Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3301

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
200.188.268-01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag van gewijsde, andere grondslag; art. 236 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.188.268/01
Rolnummer rechtbank : C/09/487589 / HA ZA 15-531

Arrest van 28 november 2017

inzake

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.H.E. Wanrooij te Den Haag,

tegen

[naam 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan het tussenarrest van 7 juni 2016 verwijst het hof naar dat arrest. Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 25 november 2016 plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven meerdere grieven ingediend en producties overgelegd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Partijen hebben de zaak op 16 oktober 2017 doen bepleiten door hun advocaten; mr. Wanrooij deed dit aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. Aansluitend is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Als niet bestreden staan tussen partijen, onder meer en voor zover van belang, de volgende feiten vast:

1.1

[appellant] en [geïntimeerde] hebben in september 2006 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte van [geïntimeerde] aan het [adres] te Den Haag (hierna: het pand). De huurovereenkomst was aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 oktober 2006. De huurovereenkomst liep tot en met 30 september 2011. [De moeder van appellant] had zich garant gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [appellant] .

1.2

[appellant] huurde het pand met de bedoeling daarin een broodjeszaak te exploiteren. Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst stond het bestemmingsplan dat echter niet toe. Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst heeft [geïntimeerde] aan [appellant] twee brieven laten zien, waaronder een brief van 23 juni 2006 van de gemeente aan [geïntimeerde] waarin staat dat ‘op dit moment’ een herziening van het bestemmingsplan in voorbereiding is waarin winkels zijn toegestaan, dat de gemeente voor bouwplannen bereid is de artikel 19 WRO-procedure toe te passen. Voorts schrijft de gemeente dat [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven dat het niet de bedoeling is om op dit moment leegstandschade te claimen en dat daarom met hem is afgesproken dat hij de brief van 25 april 2006 op korte termijn zal intrekken, “uiteraard met het recht daar in de toekomst nog op terug te komen”.

1.3

In september 2007 heeft de gemeente vrijstelling verleend van het bestemmingsplan. Op 1 oktober 2007 heeft [appellant] de broodjeszaak geopend. Op 30 september 2011 is de huurovereenkomst geëindigd.

1.4

In een eerdere rechtszaak tussen partijen heeft de kantonrechter bij vonnis van 7 april 2009 [appellant] en [de moeder van appellant] veroordeeld tot (onder meer) betaling van huurpenningen over de maanden april tot en met september 2007 en schadevergoeding aan [geïntimeerde] . De reconventionele vordering van [appellant] tot terugbetaling van de huurpenningen over februari en maart 2007 is toen afgewezen. Van dat vonnis zijn [appellant] en [de moeder van appellant] in hoger beroep gekomen. Zij vorderden (onder meer) terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur en schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst. Bij arrest van dit hof van 8 maart 2011 is het vonnis van de kantonrechter (grotendeels) bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding wegens wanprestatie heeft het hof toen het volgende overwogen:

5.10 In hoger beroep heeft [appellant] c.s. zijn reconventionele vordering vermeerderd, in die zin dat hij thans schadevergoeding vordert wegens een toerekenbare tekortkoming door [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst. Uit de stellingen van [appellant] c.s. blijkt niet althans niet voldoende in de nakoming van welke contractuele verplichting [geïntimeerde] nu precies is tekortgeschoten. Onweersproken is dat beide partijen bij aanvang van de huurovereenkomst ermee bekend waren dat voor de exploitatie van een broodjeszaak in het gehuurde pand een wijziging van het bestemmingsplan nodig was. Zelfs indien wordt aangenomen dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst de indruk heeft gewekt dat die wijziging er snel zou komen, dan kan het uitblijven daarvan niet aan [geïntimeerde] als wanprestatie worden toegerekend. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] hierover een garantie heeft afgegeven en van [appellant] kon in redelijkheid verwacht worden dat hij besefte dat het uiteindelijk van de welwillendheid van de gemeente en van zijn eigen voortvarend handelen zou afhangen of de benodigde vergunningen (tijdig) zouden worden verleend. Het hof acht de vordering tot betaling van een schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en zal deze dan ook afwijzen.

2.1

[appellant] heeft (in de onderhavige procedure) gevorderd om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade die [appellant] dientengevolge heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en de nakosten. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd – kort gezegd – dat [geïntimeerde] hem bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft misleid en opgelicht en in strijd met de precontractuele goede trouw handelde door na te laten aan hem mee te delen dat het zonder wijziging van het bestemmingsplan of vrijstelling niet was toegestaan om een horecagelegenheid in het pand te exploiteren. Met een raamaffiche en mondeling had [geïntimeerde] de indruk gewekt dat dat wel mogelijk was. Bovendien had [geïntimeerde] eerder ook al andere huurders op die wijze benadeeld.

2.2

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft (onder meer) met een beroep op het gezag van gewijsde aangevoerd dat het hof reeds bij het in kracht van gewijsde gegane arrest van 8 maart 2011 over de voorliggende rechtsvragen heeft beslist. Hij heeft in reconventie een vordering tot schadevergoeding ingesteld wegens misbruik van recht, althans wegens handelen in strijd met de goede trouw door [appellant] . Die vordering in reconventie heeft de kantonrechter afgewezen. Daartegen heeft [geïntimeerde] geen appel ingesteld, zodat deze vordering geen onderwerp is van dit hoger beroep.

2.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat aan de beslissing van het hof in het arrest van 8 maart 2011 en de aan die beslissing ten grondslag liggende vaststellingen en overwegingen, gezag van gewijsde toekomt, zodat de in de onderhavige procedure door [appellant] ingestelde vordering daarop afstuit. Het feit dat de vordering van [appellant] in de onderhavige procedure is gebaseerd op een andere juridische grondslag doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, aangezien deze vordering vereist dat de rechtbank in de kern dezelfde vraag (dezelfde rechtsbetrekking in geschil) beoordeelt.

2.4

[appellant] heeft een aantal grieven tegen het vonnis ingediend. Deze richten zich alle met verschillende argumenten tegen de feitenvaststelling en de motivering van de beslissing van de rechtbank alsook tegen het oordeel van de rechtbank dat thans dezelfde rechtsbetrekking in geschil is als in het arrest van 8 maart 2011. Volgens [appellant] berust het vonnis op een feitelijke en juridische misslag en is het mede tot stand gekomen door misbruik van bevoegdheid zijdens [geïntimeerde] . Waar de eerdere procedure rechten en verplichtingen van de verhurende en de hurende partij betrof, gaat het nu om onrechtmatige daad, handelen in strijd met de precontractuele goede trouw, dwang, dwaling, bedrog en een stelselmatig patroon van oplichting, misleiding en manipulatie (niet alleen jegens [appellant] , maar ook jegens voorgaande huurders, de borg en de gemeente). De rechtbank is daar volgens [appellant] ten onrechte in het geheel niet op in gegaan.

Bovendien zijn er volgens [appellant] ‘nova’. Hij heeft het huurcontract van 13 september 2006 blanco ondertekend, onder druk en zonder dat de artikelen 1.2 en 1.3 erin stonden althans een huurcontract zonder de – níet ondertekende – algemene voorwaarden. Ten onrechte is de rechtbank niet op het onrechtmatig handelen ingegaan en is [appellant] niet toegelaten tot bewijs, zo betoogt [appellant] . Verder voert hij aan dat de rechtbank de verplichting van [geïntimeerde] om ongestoord huurgenot aan te bieden met exploiteerbare bedrijfsruimte, heeft miskend. Dat [geïntimeerde] geen stappen heeft ondernomen die exploitatie mogelijk maakte, levert volgens [appellant] onrechtmatig handelen op jegens zijn huurder. Dit blijkt ook uit een verklaring van de ambtenaar van de gemeente over een gesprek in 2007 waarin deze [geïntimeerde] “nalatig” noemde. [appellant] beroept zich daarbij tevens op een derdenbeding dat volgens hem is overeengekomen tussen [geïntimeerde] en de gemeente, welk derdenbeding zou blijken uit de brief van 23 juni 2006 (hiervoor genoemd onder 1.2): [geïntimeerde] zou zijn schadeclaim intrekken en dan zou de gemeente voor het pand de artikel 19 WRO-procedure toepassen. Dat [geïntimeerde] de artikel 19 WRO-procedure had moeten entameren blijkt volgens [appellant] ook uit de nieuwere ROZ-model huurovereenkomst 2003, terwijl [geïntimeerde] de oude ROZ-model huurovereenkomst 1996 gebruikte en deze aanpaste. Aldus – samengevat – [appellant] .

2.5

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden.

2.6

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.1

Ingevolge artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan arrest, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Het gezag van gewijsde strekt zich ook uit over de eindbeslissingen in een onherroepelijk arrest die in het lichaam (de ‘beoordeling van het hoger beroep’) staan en die de uiteindelijke beslissing mede dragen. Niet is vereist dat de beslissing in die eerdere procedure een geschilpunt betreft dat toen centraal stond of overheersend was. In het algemeen kan hetzelfde feitencomplex niet in een tweede procedure op een andere juridische grondslag ter discussie worden gesteld.

3.2

De rechtsbetrekking in de onderhavige zaak betreft de betrekking tussen
-enerzijds- [appellant] als aanvankelijk gegadigde huurder van het pand voor de exploitatie van een broodjeszaak en als (vanaf 1 oktober 2006) huurder van het pand voor de exploitatie van zijn broodjeszaak en anderzijds- [geïntimeerde] als pandeigenaar en te huur aanbieder en vanaf oktober 2006 als verhuurder van het pand voor de door [appellant] te exploiteren broodjeszaak. De gestelde onrechtmatige daad ziet niet op een andere rechtsbetrekking tussen partijen dan de rechtsbetrekking in het kader van de te sluiten en gesloten huurovereenkomst voor het pand. Zo’n andere betrekking heeft [appellant] niet gesteld en is ook niet uit de stukken gebleken: de door [appellant] naar voren gebrachte onrechtmatige daad betreft alleen de precontractuele en de contractuele verhouding die voortvloeit uit de verhouding tussen partijen als (potentiële) huurder- en verhuurdercontractant.

3.3

Over deze rechtsbetrekking heeft het hof al geoordeeld in het arrest van 8 maart 2011. Het hof heeft daarin (onder meer) overwogen dat beide partijen (dus ook [appellant] ) bij aanvang van de huurovereenkomst ermee bekend waren dat voor de exploitatie van een broodjeszaak in het pand een wijziging van het bestemmingsplan nodig was. Toen is ook door het hof geoordeeld dat van [appellant] kon worden verwacht dat hij besefte dat het uiteindelijk van onder meer zijn eigen voortvarend handelen zou afhangen of de benodigde vergunningen (tijdig) zouden worden verleend. Het hof heeft vervolgens de vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens (gestelde) tekortkomingen door [geïntimeerde] afgewezen. In dat oordeel ligt besloten dat [geïntimeerde] ook bij de totstandkoming van de huurovereenkomst niet is tekortgeschoten. Er is met het arrest van 8 maart 2011 dus al onherroepelijk over de rechtsbetrekking tussen partijen, zowel in de contractuele als in de precontractuele fase, geoordeeld. Dit heeft gezag van gewijsde en wordt daarom niet opnieuw door een rechter beoordeeld.

3.4

Dat [appellant] nu pas en niet in de eerdere procedure, heeft aangevoerd dat hij destijds een blanco huurovereenkomst heeft getekend, dat [geïntimeerde] het oude ROZ-model huurovereenkomst 1996 heeft gebruikt en aangepast, dat [geïntimeerde] zich jegens hem heeft schuldig gemaakt aan dwang, bedrog, dwaling of stelselmatige oplichting en dat eerdere huurders van het pand problemen hebben gehad, doet niet af aan het gezag van gewijsde van de beslissingen uit het arrest van 8 maart 2011 – ook voor zover het betrekking heeft op onrechtmatige daad of handelen in strijd met de precontractuele goede trouw door [geïntimeerde] . Immers, op welke wijze de huurovereenkomst was afgesloten (al dan niet door ‘blanco’ ondertekening en wat daar wel of juist niet in stond of mocht staan), wie de eerdere huurders waren en of en hoe lang zij exploiteerden, zijn allemaal zaken die zich vóór die eerdere gerechtelijke procedure al hadden voorgedaan en toen aan [appellant] bekend waren (en in elk geval bekend konden zijn, want [appellant] had de huurovereenkomst zelf getekend en hij moest weten op welk huurcontract in de eerdere rechtszaak een beroep werd gedaan). Van relevante ‘nova’ is dus geen sprake.

3.5

Voor zover het beroep op het derdenbeding al zou kunnen worden beschouwd als een andere rechtsbetrekking dan die welke in het arrest van 8 maart 2011 aan de orde was, geldt dat het beroep daarop ongegrond is. Uit niets, ook niet uit de brief van 23 juni 2006, blijkt dat de gemeente en [geïntimeerde] iets hebben afgesproken ter zake van het effectueren van een artikel 19 WRO-ontheffing waarvan een huurder nakoming zou kunnen eisen. Niets wijst erop dat de gemeente of [geïntimeerde] zich onderling tot enige prestatie ten behoeve van [appellant] hebben verbonden.

3.6

De borg (mevrouw [de moeder van appellant] ) en de gemeente zijn geen partij in onderhavige procedure. De vordering van [appellant] ziet niet op de rechtsbetrekking tussen [geïntimeerde] en de borg of tussen [geïntimeerde] en de gemeente. De stellingen betreffende misleiding en manipulatie van de borg en van de gemeente en hun schade, laat het hof daarom onbesproken.

3.7

Het hof concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] tot schadevergoeding afstuit op het gezag van gewijsde van het arrest van 8 maart 2011. De grieven brengen [appellant] met geen enkel onderdeel baat.

4. Omdat de grieven falen, zal het hof het vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 november 2015;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 314,- aan griffierecht en € 3.576,- aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, A. Dupain en J.M. Heikens en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.