoeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de voormalige pleegmoeder (van de hierna te noemen minderjarigen [minderjarigen 1 en 2] ).

In de zaak met zaaknummer 200.216.629/01:

van

[de oom vaderszijde] ,

wonende te Rijswijk,

verzoeker in hoger beroep,

de broer van de vader van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom vaderszijde] ,

advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk,

tegen

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

hierna te noemen: de vader van de drie minderjarigen,

advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam,

- [de oom en tante moederszijde] ,

wonende te [woonplaats] , Rusland,

de broer en de schoonzus van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom en tante moederszijde] ,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

- [de grootouders moederszijde] ,

wonende te [woonplaats] , Rusland,

hierna te noemen: de ouders van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

[de oom moederszijde] , [de tante moederszijde] en de grootouders moederszijde hierna gezamenlijk ook te noemen: de familie in Rusland,

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

- [de voormalige pleegmoeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de voormalige pleegmoeder (van de hierna te noemen minderjarigen [minderjarigen 1 en 2] ).

In de zaak met zaaknummer 200.218.795/01:

van

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie Den Haag,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] ,

verblijvende in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

hierna te noemen: de vader van de drie minderjarigen,

advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam,

[de oom vaderszijde] ,

wonende te Rijswijk,

de broer van de vader van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom vaderszijde] ,

advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk,

- [de oom en tante moederszijde] ,

wonende te Vladikavkaz, [plaats] , Rusland,

de broer en de schoonzus van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

hierna te noemen: [de oom en tante moederszijde] ,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

- [de grootouders moederszijde] ,

wonende te [woonplaats] , Rusland,

hierna te noemen: de ouders van de overleden moeder van de drie minderjarigen,

advocaat mr. H.M.A. over de Linden te Amsterdam,

[de oom moederszijde] , [de tante moederszijde] en de grootouders moederszijde hierna gezamenlijk ook te noemen: de familie in Rusland,

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

- [de voormalige pleegmoeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de voormalige pleegmoeder (van de hierna te noemen minderjarigen [minderjarigen 1 en 2] ).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van 3 februari 2017 en 17 mei 2017 van de Rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 2 juni 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 mei 2017 van de Rechtbank Den Haag (hierna ook: de bestreden beschikking). [de oom vaderszijde] is op 29 mei 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 3 februari 2017 en voornoemde beschikking van 17 mei 2017 van de Rechtbank Den Haag. Op 4 juli 2017 is de raad in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 mei 2017 van de Rechtbank Den Haag.

2.2

De vader en [de oom vaderszijde] hebben in hun hoger beroep tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking en een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ingediend. De raad heeft ook op 20 juni 2017 een verzoek tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad ingediend. Deze verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen zijn bij het hof ingeschreven onder zaaknummers 200.216.629/02 en /03, 200.216.952/02 en /03 en 200.218.220/01. Bij beschikking van 5 juli 2017 heeft het hof de verzoeken tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking en tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen.

2.3

Het verloop van de procedure met betrekking tot de verzoeken ter zake de voogdij blijkt uit:

in de zaak met zaaknummer 200.216.952/01:

- van de zijde van de vader: het beroepschrift van 2 juni 2017, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, tevens houdende de incidentele verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en de voorlopige voorzieningen;

- van de zijde van de familie in Rusland: het verweerschrift van 2 oktober 2017, ingekomen bij het hof op 3 oktober 2017;

in de zaak met zaaknummer 200.216.629/01:

- van de zijde van [de oom vaderszijde] :

- het beroepschrift van 29 mei 2017, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, tevens houdende de incidentele verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en de voorlopige voorzieningen;

- een V-formulier van 19 juli 2017 met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- van de zijde van de gecertificeerde instelling: het verweerschrift van 29 augustus 2017, ingekomen bij het hof op 30 augustus 2017;

- van de zijde van de familie in Rusland: het verweerschrift van 3 juli 2017, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- van de zijde van de pleegmoeder: een brief van 14 juni 2017, ingekomen bij het hof op 16 juni 2017, met bijlagen;

in de zaak met zaaknummer 200.218.795/01:

- van de zijde van de raad:

- het beroepschrift van 4 juli 2017, ingekomen bij het hof op 6 juli 2017;

- een brief van 19 juli 2017, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- een brief van 19 juli 2017, ingekomen bij het hof op 21 juli 2017, met bijlagen;

- van de zijde van de familie in Rusland: het verweerschrift van 15 september 2017, ingekomen bij het hof op 18 september 2017.

De raad heeft bij brief van 5 september 2017, bij het hof ingekomen op 7 september 2017, laten weten ter zitting aanwezig te zullen zijn.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2017 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de vader vergezeld door zijn advocaat;

- [de oom vaderszijde] vergezeld door zijn advocaat;

- [de oom moederszijde] vergezeld door zijn advocaat en [de tolk] , tolk in de Russische taal;

- [naam] namens de raad;

- [naam] , [naam] en [naam] namens de gecertificeerde instelling.

[de tante moederszijde] , de grootouders van moederszijde en de voormalige pleegmoeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Bijzondere toegang is verleend aan mr. J.B. Peters, een kantoorgenoot van mr. J.C. Herweijer.

De advocaat van de vader, de advocaat van [de oom vaderszijde] en mr. L. Goei hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de Rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- De vader en [de moeder] (hierna: de moeder), hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond.

- Uit de moeder zijn de volgende drie minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2012 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

- [minderjarige 3] , geboren op [in] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ) (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

- De minderjarigen zijn na hun geboorte door de vader erkend.

- De moeder is [in] 2016 door een geweldsdelict overleden. De Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis [in] 2017 de vader voor doodslag van de moeder veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren. Daarnaast heeft de Rechtbank gelast dat de vader ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

- De moeder was van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.

- Bij beschikking van 14 juli 2016 van de Rechtbank Den Haag is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen van 14 juli 2016 tot 27 juli 2016.

- Bij beschikking van 25 juli 2016 van de Rechtbank Den Haag is de gecertificeerde instelling voor onbepaalde tijd belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.

- De vader en [de oom vaderszijde] hebben volgens het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen de Nederlandse nationaliteit.

- De vier Russische familieleden van de overleden moeder hebben volgens de door hen overgelegde kopieën van hun paspoorten allen de Russische nationaliteit.

3.2

Bij de beschikking van 3 februari 2017 heeft de Rechtbank Den Haag, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de raad, de gecertificeerde instelling, de vader, [de oom vaderszijde] , [de oom en tante moederszijde] , de ouders van de overleden moeder en een eventuele “neutrale” derde voogd of pleegouder als belanghebbende in deze procedures zal aanmerken. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de raad en de gecertificeerde instelling uiterlijk op 24 maart 2017 nadere schriftelijke rapportages met concreet advies over de in de gegeven buitengewone omstandigheden beste gezagsvoorziening en de eventuele beste plaatsing in een eventueel pleeggezin voor de minderjarigen bij de Rechtbank moeten hebben ingediend. De Rechtbank heeft iedere verdere beslissing over de gezagsvoorziening aangehouden.

3.3

In hoger beroep is komen vast te staan dat de minderjarigen op 21 juli 2017 zijn verhuisd naar [de oom en tante moederszijde] in [woonplaats] , Rusland.

4. De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de Rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, [de oom en tante moederszijde] met ingang van 1 september 2017 met de voogdij over de minderjarigen belast. De Rechtbank heeft in dat kader overwogen dat in de tussenliggende periode door de gecertificeerde instelling (die tot 1 september 2017 belast was met de voorlopige voogdij) kon worden toegewerkt naar een verhuizing van de minderjarigen naar Rusland. De Rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vader, [de oom vaderszijde] en de raad zijn het niet eens met deze beslissing.

In de zaak met zaaknummer 200.216.952/01:

4.3

De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het Leger des Heils tot voogd te benoemen.

4.4

De familie in Rusland verweert zich daartegen en verzoekt het hof de verzoeken van de vader ongegrond te verklaren, althans te bepalen dat zijn grieven falen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg, advocaatkosten daarin begrepen.

In de zaak met zaaknummer 200.216.629/01:

4.5

[de oom vaderszijde] verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 3 februari 2017 en 17 mei 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de familieleden in Rusland geen belanghebbenden zijn ex artikel 798 Rv in de voogdij/gezagsprocedure;

- primair: [de oom vaderszijde] te benoemen tot voogd over de minderjarigen;

- subsidiair: de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: Leger des heils) te benoemen tot voogd over de minderjarigen;

- te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben, althans zullen krijgen, bij [de oom vaderszijde] .

4.6

De familie in Rusland verweert zich daartegen en verzoekt het hof [de oom vaderszijde] in diens verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep en de verzoeken van [de oom vaderszijde] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [de oom vaderszijde] in de kosten van deze procedure, advocaatkosten daarin begrepen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak met zaaknummer 200.218.795/01:

4.7

De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad om het Leger des Heils te belasten met de voogdij over de minderjarigen alsnog toe te wijzen.

4.8

De familie in Rusland verweert zich daartegen en verzoekt het hof het beroepschrift als informatieve brief te behandelen, doch niet als grieven en voor zover het hof de brief als grieven 1, 2 en 3 opvat: het verzoek af te wijzen, althans ongegrond te verklaren.

In alle drie zaken:

4.9

De gecertificeerde instelling verweert zich en verzoekt het hof de bestreden beschikking van 17 mei 2017 te bekrachtigen en mitsdien de verzoeken van de vader, [de oom vaderszijde] en de raad in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

Is het beroep van [de oom vaderszijde] tegen de beschikking van 3 februari 2017 te laat?

5.1

De familie in Rusland stelt dat [de oom vaderszijde] zijn hoger beroep tegen de uitspraak van 3 februari 2017 te laat heeft ingediend. Hij had dat binnen drie maanden na 3 februari 2017, dus uiterlijk op 3 mei 2017, moeten doen. Volgens de familie in Rusland heeft de uitspraak van 3 februari 2017 inmiddels gezag van gewijsde gekregen, nu hierin de vraag is beantwoord wie als belanghebbenden hebben te gelden in deze procedures.

5.2.

Het hof overweegt als volgt. In artikel 358 lid 1 Rv is bepaald dat hoger beroep openstaat van eindbeschikkingen. Op grond van artikel 358 lid 4 Rv kan hoger beroep van tussenbeschikkingen slechts worden ingesteld tegelijk met hoger beroep van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Er is sprake van een eindbeschikking indien in het dictum van de beschikking over enig deel van het verzochte uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. In de beschikking van 3 februari 2017 is in het dictum geen beslissing genomen over enig deel van het verzochte. Deze beschikking is naar het oordeel van het hof derhalve een tussenbeschikking, waarvan slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep kan worden ingesteld. Nu [de oom vaderszijde] binnen drie maanden na de eindbeschikking van 17 mei 2017 beroep heeft ingesteld, zal het hof hem ontvangen in zijn hoger beroep van zowel de tussenbeschikking van 3 februari 2017 als de eindbeschikking van 17 mei 2017. Artikel 236 Rv is niet van toepassing, omdat geen sprake is van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak.

Zijn de familieleden in Rusland als belanghebbenden aan te merken?

5.3

[de oom vaderszijde] stelt dat de Rechtbank ten onrechte de familieleden van moederszijde in Rusland als belanghebbenden in de zin van artikel 798 Rv heeft aangemerkt. Hij wijst er onder meer op dat de niet met het gezag beklede ouder volgens vaste jurisprudentie in het kader van een procedure tot ondertoezichtstelling van zijn kinderen niet wordt beschouwd als belanghebbende. Dit brengt volgens [de oom vaderszijde] mee dat in deze voogdijprocedure een familielid, dat verder weg staat van de minderjarige dan een ouder, niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

5.4

De familie in Rusland voert aan dat de stelling van [de oom vaderszijde] ook ten aanzien van hemzelf geldt, nu hij een familielid is van de vader.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft de Rechtbank in dit specifieke geval de familieleden in Rusland, net als [de oom vaderszijde] en een eventuele “neutrale” derde voogd of pleegouder, terecht en op goede gronden als belanghebbende aangemerkt. Immers wie als belanghebbende in een verzoekschriftprocedure moet worden aangemerkt, moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarop van toepassing zijnde wetsbepalingen worden afgeleid.

De voogdij

5.6

De partijen hebben een aantal grieven aangevoerd, die ertoe moeten leiden dat het door hen verzochte wordt toegewezen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.7

De vader stelt dat, conform het advies van de raad, het Leger des Heils belast dient te worden met de voogdij. Zijns inziens is [de tante moederszijde] in strijd met artikel 1:280 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mede belast met de voogdij, nu zij hiertoe niet vooraf ten overstaan van de Rechtbank of ter griffie een bereidverklaring heeft afgelegd. Ten aanzien van de verblijfplaats van de minderjarigen gaat de voorkeur van de vader uit naar plaatsing bij [de oom vaderszijde] , eventueel in samenwerking met de voormalige pleegmoeder. Hij voert aan dat de netwerkscreening door de gecertificeerde instelling in Rusland in strijd met artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 3.2 lid 2 jo. 5.1 van de Jeugdwet is geschied. Hij wijst erop dat de taak tot screening uitdrukkelijk is toebedeeld aan een pleegzorgaanbieder en dat het netwerkonderzoek zijns inziens onzorgvuldig is uitgevoerd. Ter zitting in hoger beroep wordt namens de vader aangevoerd dat [de oom en tante moederszijde] tijdens de procedure in eerste aanleg hebben gesteld dat zij met de minderjarigen een eigen woning zouden betrekken. Tijdens de zitting in de schorsingszaak is door de gecertificeerde instelling de indruk gewekt dat dit reeds een feit was, maar in de loop van de onderhavige procedure is gebleken dat de minderjarigen sinds hun overplaatsing naar [plaats] met vijf volwassenen in een relatief klein appartement van de grootouders van moederszijde wonen. Indien de minderjarigen in [plaats] (blijven) wonen, bestaat verder het risico dat het contact tussen de minderjarigen en de vader in frequentie afneemt, terwijl dit contact een positieve invloed heeft op hun traumaverwerking. Bovendien is naar de mening van de vader professionele hulpverlening voor de minderjarigen in [plaats] praktisch onmogelijk omdat zij geen Russisch spreken. De vader stelt tot slot dat een bijzondere curator dient te worden benoemd, omdat de stem van de minderjarigen in deze procedure niet is gehoord. Bij de gecertificeerde instelling is zijns inziens sprake van een vooringenomen standpunt, dat inhoudt dat de voogdij over de minderjarigen aan de familie in Rusland dient te worden toegekend.

5.8

[de oom vaderszijde] stelt dat de voogdij over de minderjarigen aan hem dient te worden toegekend en, indien het hof dit geen optie acht, aan het Leger des Heils. Hij stelt verder dat de minderjarigen conform het advies van Stichting Jeugdformaat bij hem dienen te worden geplaatst. [de oom vaderszijde] beschikt over opvoedervaring, omdat hij vast onderdeel van het gezin van zijn broer uitmaakte. De voormalige pleegmoeder kan hem eventueel ondersteunen in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen en een moederrol vervullen. [de oom vaderszijde] wijst erop dat de kinderwens van [de oom en tante moederszijde] een risicofactor is indien de minderjarigen bij hen worden geplaatst. [de oom vaderszijde] onderschrijft daarnaast de stellingen van de vader ten aanzien van de netwerkscreening door de gecertificeerde instelling in [plaats] en de traumabehandeling van de minderjarigen aldaar. Hij benadrukt tot slot dat de minderjarigen hun roots in Nederland hebben en dat [minderjarigen 1 en 2] bij herhaling de wens hebben uitgesproken om bij hem te wonen. Met de cultuur van [plaats] zijn zij daarentegen niet vertrouwd.

5.9

De familie in Rusland stelt dat [de oom en tante moederszijde] met het gezag dienen te worden belast. De screening van [de oom moederszijde] is in september 2016 op deugdelijke wijze uitgevoerd door de autoriteiten in [plaats] . [de oom moederszijde] heeft zijn diploma voor het voogdijschap behaald. Plaatsing in een neutraal pleeggezin is naar de mening van de familie in Rusland geen optie. Een dergelijke plaatsing brengt het risico mee dat de minderjarigen niet samen in één gezin tot hun achttiende kunnen opgroeien. De voormalige pleegmoeder is hier in ieder geval te oud voor en heeft ook nog de zorg voor tenminste één ander pleegkind. Door de vader en [de oom vaderszijde] zijn geen overtuigende argumenten aangevoerd waarom het beter zou zijn voor de minderjarigen om in Nederland op te groeien. De familie in Rusland vraagt zich af of [de oom vaderszijde] in staat zal zijn om de drie getraumatiseerde minderjarigen op te voeden, nu hij alleenstaand is en geen opvoedervaring heeft. Daarnaast wijzen zij erop dat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat kinderen, indien zij worden opgevoed door familieleden van een dader, het risico lopen om geconfronteerd te worden met stigmatisering. De familie in Rusland benadrukt dat zij een warme en hechte familie zijn en dat het juist positief is dat [de oom en tante moederszijde] een kinderwens hebben. In verband met deze procedure heeft het opknappen van de nieuwe woning van [de oom en tante moederszijde] enige vertraging opgelopen, maar binnen enkele maanden zullen zij met de minderjarigen deze woning betrekken. De familie in Rusland stelt dat de minderjarigen een positieve ontwikkeling laten zien sinds hun overplaatsing naar [plaats] op 21 juli 2017. De minderjarigen voelden zich snel thuis bij de familie in Rusland, omdat zij nog jong zijn en thuis altijd de Russische taal spraken. Met betrekking tot de trauma- en rouwverwerking van de minderjarigen voert de familie in Rusland aan dat psychologen in [plaats] al onderzoeken bij de minderjarigen hebben afgenomen.

5.10

De raad stelt dat het Leger des Heils met de voogdij moet worden belast, omdat het Leger des Heils de neutraliteit heeft om te bezien aan wie op de langere termijn de voogdij moet worden toegekend. Ten aanzien van de plaatsing van de minderjarigen heeft de raad een neutraal pleeggezin voor ogen, bij voorkeur het pleeggezin van de voormalige pleegmoeder. Een neutraal pleeggezin zal het contact van de minderjarigen met beide families ondersteunen. In het bijzonder zal de minderjarigen ruimte en tijd worden geboden om alle gevoelens en gedachten te uiten die zij met betrekking tot beide ouders hebben. De raad vraagt zich af in hoeverre de familie in Rusland in staat zal zijn om de contacten tussen de minderjarigen en (de familie van) de vader te ondersteunen. Het is begrijpelijk en te voorzien dat zij hiertoe niet altijd in staat zullen zijn, nu de vader er de oorzaak van is dat zij hun dochter c.q. zus hebben verloren. Anderzijds kan plaatsing bij [de oom vaderszijde] met zich meebrengen dat er weinig ruimte is voor de minderjarigen om hun loyaliteit jegens de moeder goed te kunnen uiten. Ter zitting in hoger beroep benadrukt de raad dat de minderjarigen in Nederland zijn geboren en dat sprake is van worteling in de Nederlandse samenleving. De minderjarigen hebben zich tijdens hun verblijf in neutrale pleeggezinnen in positieve zin ontwikkeld.

5.11

De gecertificeerde instelling stelt dat plaatsing van de minderjarigen in hun eigen netwerk de voorkeur verdient boven plaatsing in een neutraal pleeggezin. Een verblijf binnen

bestandspleegzorg draagt het risico van overplaatsing in zich, ook in geval de minderjarigen bij de voormalige pleegmoeder worden geplaatst. Ten aanzien van de opties om de minderjarigen in hun eigen netwerk te plaatsen gaat de voorkeur van de gecertificeerde instelling uit naar [de oom en tante moederszijde] . Zij kunnen de minderjarigen een stabiele gezinssituatie bieden, waar de minderjarigen gezamenlijk tot hun volwassenheid kunnen opgroeien. In dit gezin kan [de tante moederszijde] de moederrol vervullen, waaraan met name [minderjarige 3] in verband met zijn zeer jonge leeftijd behoefte heeft. Daar komt bij dat [de oom en tante moederszijde] in de nabijheid van de laatste rustplaats van de moeder wonen. De gecertificeerde instelling heeft de indruk dat de minderjarigen na hun overplaatsing naar [plaats] een warme en stabiele plek hebben gekregen, vanuit waar zij zich verder kunnen ontwikkelen. Omdat plaatsing van de minderjarigen bij [de oom en tante moederszijde] de voorkeur geniet, dienen zij met de voogdij te worden belast. De screening met betrekking tot het voogdijschap van [de oom moederszijde] is verricht door Russische instanties, met positief resultaat. De bereidverklaring van [de tante moederszijde] blijkt uit het gegeven, dat het verzoek om met het gezag te worden belast mede namens haar is ingediend. Ten aanzien van het onderzoek door de gecertificeerde instelling naar de geschiktheid van [de oom en tante moederszijde] als perspectief biedend pleeggezin, betwist de gecertificeerde instelling dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Er is geen sprake van jeugdhulp, maar van wettelijke vertegenwoordiging en uitvoering van de taak als (voorlopig) voogd zoals vervat in de artikelen 1:247 lid 2 jo. 1:248 BW. De gecertificeerde instelling heeft de opvoedomgeving en de onderwijs- en hulpverleningsmogelijkheden in [plaats] positief beoordeeld. Daarbij is van de lokale instanties de garantie gekregen dat zij een goede ontwikkeling van de minderjarigen zullen ondersteunen. De gecertificeerde instelling geeft aan dat (ook) [de oom vaderszijde] positief is gescreend. Het is echter onzeker hoe stabiel en langdurig een eventuele plaatsing van de minderjarigen bij hem zal zijn. Een moederfiguur kan eventueel slechts in beperkte mate geboden worden door de voormalige pleegmoeder een aantal dagen per week voor de minderjarigen te laten zorgen. Met betrekking tot de traumabehandeling door [psychische jeugdhulpverleningsorganisatie] stelt de gecertificeerde instelling dat deze nog niet ver was gevorderd en inmiddels is overgenomen door Russische hulpverlening.

5.12

Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de Rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden.

5.13

Het hof begrijpt de wens van beide families om de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen en neemt bij zijn beslissing in het bijzonder het volgende in aanmerking. Het hof stelt voorop dat in het algemeen een netwerkplaatsing de voorkeur heeft boven plaatsing in een neutraal pleeggezin. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak van deze hoofdegel niet moet worden afgeweken op grond van de aangedragen argumenten. Zowel [de oom vaderszijde] als [de oom moederszijde] zijn positief gescreend. [de oom en tante moederszijde] hebben zich ook beiden bereid verklaard de voogdij te aanvaarden. Zij hebben immers zelf verzocht hen met het gezag te belasten. Het hof overweegt dat de combinatie van het onderzoek door de autoriteiten in [plaats] en het onderzoek door de gecertificeerde instelling ter plaatse voldoende garantie biedt voor de deugdelijkheid van de screening van [de oom moederszijde] .

De raad heeft de zorg uitgesproken dat in geval van plaatsing van de minderjarigen bij [de oom en tante moederszijde] , de familie in Rusland eventueel niet in staat zal zijn het contact tussen de minderjarigen en (de familie van) de vader te ondersteunen, nu de vader er de oorzaak van is dat de familieleden in Rusland hun dochter c.q. zus hebben verloren. Het hof houdt hier rekening mee, maar is van oordeel dat de familieleden in Rusland reeds hebben aangetoond dat zij in staat zijn om, ondanks dit verlies, het belang van de minderjarigen bij contact met (de familie van) de vader voorop te stellen. Ter zitting in hoger beroep is door alle betrokken partijen bevestigd dat het contact tussen [de oom moederszijde] en [de oom vaderszijde] sinds de overplaatsing van de minderjarigen naar [plaats] positief is en dat de minderjarigen regelmatig contact hebben met [de oom vaderszijde] via Skype. [de oom moederszijde] heeft zich daarnaast ingespannen om het contact van de minderjarigen met hun vader tot stand te brengen, ondanks het feit dat de penitentiaire inrichting, waar de vader verblijft, hier tot nu toe niet aan meewerkt. Daar komt bij dat beide families ter zitting in hoger beroep hebben aangegeven open te staan voor een omgangsregeling tussen de minderjarigen en de andere familie. De familie in Rusland heeft in het kader van de overplaatsing van de minderjarigen naar Nederland op 21 juli 2017 bovendien een garantieverklaring gegeven voor contactbehoud tussen de minderjarigen en (de familie van) de vader in Nederland.

Ten aanzien van plaatsing bij [de oom vaderszijde] heeft de raad de zorg uitgesproken, dat er eventueel weinig ruimte is voor de minderjarigen om hun loyaliteit jegens de moeder te kunnen uiten. Het hof overweegt ten aanzien van plaatsing bij [de oom vaderszijde] dat het onzeker is hoe stabiel deze plaatsing zal zijn, ondanks zijn grote betrokkenheid bij en inzet voor de minderjarigen. Daarbij is van belang dat de voormalige pleegmoeder niet continu, dat wil zeggen gedurende volle weken, een moederfiguur voor met name [minderjarige 3] kan zijn.

Het hof overweegt dat daarentegen in voldoende mate is aangetoond dat [de oom en tante moederszijde] de minderjarigen sinds 21 juli 2017 een warme en stabiele plek bieden, waarin zij samen tot hun volwassenheid kunnen opgroeien en waarbij [de tante moederszijde] de gewenste moederrol kan vervullen. De minderjarigen kunnen eveneens de laatste rustplaats van de moeder bezoeken als zij daaraan behoefte hebben. De familie in Rusland heeft onbetwist gesteld dat de minderjarigen een positieve ontwikkeling hebben laten zien sinds hun overplaatsing naar [plaats] . De stelling van de vader en [de oom vaderszijde] dat traumabehandeling in [plaats] tekort zou schieten is onvoldoende onderbouwd. De minderjarigen zijn reeds in beeld bij psychologen in [plaats] . Op grond van bovenstaande is het hof van oordeel dat plaatsing van de minderjarigen bij [de oom en tante moederszijde] de voorkeur geniet. Omdat het belang van de minderjarigen het beste is gediend bij het toekennen van de voogdij aan degenen die voor de minderjarigen zorgen, is het hof van oordeel dat de voogdij aan [de oom en tante moederszijde] dient te worden toegekend.

5.14

Het hof ziet geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht over de ontwikkeling en beleving van de minderjarigen. Mede gelet op de extra tijd die een dergelijke benoeming meebrengt, weegt dat naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de minderjarigen om zekerheid te krijgen over hun definitieve plaatsing en toekenning van de voogdij.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Wachter, I. Obbink-Reijngoud en L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2017.