Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3255

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.218.609/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging in situatie waarin geen sprake is van pleegzorgplaatsing. Criterium: omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.218.609/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 17-509

zaaknummer rechtbank : C/10/521141

beschikking van de meervoudige kamer van 1 november 2017

inzake

de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Vlaardingen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.M. Vermeijden te Vlaardingen.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te Schiedam,

hierna te noemen: de vader.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De raad is op 30 juni 2017 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 april 2017.

2.2

De moeder heeft op 1 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de raad van 31 augustus 2017 met bijlagen, ingekomen op 1 september 2017.

2.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de na te noemen minderjarige gesproken.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 27 september 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de raad, vertegenwoordigd door [naam] ;

- de moeder, bijgestaan door [naam] ;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam] ;

- de vader.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder is uit de moeder geboren:

- [de minderjarige] , [in] 2001 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige);

- de moeder oefent het eenhoofdig gezag uit over de minderjarige;

- de minderjarige is sinds januari 2014 onder toezicht gesteld en sinds april 2014 uit huis geplaatst;

- de minderjarige verblijft in een jongeren woonvorm van [psychiatrische instelling] ;

- de minderjarige ziet de moeder bijna elke dag na school en eenmaal in de drie weken een weekend;

- de minderjarige ziet de vader eenmaal in de drie weken een weekend.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen, afgewezen.

4.2

De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over de minderjarige, het hof begrijpt, te beëindigen, alsnog toe te wijzen.

4.3

De moeder verzoekt het hoger beroep van de raad af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De raad stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 1:266 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Ook kan de raad zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van strijd met artikel 8 EVRM en artikel 3 lid 1 IVRK. Volgens de raad ligt het perspectief van de minderjarige niet meer thuis. Zij woont al gedurende langere tijd niet meer thuis en de aanvaardbare termijn is verstreken. Het belang van de minderjarige bij continuering van de huidige opvoedsituatie en duidelijkheid over haar toekomstperspectief dient volgens de raad zwaarder te wegen dan het recht van de moeder om met het gezag belast te blijven. Er is in een dergelijke situatie geen sprake van schending van artikel 8 EVRM. De raad verwijst ter onderbouwing hiervan naar gerechtshof Den Haag, 10 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:369, r.o 10. De enkele bereidheid van de ouder om de plaatsing te accepteren doet hier niet aan af (gerechtshof Arnhem, 29 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9719, r.o 5.6). Als de bereidheid van de ouder zo groot is dat er voor het kind geen enkele onzekerheid is over zijn perspectief, dan dient het vrijwillig kader het enige alternatief te zijn, aldus de raad. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn immers gericht op terugplaatsing. De rechtbank heeft echter overwogen dat de moeder dient te blijven meewerken aan de noodzakelijke hulp om de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige af te wenden. De raad vindt het daarnaast onduidelijk waarom een gezagsbeëindiging, zoals de rechtbank overweegt, het zelfbepalende gedrag van de minderjarige zou verergeren.

Verder is volgens de raad sinds de bestreden beschikking de situatie van de minderjarige verergerd wat betreft de afspraken over de bezoekregeling.

De jeugdbeschermer verwacht volgens de raad dat gezagsbeëindiging niet van invloed zal zijn op de band tussen de moeder en de minderjarige. Voorts zijn er zorgen over het anticonceptie gebruik van de minderjarige, en over de financiën van de moeder. De moeder begrijpt niet dat zij op financieel gebied via de onderbewindstelling ook iets voor de minderjarige moet regelen. Het perspectief van de minderjarige is werken aan zelfstandigheid en kamertraining gaan volgen. Een ondertoezichtstelling is in dat verband niet meer de juiste maatregel. Volgens de raad ondersteunt de moeder de plaatsing onvoldoende, zeker gezien de conflictueuze situaties op de leefgroep als gevolg van het emotionele beroep dat de moeder op de minderjarige doet.

5.2

De moeder stelt dat zij een regelmatig leven heeft, met nog vier andere kinderen, dat zij een vaste partner heeft met wie zij niet samenwoont en dat zij opvoedondersteuning krijgt van het wijkteam. Ook is zij actief lid van een kerkgenootschap en staat zij onder bewind. Er is derhalve geen sprake van een slechte levenswandel op grond waarvan het gezag over de minderjarige moet worden beëindigd. Ook is er geen ruzie met de jeugdbeschermer die zou maken dat beslissingen niet mogelijk zijn. De spanning die er is tussen de moeder en de minderjarige wordt veroorzaakt doordat de minderjarige van alles wil waar geen geld voor is. De moeder betwist dat zij een laag IQ heeft of dat er sprake is van psychische diagnostiek aan haar zijde. Dat de minderjarige graag thuiskomt is ook geen reden om het gezag te beëindigen. Verder is er niets mis mee dat de minderjarige moet helpen in het huishouden van de moeder. De moeder betoogt verder dat op grond van de wet het uitoefenen van het gezag van de moeder of de jeugdbeschermer in de praktijk beperkt zal zijn omdat de minderjarige als zestienjarige zelf bepaalde keuzes mag en zal (moeten) maken. De moeder onttrekt zich niet aan haar verantwoordelijkheden maar het zal lastig zijn om de minderjarige nu zij inmiddels zestien is geworden, nog bepaalde dingen te verbieden met gebruikmaking van het gezag.

5.3

Ook de vader is het er niet mee eens dat het gezag van de moeder zou moeten worden beëindigd. Sinds de plaatsing van de minderjarige in een instelling in eerst [plaats 1] en later in [psychiatrische instelling] is de minderjarige in haar ontwikkeling niets opgeschoten, aldus de vader. De vader vraagt zich af wat het plan is voor de toekomst van de minderjarige. De tijd dringt.

5.4

De gecertificeerde instelling stelt dat de minderjarige de problemen buiten zichzelf legt, en dat ook de leefgroep grote zorgen heeft over haar. De minderjarige heeft een eetstoornis. Ook heeft zij een onverwerkt trauma, maar ze weigert EMDR therapie. Verder zijn er zorgen om de contacten die de minderjarige heeft met oudere, meerderjarige, mannen. In de toekomst zal worden bekeken of [psychiatrische instelling] wel de juiste setting voor de minderjarige is. De vraag is daarbij hoe de minderjarige en de moeder zullen reageren als een nieuwe setting niet in buurt van de woonplaats van de moeder blijkt te liggen. Een gezagsbeëindiging is niet nodig voor de overplaatsing van de minderjarige, dat kan ook binnen de ondertoezichtstelling. Echter de Jeugdwet bepaalt dat wanneer een ondertoezichtstelling twee jaar heeft geduurd, de raad moet worden ingeschakeld om de ondertoezichtstelling te beoordelen. Dat is gedaan.

De gecertificeerde instelling beschouwt de moeder als een meewerkende moeder, die achter de plaatsing van de minderjarige staat, maar wel vaak een beroep doet op de minderjarige.

De gecertificeerde instelling betoogt dat indien het gezag wordt beëindigd dat ook tot gevolg zou hebben dat zij zou kunnen zorgen voor een betere financiële regeling voor de minderjarige.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder heeft afgewezen. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat de noodzaak om snel helderheid te krijgen omtrent het perspectief van een minderjarige, zoals blijkt uit de door de raad genoemde jurisprudentie, met name is gericht op de (jonge) minderjarige die (geruime tijd) in een pleeggezin verblijft en waarbij een ongestoord hechtingsproces van die minderjarige in het pleeggezin van zeer groot belang wordt geacht. Ook in de parlementaire geschiedenis staat het duidelijkheid bieden aan de minderjarige over diens perspectief voorop. Deze noodzaak ligt ten grondslag aan de wettelijke regeling. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake nu de minderjarige in een jongeren woonvorm van [psychiatrische instelling] verblijft en niet meer naar haar moeder terug zal keren. Gelet hierop en nu de moeder de plaatsing van de minderjarige ondersteunt en niet in geschil is dat zij een belangrijke rol heeft in het leven van de minderjarige, alsmede gelet op de leeftijd van de minderjarige van zestien , zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.6

Het hof merkt hierbij op dat er wel degelijk grote zorgen zijn omtrent de minderjarige. Ter zitting bij het hof is de vraag gesteld of de minderjarige bij [psychiatrische instelling] wel op de juiste plek zit. Door de gecertificeerde instelling is ter zitting medegedeeld dat mogelijk naar een andere plek van de minderjarige zal worden gezocht. Door zowel de raad als de gecertificeerde instelling is ter zitting bij het hof verklaard dat een plaatsing van de minderjarige in een andere instelling ook mogelijk is binnen de ondertoezichtstelling en de afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. Hiervoor is derhalve geen gezagsbeëindiging noodzakelijk.

5.7

De gecertificeerde instelling heeft ter zitting bij het hof nog gesteld dat de financiële situatie van de moeder veel strijd oplevert tussen de minderjarige en de moeder en de gecertificeerde instelling. Het hof wijst de gecertificeerde instelling er op dat een ondertoezichtstelling ook ruimte biedt om hieromtrent duidelijke en sluitende afspraken te maken met de moeder.

5.8

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D. Wachter en A.J. van Montfoort, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier en is op 1 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.