Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3236

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
200.192.885/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1987, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boek ‘De gekooide recherche’; Vraag of er sprake is van een schending van het ambtsgeheim, schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en/of schending van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.192.885/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/495805 / HA ZA 15-1034

arrest van 27 juni 2017

inzake

[naam 1] ,

wonende op een geheim adres,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps te Middelburg,

tegen

1 DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag,

2. DE NATIONALE POLITIE,

zetelend te Den Haag,

advocaat: mr. W. Heemskerk te Den Haag,

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Den Haag,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden]

1 Het geding

1.1.

Bij exploten van 13 juni 2016 heeft [appellant] [geïntimeerden] aangezegd dat hij in hoger beroep komt van twee door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van 18 november 2015 en 23 maart 2016 en van het proces-verbaal van de comparitie van partijen die de rechtbank heeft gehouden in de zaak die heeft geleid tot die vonnissen. In de dagvaarding met producties heeft [appellant] een aantal, niet genummerde grieven aangevoerd. Omdat onvoldoende duidelijk was of [appellant] in de dagvaarding ook een incident had opgeworpen heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld een incidentele memorie te nemen. Bij incidentele memorie heeft [appellant] vervolgens een provisionele vordering ingesteld, verzocht om behandeling achter gesloten deuren en om niet-openbaarmaking van zijn identiteit, en voorgesteld een prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad. Bij incidentele antwoordmemorie heeft [geïntimeerde 3] gereageerd op de provisionele vordering en de verzoeken. Daarna heeft [geïntimeerde 3] bij memorie van antwoord met producties de grieven bestreden. De Staat en de politie hebben een memorie van antwoord, tevens antwoordmemorie in het incident genomen, waarin zij de incidentele vorderingen en verzoeken en de grieven bestrijden.

1.2.

Vervolgens hebben partijen op 6 februari 2017 de zaak zowel in de hoofdzaak als in het incident doen bepleiten, [appellant] door zijn hiervoor genoemde advocaat, [geïntimeerde 3] door mr. A. P. Groen, advocaat te Amsterdam, en de Staat en de politie door hun hiervoor genoemde advocaat, allen aan de hand van overgelegde pleitnotities. Op die datum heeft [geïntimeerde 3] een akte overlegging producties genomen en [appellant] een akte uitlating producties, tevens houdende eisvermeerdering en akte overlegging producties. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1.

De feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in paragraaf 2 van het vonnis van 23 maart 2016 zijn niet in geschil. Die feiten zal het hof hierna overnemen. Op de aanvullingen die [appellant] heeft voorgesteld in de memorie van grieven, zal, voor zover relevant, worden ingegaan bij de beoordeling van de zaak in paragraaf 4 van dit arrest.

2.2.

Op 24 maart 2015 is het door uitgeverij Prometheus (hierna: de uitgever) uitgegeven en door [geïntimeerde 3] geschreven boek ‘De Gekooide Recherche. Het ware verhaal achter de matige prestaties van de Nederlandse opsporing’ (hierna: ‘het boek’) verschenen.

2.3.

[geïntimeerde 3] heeft het boek geschreven over en naar aanleiding van zijn ervaringen gedurende de periode (van 1 mei 2004 tot eind januari 2014) dat hij werkzaam was bij de recherche van het regiokorps Amsterdam-Amstelland.

2.4.

De uitgever heeft het boek als volgt omschreven:

Als [geïntimeerde 3] in 2004 financieel rechercheur bij de Amsterdamse politie wordt, kan hij meteen vol aan de bak. Precies twee weken later wordt witwasfenomeen [naam 2] voor zijn kantoor aan de Apollolaan in Amsterdam-Zuid geliquideerd. Het zal het begin blijken van een onderzoek naar de afpersing van [naam 2] door [naam 3] .

[geïntimeerde 3] doet jarenlang onderzoek naar witwassen van die afgeperste miljoenen door de ogenschijnlijk onkreukbare kasteelheer [naam 4] , de tot dan toe onomstreden eigenaar van de halve P.C. Hoofdstraat. Daarna werkt [geïntimeerde 3] mee aan andere rechercheonderzoeken naar witwassen, oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte binnen de georganiseerde criminaliteit en de 'bovenwereld'.

Behalve zichtbare successen - arrestaties, beslagleggingen en veroordelingen - ziet hij ook talrijke bottlenecks en zwakke plekken binnen de opsporing. Daarnaast constateert hij hoe de sociale cultuur binnen de organisatie de eigen slagvaardigheid schaadt en hoe de organisatie zichzelf dwarszit in de uitoefening van haar taken; misdrijven oplossen en de criminaliteit beheersen.

Na tien jaar besluit [geïntimeerde 3] , met pijn in het hart, de recherche te verlaten en zijn bevindingen op papier te zetten. De gekooide recherche is zijn spannende, kritische en soms ronduit onthutsende verhaal, van binnenuit geschreven, over de gang van zaken bij de Amsterdamse recherche.

2.5.

[appellant] figureert met naam en toenaam in hoofdstuk V, getiteld ‘Het kerkhof van

kansrijke zaken’ en hoofdstuk VI, getiteld ‘Zand in de machine’. Daarnaast bevat het boek een foto van een herkenbaar afgebeelde [appellant] .

2.6.

In de hoofdstukken V en VI wordt een aantal onderzoeken beschreven waarbij [geïntimeerde 3] als rechercheur betrokken was en waarin [appellant] figureert, onder meer het in 2008 uitgevoerde onderzoek naar [appellant] , dat heeft geleid tot veroordeling van [appellant] bij vonnis van 23 juni 2009 tot een gevangenisstraf van 42 maanden ter zake van oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte en witwassen (hierna: ‘het strafvonnis’). Deze veroordeling is na daartegen ingesteld hoger beroep en cassatie onherroepelijk. [appellant] heeft de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten.

2.7.

[appellant] had voordat het boek verscheen al met naam en toenaam gefigureerd in verschillende publicaties, onder meer (niet uitputtend):

 ‘Nepadvocaat tilt weduwe [naam 2] ’, Nieuwe Revue, 15 mei 2008;

 ‘BN'ers opgelicht na arrestatie glamouradvocaat’, Story, 25 maart 2008;

 ‘Oplichter weduwe [naam 2] gepakt’, De Telegraaf, 16 maart 2008;

 ‘Vier jaar geëist tegen vermeende oplichter weduwe [naam 2] ’, website Quote, 20 mei 2009;

 ‘Oplichter in glamourland’, Nieuwe Revue, 21 mei 2008;

 ‘Oplichter van weduwe [naam 2] veroordeeld tot 3,5 jaar cel’, website Quote, 23 juni 2009;

 ‘Leven en werk van een meesteroplichter’, Nieuwe Revue, 8 juli 2009;

 ‘ [Prinses] in de klauwen van meesteroplichter’, Privé, 15 juli 2009;

 ‘Ook voor [naam 5] is jetsetleven nu voorbij’, Algemeen Dagblad, 17 december 2011.

Deze publicaties worden hierna aangeduid als: ‘de publicaties’.

2.8.

Voorts was in 2009 ook al een boek verschenen waarin [appellant] figureert, te weten ‘De Club van Dollars’, geschreven door [auteur 1] en [auteur 2] . Op basis van dit boek zijn verschillende andere publicaties verschenen, waarin [appellant] met naam en toenaam wordt genoemd en wordt gekwalificeerd als ‘meesteroplichter’ en ‘sterrenoplichter’.

2.9.

In het strafvonnis heeft de rechtbank bij het verwerpen van het namens [appellant] gevoerde verweer dat sprake was van trial by media onder meer overwogen:

Voor verdachte geldt dat hij door eigen toedoen - in het verleden én als het gaat om de feiten die in deze strafzaak een rol spelen - ook zelf een publiek persoon is geworden. Hij heeft zich in elk geval vanaf augustus 2005 veelvuldig en actief ingelaten met bij het grote publiek bekende personen en trok daarmee de belangstelling van de media. Dat rechtvaardigt een verruiming van de grenzen van toelaatbaar commentaar. Dat die ruimere grenzen zijn overschreden is niet aannemelijk geworden.

Bovendien valt uit de door de verdediging ter terechtzitting van 9 juni 2009 overgelegde knipsels voor zover zij betrekking hebben op de onderhavige strafzaak niet op te maken dat de betrokken media niet ‘accurate and reliable’ verslag hebben gedaan.

2.10.

De rechtbank heeft in het strafvonnis de aan [appellant] opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

Verdachte heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan oplichting en in een enkel geval verduistering, valsheid in geschrift en daarnaast aan witwassen op grote schaal. De rechtbank ziet in de bewezenverklaarde feiten en hetgeen omtrent verdachte overigens gedurende de behandeling van de strafzaak bekend is geworden een steeds terugkerend patroon. Alle aangevers verklaren dat zij na kennismaking al vrij snel op (zeer) vriendschappelijke voet stonden met verdachte, waarbij het zakelijke contact samenviel met het persoonlijke, en waarbij juist - vanwege de persoonlijke contacten - veel vertrouwen in verdachte werd gesteld. Verdachte heeft vervolgens op schandelijke wijze misbruik gemaakt van dit vertrouwen waarbij hij zeer geraffineerd te werk ging. Hij spon zijn cliënten een web van halve waarheden en leugens voor. Hij heeft daarbij ook niet geschuwd zijn eigen familie (dat wil zeggen zijn moeder en indirect ook zijn zuster) financieel op te lichten.

In de rapportages die in verband met eerdere strafzaken over verdachte zijn opgemaakt wordt hij omschreven als man met een grote vatbaarheid voor pathologisch liegen en ook overigens valt uit het dossier, waaronder de verklaring van zijn zuster, op te maken dat het liegen en bedriegen bij verdachte vanaf zijn jonge jaren een grote rol heeft gespeeld. Verdachte lijkt dit niet te onderkennen.

Ook de rechtbank heeft tijdens de zittingen geconstateerd dat verdachte voor alles zijn eigen verhaal heeft. Vast is komen te staan dat hij gedurende tenminste een periode van zijn leven ook zijn eigen partner heeft belogen over zijn achtergrond, opleiding en inkomsten. De verklaringen die verdachte pleegt te geven ter rechtvaardiging dan wel uitleg van bepaalde handelingen vinden in geen enkel bewijsmiddel steun. Ook dit stemt overeen met de rapportages, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat verdachte zijn eigen aandeel in de tenlasteleggingen minimaliseert en een sterk externaliserende houding heeft.

Vanaf het begin van de verdenking in deze zaak heeft verdachte aangegeven aan zichzelf te willen gaan werken om recidive in de toekomst te voorkomen. Zo heeft hij herhaaldelijk aangevoerd dat hij in behandeling wilde gaan bij een psycholoog om te kijken waarom hij telkens voor dit soort feiten in contact komt met politie en justitie. Op 5 augustus 2008 is door de rechter-commissaris een psycholoog benoemd. Verdachte heeft vervolgens geweigerd mee te werken met het opstellen van een rapportage, zodat de rechtbank sterke twijfels heeft over de waarde van het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde behandeling. In het door de verdediging overgelegde voorlichtingsrapport wordt dat advies wel gegeven, maar de rechtbank acht dat advies in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door eerder ten behoeve van verdachte opgemaakte rapportages waarin met zoveel woorden staat vermeld dat niet veel valt te verwachten van een behandeling.

Uit de documentatie van verdachte is gebleken dat hij zich in het verleden gedurende een langere periode heeft bezig gehouden met het plegen van diverse vormen van oplichting. Hiervoor is verdachte reeds meerdere malen tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en gedeeltelijk voorwaardelijke straffen veroordeeld. Dit heeft verdachte niet kunnen weerhouden van het opnieuw plegen van dergelijke strafbare feiten in de onderhavige zaak, in een periode waarin hij tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf was veroordeeld en daarvan nog in een proeftijd liep.

De rechtbank weegt ook ten nadele van verdachte mee dat hij zijn oplichtingspraktijken gedurende lange tijd heeft voortgezet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte thans kennelijk niet in staat is zijn leven een andere wending te geven dan het zich telkens overgeven aan oplichting. De maatschappij dient beschermd te worden tegen de praktijken van verdachte en verdachte zelf moet daarop worden afgerekend. Voor clementie is thans naar het oordeel van de rechtbank geen plaats meer. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank van een (deels) voorwaardelijke straf- zoals door de officier van justitie gevorderd en door de verdediging bepleit - geen sprake zijn. Het strafrechtelijk verleden van verdachte rechtvaardigt het oordeel dat van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf geen preventieve werking zal uitgaan, noch dat het verdachte zal weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare gedragingen te begaan.

2.11.

[appellant] heeft in april 2015 aangifte tegen [geïntimeerde 3] gedaan van schending van

ambtsgeheim bij het College van Procureurs-Generaal, die de aangifte in handen heeft

gesteld van het arrondissementsparket Noord-Holland. Het onderzoek naar aanleiding van

de aangifte is nog niet afgerond.

3 Het geschil

3.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd in de hoofdzaak bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

- voor recht te verklaren dat het met door of vanwege [geïntimeerden] ter beschikking gestelde ambtshalve verkregen persoonsgegevens samengestelde boek, in het bijzonder de hoofstukken van V en VI van het boek, onrechtmatig is/zijn jegens [appellant] ;

- voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg daarvan geleden schade;

- [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] te vergoeden de door hem geleden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente over deze schade vanaf de datum van dagvaarding;

- [geïntimeerden] te gebieden het boek uit de handel te (doen) nemen en uit de handel te houden, althans zich daartoe in te spannen, alsmede zich in de toekomst te onthouden van het publiceren of anderszins delen van de betrokken ambtelijk verkregen informatie omtrent de persoon van [appellant] – zonder afscherming van de (bijzondere) persoonsgegevens van [appellant] – en om te voorkomen dat anderen deze strafrechtelijke en justitiële gegevens in de toekomst openbaar maken, althans zich daartoe in te spannen;

- [geïntimeerden] te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk op de privacy van [appellant] door middel van het (doen) openbaar maken en/of verveelvuldigen van strafvorderlijke gegevens over [appellant] , voor commerciële doeleinden, dan wel het doen van publicatie en/of andere reclame-uitingen van gelijke aard of strekking, in enigerlei vorm of op enigerlei wijze;

- [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere overtreding van de hiervoor bedoelde bevelen, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde(n) met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft/blijven, tot een maximum van € 500.000,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

- [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met rente.

3.2.

In een incident in eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

- [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om bij wijze van voorschot een immateriële schadevergoeding van € 25.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [appellant] te voldoen;

- [geïntimeerden] te gebieden het boek uit de handel te (doen) nemen en uit de handel te houden, althans zich daartoe in te spannen, alsmede zich in de toekomst te onthouden van het publiceren of anderszins delen van de betrokken ambtelijk verkregen informatie omtrent de persoon van [appellant] – zonder afscherming van de (bijzondere) persoonsgegevens van [appellant] – en om te voorkomen dat anderen deze strafrechtelijke en justitiële gegevens in de toekomst openbaar maken, althans zich daartoe in te spannen;

- [geïntimeerden] te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk op de privacy van [appellant] door middel van het (doen) openbaar maken en/of verveelvuldigen van strafvorderlijke gegevens over [appellant] , voor commerciële doeleinden, dan wel het doen van publicatie en/of andere reclame-uitingen van gelijke aard of strekking, in enigerlei vorm of op enigerlei wijze;

- [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere overtreding van de hiervoor bedoelde bevelen, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat gedaagde(n) met de gehele of gedeeltelijke nakoming van die bevelen in gebreke blijft/blijven, tot een maximum van € 500.000,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

- [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het incident, met rente.

3.3.

De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen op 18 november 2015, waarbij zij het verzoek van [appellant] om pleidooi in het incident heeft afgewezen, en een comparitie na antwoord heeft gelast in de hoofdzaak en het incident. De comparitie is gehouden op 5 februari 2016. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij eindvonnis van 23 maart 2016 heeft de rechtbank de vorderingen in het incident en in de hoofdzaak afgewezen. Samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van [appellant] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer niet opweegt tegen het door de vrijheid van meningsuiting beschermde belang van [geïntimeerde 3] bij de publicatie van het boek, dat het gebruik van de Club van Dollars als bron niet onrechtmatig is als de auteurs van dat boek onrechtmatig gegevens hebben verkregen, dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat het boek informatie bevat die niet reeds in andere bronnen openbaar was gemaakt, dat het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde 3] tendentieuze en onnodig grievende termen heeft gebruikt ongegrond of onvoldoende concreet is, dat de politie niet aansprakelijk is op de voet van artikel 6:170 BW en dat er geen sprake is van het verwerken van strafvorderlijke gegevens of andere feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot aansprakelijkheid van de Staat.

3.4.

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd:

- te vernietigen de tussen partijen gewezen vonnissen van de Rechtbank Den Haag; en opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van appellant toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden tot restitutie aan appellant van al hetgeen door appellant krachtens het thans bestreden eindvonnis aan geïntimeerden mocht zijn betaald, althans door geïntimeerden op appellant mocht zijn verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling / verhaal tot de dag van terugbetaling;

- geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

- één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

3.5.

Bij zijn akte van 6 februari 2017 heeft [appellant] een eisvermeerdering naar voren gebracht, waarbij hij de proceskostenveroordelingen in een rechtszaak van [appellant] tegen derden opvoert als schade die [appellant] heeft gelegen ten gevolge van het gedrag van [geïntimeerden]

3.6.

[appellant] voert een aantal ongenummerde grieven aan tegen de vonnissen en het proces-verbaal. Zo maakt hij onder meer bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om pleidooi in het incident, de afwijzing van zijn verzoek om behandeling achter gesloten deuren, het toezenden van het eindvonnis per e-mail, het ontbreken van een conclusie van het Openbaar Ministerie in het eindvonnis, het niet opnemen van bepaalde informatie in het proces-verbaal, het niet opnemen van bepaalde informatie onder de feitenvaststelling in het eindvonnis, de schending van zijn recht op privacy en recht op een eerlijk strafproces, de door de rechtbank gemaakte afweging van grondrechten en de berekening van de proceskostenveroordeling. [geïntimeerden] heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

4 De beoordeling

4.1.

Het hof begrijpt dat [appellant] zijn vorderingen tegen [geïntimeerde 3] baseert op drie grondslagen, te weten i) schending van ambtsgeheim, ii) schending van zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, en iii) schending van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Die grondslagen zullen hierna achtereenvolgens worden beoordeeld.

schending ambtsgeheim

4.2.

[appellant] betoogt ten eerste dat [geïntimeerde 3] bij het schrijven van het boek gebruik heeft gemaakt van materiaal dat hij op grond van zijn (voormalige) ambt verplicht was geheim te houden en dat hij met de publicatie van het boek dus zijn ambtsgeheim heeft geschonden. [geïntimeerde 3] voert als verweer dat de informatie die hij in het boek heeft gebruikt beschikbaar was in openbare bronnen, zoals het boek De Club van Dollars en de onder r.o. 2.7 bedoelde publicaties.

4.3.

Op zich heeft [appellant] terecht aangevoegd dat het enkele feit dat informatie al beschikbaar was in openbare bronnen niet uitsluit dat er sprake is van een schending van ambtsgeheim. Er kan ook sprake zijn van de schending van een ambtsgeheim als een geheimhouder aan een derde informatie verstrekt die de derde ook bij andere instanties had kunnen verkrijgen (HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5677). [geïntimeerde 3] betoogt echter niet alleen dat de betreffende informatie al openbaar was. Hij voert ook aan dat zijn boek is gebaseerd op die openbare informatie en hij betwist dat hij bij het schrijven van het boek geheim materiaal heeft gebruikt waartoe hij als rechercheur toegang heeft gehad, zoals processen-verbaal en gegevens uit het dossier over [appellant] dat de politie beheert (o.m. memorie van antwoord, paragraaf 9 en proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg, pagina 4, punten 5 en 6). Het hof is met [geïntimeerde 3] van oordeel dat voor zover [geïntimeerde 3] louter heeft geput uit openbare informatie er geen sprake is van een schending van ambtsgeheim. Het enkele feit dat [geïntimeerde 3] de informatie ook had kunnen putten uit kennis die hij heeft opgedaan als rechercheur, brengt niet mee dat [geïntimeerde 3] minder vrijheid dan ieder ander heeft om openbare informatie te gebruiken.

4.4.

Het verdere debat tussen partijen op dit punt is beperkt gebleven tot de beantwoording van de vraag in hoeverre [geïntimeerde 3] een openbare bron kan aanvoeren voor de informatie die is opgenomen in de hoofdstukken V en VI van het boek. Het hof begrijpt dat niet in geschil is dat aangenomen kan worden dat [geïntimeerde 3] gebruik heeft gemaakt van openbare informatie voor zover beschikbaar en dat niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 3] gebruik heeft gemaakt van geheim materiaal voor zover de informatie beschikbaar was in openbare bronnen.

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of de informatie die [geïntimeerde 3] in zijn boek heeft gepubliceerd is gebaseerd op geheim materiaal moet als uitgangspunt worden genomen dat de stelplicht en bewijslast rust op [appellant] . [appellant] legt de schending van ambtsgeheim immers ten grondslag aan zijn vorderingen. Dat [geïntimeerde 3] aanvoert dat alle informatie over [appellant] afkomstig is uit openbare bronnen, terwijl hij in zijn boek geen gebruik heeft gemaakt van voetnoten waarin die openbare bronnen worden vermeld, dwingt, anders dan [appellant] meent, niet tot een andere bewijslastverdeling.

4.6.

Naar het oordeel van hof kan op basis van de beschikbare stukken niet als vaststaand worden aangenomen dat de informatie die [geïntimeerde 3] in zijn boek heeft gepubliceerd is gebaseerd op geheim materiaal. [geïntimeerde 3] heeft namelijk voor de passages uit het boek waarnaar [appellant] specifiek heeft verwezen ter onderbouwing van de gestelde schending van ambtsgeheim, het betoog van [appellant] weerlegd door het tonen van concrete vindplaatsen in openbare bronnen. [geïntimeerde 3] heeft op de zitting in eerste aanleg de vindplaatsen in openbare bronnen aangevoerd voor de enige twee onderdelen uit het boek die [appellant] specifiek had genoemd in dit verband. Eén van die onderdelen is de beschrijving van een doorzoeking van de woning van [appellant] op pagina 179 van het boek, die [appellant] ook in zijn memorie van grieven naar voren haalt. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde 3] tijdens de bedoelde zitting naar voren heeft gebracht dat die informatie afkomstig is uit een artikel in de Nieuwe Revu en dat [geïntimeerde 3] in de correspondentie over het proces-verbaal van de zitting (brief aan de rechtbank van 16 februari 2016 van mr. Groen) heeft gespecificeerd dat het gaat om de Nieuwe Revu van 25 november 2009 (productie 11 van [geïntimeerde 3] in hoger beroep). [appellant] heeft daartegen slechts aangevoerd dat bij dat tijdschrift ook de schrijvers van de Club van Dollars en één of meer ex-collega’s van [geïntimeerde 3] werken, maar hij heeft niet bestreden dat de beschrijving van de doorzoeking al was gepubliceerd in dat tijdschrift. In het licht daarvan kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde 3] de beschrijving van de doorzoeking heeft ontleend aan kennis die onder zijn ambtsgeheim viel.

4.7.

In het kader van zijn akte bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] nog producties XV en XVI in het geding gebracht met opmerkingen van hem bij diverse passages uit het boek. Voor zover [appellant] met die producties heeft bedoeld nieuwe stellingen met betrekking tot de schending van ambtsgeheim naar voren te brengen, is dat te laat. In feite opent [appellant] met de indiening van die producties een nieuw debat over de gestelde schending van ambtsgeheim. Dat is in strijd met de goede procesorde en de uit artikel 347 lid 1 Rv voortvloeiende twee-conclusies-regel. Die laatstgenoemde regel brengt mee dat van een appellant in beginsel mag worden verlangd dat hij in zijn memorie van grieven niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen (HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, r.o. 4.2.3.). Deze ‘in beginsel strakke regel’ beoogt een concentratie van het debat en een spoedige afdoening van het geschil en wordt mede gerechtvaardigd door het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied. Gelet op het feit dat het gebrek aan concretisering al in eerste aanleg onderwerp is geweest van het debat en voor de rechtbank een grond is geweest voor afwijzing van de vorderingen, had van [appellant] mogen worden verwacht dat hij de betreffende concrete stellingen over de schending van ambtsgeheim al bij zijn memorie van grieven naar voren zou hebben gebracht, zodat [geïntimeerden] daarop schriftelijk had kunnen reageren bij memorie van antwoord.

4.8.

Daar komt bij dat de in de nadere producties opgesomde opmerkingen ook om inhoudelijke redenen geen doel treffen. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof de stelling van [geïntimeerde 3] dat hij voor alle genoemde passages een vindplaats in een openbare bron heeft, steekproefsgewijs gecontroleerd door hem te vragen naar de bron van twee passages in het boek. In antwoord daarop heeft [geïntimeerde 3] , aan de hand van concrete citaten en onbestreden, laten zien dat ook die passages tot in detail herleidbaar zijn tot informatie uit het boek De Club van Dollars en het vonnis in de strafzaak tegen [appellant] .

4.9.

Op dezelfde gronden moet de bij pleidooi in hoger beroep door [appellant] naar voren gebrachte verwijzing naar een opsomming van passages uit het boek in een brief van de advocaat van [appellant] aan het College van Procureurs-Generaal, worden gepasseerd (productie VI bij inleidende dagvaarding, p. 4 en 5). Ook daarvoor geldt ten eerste dat de stelling dat die passages ontleend zijn aan kennis waarop het ambtsgeheim van [geïntimeerde 3] rust, te laat naar voren is gebracht. Ten tweede valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de bedoelde passages geheime informatie bevatten, laat staan geheime informatie die schadelijk kan zijn voor [appellant] . In de brief wordt een opsomming van passages gegeven waaruit volgens de schrijver van de brief blijkt dat het Openbaar-Ministerie mede-verantwoordelijk kan worden gehouden voor het onderzoek naar [appellant] en daarmee voor het boek. Het zijn dan ook vooral passages over het contact tussen [geïntimeerde 3] en een officier van justitie.

4.10.

Het feit dat [appellant] ook aangifte tegen [geïntimeerde 3] heeft gedaan wegens de gestelde schending van ambtsgeheim en dat [appellant] , [geïntimeerde 3] en het hof niet zijn geïnformeerd over de status van de behandeling van die aangifte, kan niet leiden tot een ander resultaat. Het hof moet beslissen op basis van de gegevens die partijen in deze procedure hebben aangevoerd.

4.11.

Zoals [appellant] tijdens de zitting in hoger beroep heeft bevestigd, richten zijn vorderingen zich uitsluitend tegen het boek van [geïntimeerde 3] . Voor een beslissing op die vorderingen hoeft dus geen oordeel te worden gegeven over de gesuggereerde andere schendingen van ambtsgeheim, te weten het na beëindiging van het dienstverband meenemen van geheime dossiers en het lekken van informatie op andere wijze dan via het publiceren dan het boek.

recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

4.12.

Zoals de rechtbank terecht voorop heeft gesteld, moet het antwoord op de vraag of in dit geval het door artikel 10 Grondwet (Gw) en artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] – waaronder het door hem ingeroepen recht op bescherming van de goede naam/reputatie is begrepen (EHRM 15 november 2007, no. 12556/03, Pfeifer/Oostenrijk, EHRC 2008, 6) – dan wel het door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde 3] zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210, Van Gasteren/Hemelrijk; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).

4.13.

Een afweging van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [appellant] tegen de vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerde 3] brengt om de volgende redenen, in samenhang beschouwd, mee dat publicatie van het boek niet onrechtmatig is ten opzichte van [appellant] .

4.13.1.

Het boek draagt onmiskenbaar bij aan een debat van algemeen belang. [geïntimeerde 3] beschrijft in het boek het werkproces van de Nederlandse recherche en uit daarover zijn zorgen en inzichten. Het boek stimuleert aldus het maatschappelijk debat over de kwaliteit van het recherchewerk en kan bijdragen aan de verbetering van dat werk. Dat brengt mee dat de vrijheid van [geïntimeerde 3] om het boek te publiceren, zwaar weegt.

4.13.2.

Ook de passages in het boek die gaan over [appellant] en het in dat kader noemen van diens naam en het tonen van een foto van hem dienen, anders dan [appellant] meent, niet louter de bevrediging van de publieke nieuwsgierigheid. [geïntimeerde 3] heeft toegelicht dat hij ervoor heeft gekozen de problemen binnen de recherche inzichtelijk te maken aan de hand van het verloop van het onderzoek in strafzaken waarover in de media al breed was bericht, zoals de zaken tegen [naam 3] , [naam 4] en [appellant] . Die koppeling van het bekende (de strafzaken) aan de boodschap (de opsporingsproblemen) kan de controleerbaarheid en geloofwaardigheid en daarmee de zeggingskracht van de boodschap vergroten. In die zin draagt ook het noemen van de naam van [appellant] en het tonen van zijn portret bij aan het hiervoor genoemde algemeen belang. Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde 3] het nagestreefde doel ook had kunnen bereiken zonder zijn naam te noemen, treft in zoverre dus geen doel.

4.13.3.

In dat kader is ook van belang dat moet worden aangenomen dat de feiten over [appellant] die het boek beschrijft, ten tijde van de publicatie van het boek al openbaar waren gemaakt via andere publicaties, zoals het boek De Club van Dollars en de onder r.o. 2.7 genoemde publicaties. Dat geldt zeker voor de informatie die het meest schadelijk is voor de reputatie van [appellant] , zoals de beschrijving van hem als oplichter, en voor de informatie over intieme aspecten van zijn privé-leven, zoals zijn seksuele geaardheid. Dat die informatie kenbaar is uit de genoemde bronnen, staat vast. Voor zover [appellant] het tegendeel heeft willen bepleiten, moet dat worden verworpen in het licht van de door [geïntimeerden] overgelegde kopieën van de publicaties. Ook de foto van [appellant] was reeds eerder gepubliceerd. Het gevolg van de publicatie van het boek is dus niet dat voormelde informatie over [appellant] publiek wordt, maar dat al openbare informatie opnieuw onder de aandacht van het publiek wordt gebracht. Dat ontslaat [geïntimeerde 3] niet van zijn verantwoordelijkheid voor die verdere openbaarmaking, maar brengt wel mee dat in de belangafweging niet de openbaarmaking van de informatie als zodanig, maar alleen de eventuele aanvullende schade die voortvloeit uit verdere openbaarmaking meeweegt.

4.13.4.

Het opnieuw publiceren van informatie over het opsporingsonderzoek naar de praktijken van [appellant] brengt weliswaar waarschijnlijk aanvullende schade toe aan de reputatie van appellant, maar volgens vaste rechtspraak kan geen beroep worden gedaan op het recht op bescherming van reputatie als het verlies van goede naam een voorzienbaar gevolg is van het eigen gedrag, zoals het plegen van een strafbaar feit (EHRM 27 juli 2004, 55480/00, EHRC 2004/90, Sidabras, r.o. 49). Die publiciteit was in dit geval extra goed te voorzien vanwege de bekendheid van ten minste één slachtoffer van de door [appellant] gepleegde strafbare feiten, te weten [slachtoffer] . Niet in geschil is dat [slachtoffer] als de weduwe van [naam 2] kan worden gekwalificeerd als een publiek persoon.

4.13.5.

Bovendien staat vast dat [appellant] – tot het moment dat hij werd verdacht van de genoemde feiten – niet alleen omging met [slachtoffer] , maar ook met tal van andere bekende Nederlanders, waaronder [bekende Nederlander 1] , [bekende Nederlander 2] , [bekende Nederlander 3] , [bekende Nederlander 4] en [bekende Nederlander 5] en dat hij daarom ook zelf aandacht van de media trok. Dat gedrag van [appellant] brengt ook mee dat zijn beroep op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer minder zwaarder weegt.

4.13.6.

Voorts geldt dat moet worden aangenomen dat alle passages over [appellant] de feiten juist weergeven, althans dat die informatie voldoende steun vindt in het feitenmateriaal. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat in het boek ‘leugens, verdichtsels en andere onwaarheden’ staan, maar in eerste aanleg en bij zijn memorie van grieven heeft hij niet concreet gemaakt welke passages onjuist zijn. Pas in het kader van zijn akte bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] zijn betoog geconcretiseerd door in zijn producties XV en XVI opmerkingen te maken bij diverse passages uit het boek. Zoals hiervoor al is overwogen is dat in strijd met de goede procesorde en de twee-conclusie-regel (zie hiervoor, r.o. 4.7). Daar komt bij dat de enige onjuistheid die [appellant] heeft besproken bij pleidooi, te weten dat hij zich, anders dan in het boek wordt gemeld, ten opzichte van [slachtoffer] nooit zou hebben voorgedaan als advocaat, ook om inhoudelijke redenen moet worden verworpen. Vast staat namelijk dat [appellant] ten tijde van het verschijnen van het boek strafrechtelijk was veroordeeld voor dit feit. Daaruit volgt dat deze beschuldiging op zijn minst voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Bovendien is de veroordeling inmiddels in kracht van gewijsde gegaan. Gelet daarop kan [appellant] in deze procedure niet volstaan met de niet-onderbouwde stelling dat het boek de feiten op dit punt onjuist weergeeft en moet die stelling dus bij gebrek aan onderbouwing worden verworpen.

4.13.7.

Anders dan [appellant] meent maakt ook de toonzetting van de passages over [appellant] naar het oordeel van het hof die passages niet onrechtmatig. [appellant] klaagt erover dat het een subjectieve weergave van het onderzoek is, dat wil zeggen een weergave van de feiten vanuit het perspectief van [geïntimeerde 3] . Dat perspectief is echter een vorm die geschikt is voor het doel dat [geïntimeerde 3] met het boek beoogt. Door dicht bij zijn eigen ervaringen te blijven neemt de geloofwaardigheid van de door [geïntimeerde 3] gesignaleerde problemen in de recherche toe. [appellant] betoogt verder dat de toon van het boek sensatiezoekend, tendentieus en onnodig grievend is, maar hij heeft niet of nauwelijks voorbeelden gegeven. Voor zover [appellant] dat wel heeft gedaan, treft het betoog geen doel. De enige voorbeelden die [appellant] noemt, betreffen het gebruik van de term ‘rasoplichter’ onder een foto van [appellant] , het gebruik van de termen ‘opgejaagd en gevangen’ en de titels van de twee hoofdstukken die op [appellant] betrekking hebben (‘Kerkhof van kansrijke zaken’ en ‘zand in de machine’). De term ‘rasoplichter’ acht het hof niet onnodig grievend of anderszins onrechtmatig gelet op het feit dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld voor oplichting en gelet op de motivering die de strafrechter daarvoor heeft gegeven, waarbij onder meer is vastgesteld dat sprake is van een ‘een steeds terugkerend patroon’. Voor zover er iets grievends besloten ligt in de woorden ‘opgejaagd en gevangen’ en de titels van de hoofdstukken, wordt dat gerechtvaardigd door de inhoud van het boek en de feiten waarop het is gebaseerd.

4.13.8.

Er is in dit geval niet zoveel tijd verstreken sinds de datum van de strafbare feiten waarvan [appellant] wordt beschuldigd en/of de strafrechtelijke veroordeling voor die feiten dat, gelet op alle relevante omstandigheden, het belang van [appellant] bij resocialisatie zwaarder moet wegen dan de uitingsvrijheid. Het beroep op het beginsel ne bis in idem treft ook geen doel omdat de publicatie van het boek door [geïntimeerde 3] niet gelijk kan worden gesteld aan een straf in de zin van dat beginsel.

4.13.9.

Het feit dat [geïntimeerde 3] [appellant] niet om een reactie heeft gevraagd alvorens het boek te publiceren, kan ook niet leiden tot een ander oordeel. Het recht om gehoord te horen is geen absoluut recht en de verspreiding van een boek is dus niet onrechtmatig enkel omdat niet alle personen die in het boek figureren om een reactie is gevraagd. Het ontbreken van wederhoor is wel een omstandigheid die meeweegt, maar die omstandigheid doet in dit geval de weegschaal niet uitslaan naar de kant van [appellant] , met name omdat de kritiek die [geïntimeerde 3] in het boek uit zich richt tegen de recherche en dus niet tegen [appellant] , en omdat niet duidelijk is welke feiten [appellant] had willen rechtzetten als hij wel was gehoord. Voor zover daarbij gedacht zou moeten worden aan de gestelde onjuistheden als weergegeven in producties XV en XVI, verwijst het hof naar het hierboven onder 4.13.6. overwogene.

4.13.10.

Ook het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde 3] geen gebruik had mogen maken van de in het boek De Club van Dollars gepubliceerde informatie en de andere onder r.o. 2.7 genoemde publicaties, omdat die zijn gebaseerd op informatie die door schending van ambtsgeheim is verkregen, kan niet leiden tot een andere conclusie. Ten eerste impliceert het enkele feit dat in De Club van Dollars informatie uit processen-verbaal is opgenomen, anders dan [appellant] meent, niet dat de auteurs de in hun boek gepubliceerde informatie hebben verkregen door een schending van ambtsgeheim. [geïntimeerde 3] heeft er namelijk onbestreden op gewezen dat de auteurs aanwezig zijn geweest bij de behandeling van de strafzaak tegen [appellant] en dat tijdens die zitting ook delen van processen-verbaal zijn voorgelezen. In het licht daarvan kan niet als vaststaand worden aangenomen dat in de bedoelde publicaties informatie is geopenbaard die op onrechtmatige wijze is verkregen. Ten tweede is de wijze waarop de auteurs de informatie hebben verkregen, slechts één van de factoren die moet worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of de publicatie onrechtmatig is. Gelet op het feit dat, zoals hiervoor is vastgesteld, de beschuldiging van oplichting steun vindt in de feiten, ten minste één van de slachtoffers van de oplichting een publiek figuur is en [appellant] zelf destijds ook de kringen van bekende Nederlanders opzocht, kan in dit geding niet zonder meer worden aangenomen dat de publicaties onrechtmatig zijn, zelfs als zou komen vast te staan dat (een deel van) de in het boek De Club van Dollars gepubliceerde informatie is verkregen door schending van een ambtsgeheim. Hetzelfde geldt voor het boek van [geïntimeerde 3] . Ook als zou moeten worden aangenomen dat (een deel van) de bronnen die [geïntimeerde 3] heeft gebruikt, onrechtmatige publicaties zijn, weegt die omstandigheid niet op tegen de hiervoor genoemde factoren die pleiten voor de rechtmatigheid van de publicatie van het boek.

4.13.11.

Nu niet vast staat dat in het boek de Club van Dollars of in de andere publicaties informatie is opgenomen die op onrechtmatige wijze is verkregen, kan de opmerking van [appellant] dat ‘niet uit te sluiten is’ dat [geïntimeerde 3] zelf informatie uit het strafdossier heeft gelekt aan de auteurs van dat boek worden gepasseerd. Naast het feit dat [appellant] onvoldoende duidelijk stelt dat [geïntimeerde 3] die informatie heeft gelekt, is dat lekken niet beslissend voor de vorderingen als de beweerdelijk gelekte informatie niet in de bronnen is opgenomen waarop [geïntimeerde 3] zijn boek heeft gebaseerd. Om die twee redenen moet het aanbod van [appellant] om op dit punt getuigen te horen worden gepasseerd.

4.13.12.

De stelling van [appellant] dat het verschijnen van het boek gepaard is gegaan met grootschalige publiciteitsacties kan ook niet leiden tot een ander resultaat. In alle publicaties en uitingen waarnaar [appellant] in dit kader verwijst, met uitzondering van één tweet van een derde, wordt [appellant] namelijk juist niet genoemd en wordt ook niet specifiek verwezen naar informatie over hem.

4.13.13.

De suggestie van [appellant] dat het boek (enkel) zou zijn gepubliceerd om het strafproces tegen hem te beïnvloeden, is ongegrond, alleen al omdat het boek is verschenen jaren nadat het strafvonnis tegen hem was uitgesproken. Bovendien moet die suggestie worden verworpen in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over het maatschappelijk belang van het boek. Of het boek De Club van Dollars wel invloed heeft gehad op het strafproces kan in het midden blijven omdat de vorderingen van [appellant] zich uitsluitend richten tegen het boek van [geïntimeerde 3] .

4.13.14.

Een beroep op het portretrecht in de zin van artikel 21 van de Auteurswet kan niet leiden tot een andere uitkomst. Een beoordeling van het beroep op het ‘redelijk belang’ in de zin van artikel 21 Auteurswet vergt eenzelfde afweging van belangen als hiervoor is gemaakt.

Wet bescherming persoonsgegevens

4.14.

Ook het beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens kan niet slagen. Krachtens artikel 3 lid 1 Wbp is een aantal bepalingen van die wet, waaronder het recht op verbetering of verwijdering van gegevens (artikel 36 Wbp) en het recht op verzet tegen een gegevensverwerking (artikel 40 Wbp) waarop [appellant] zich beroept, niet van toepassing op gegevensverwerkingen voor uitsluitend journalistieke doeleinden. Vanwege het belang van de uitingsvrijheid moet dat begrip ‘journalistieke doeleinden’ ruim worden uitgelegd en omvat het dus zeker activiteiten zoals de publicatie van het boek door [geïntimeerde 3] (vgl. HvJ EU 16 december 2008, C-73/07, ECLI:EU:C:2008:727, Satamedia, r.o. 56).

4.15.

Ook het beroep van [appellant] op het verbod op de verwerking van bijzondere gegevens in de zin van de artikelen 16 Wbp, zoals strafrechtelijke gegevens en gegevens over het seksuele leven, kan niet leiden tot een ander oordeel. Op grond van artikel 3 lid 2 Wbp is dat verbod niet van toepassing voor zover verwerking noodzakelijk is voor journalistieke doeleinden. De eis van noodzakelijkheid in de zin van artikel 3 lid 2 Wbp vergt een ‘evenwichtige afweging’ van de fundamentele uitingsvrijheid en het recht op privacy (vgl. het aangehaalde Satamedia-arrest, r.o. 56 en HvJ EG 6 november 2003, C-101/01, ECLI:EU:C:2003:596, Lindqvist, r.o. 90). Voor de motivering van het oordeel dat in dit geval de uitingsvrijheid zwaarder weegt, kan worden verwezen naar de belangenafweging die het hof heeft gemaakt in r.o. 4.13 en volgende van dit arrest.

4.16.

Ook de verwijzing naar de – niet door de persexceptie van artikel 3 Wbp uitgesloten – artikelen 6 tot en met 11 Wbp, kan niet leiden tot een ander resultaat. Ook bij de toepassing van deze regels moet een juist evenwicht tussen de betrokken rechten en belangen worden verzekerd (vgl. het aangehaalde Lindqvist-arrest, r.o. 90) en dat evenwicht pleit om de hiervoor genoemde redenen in dit geval tegen een beperking van de uitingsvrijheid. Het beroep van [appellant] op het oordeel van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Google Spain (HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317, Google Spain) dat het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van persoonsgegevens in beginsel voorrang heeft, maakt dat niet anders. Dat oordeel had betrekking op een specifieke gegevensverwerking door een zoekmachine, te weten het presenteren van een lijst met links naar internetpagina’s met informatie over een persoon na het invoeren van de naam van die persoon in de zoekmachine. Het Hof geeft in dat kader voorrang aan het privacyrecht, omdat die specifieke gegevensverwerking een ernstige aantasting van dat grondrecht meebrengt aangezien elke internetgebruiker op basis van deze verwerking via de resultatenlijst een gestructureerd overzicht kan krijgen van de over deze persoon op het internet vindbare informatie, die potentieel betrekking heeft op tal van aspecten van zijn privéleven en die, zonder deze zoekmachine, niet of slechts zeer moeilijk met elkaar in verband had kunnen worden gebracht, en aangezien deze internetgebruiker aldus een min of meer gedetailleerd profiel van de betrokkene kan opstellen. Bovendien is de inmenging in deze rechten van de betrokkene des te sterker door de belangrijke rol van internet en zoekmachines in de moderne samenleving, waardoor de in een dergelijke resultatenlijst weergegeven informatie overal beschikbaar is. De inmenging die in de onderhavige zaak aan de orde is, is minder ernstig (zie ook r.o. 013.3.).

4.17.

Omdat het beroep op de Wbp om de hiervoor genoemde inhoudelijke redenen niet kan slagen, kan in het midden blijven of het verweer van [geïntimeerde 3] dat de Wbp niet van toepassing is omdat de publicatie van (de papieren versie van) het boek niet kan worden aangemerkt als een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, doel treft.

vorderingen tegen de politie

4.18.

[appellant] heeft geen grieven, althans geen voldoende duidelijke grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat de politie aansprakelijk is voor eventueel onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 3] op de voet van artikel 6:170 BW. Aangezien [appellant] zijn vorderingen tegen de politie volledig baseert op die grondslag, moet in hoger beroep alleen al daarom worden geconcludeerd dat de vorderingen tegen de politie terecht zijn afgewezen.

4.19.

Dat oordeel van de rechtbank is overigens juist. Mede gelet op het feit dat [geïntimeerde 3] ten tijde van het verschijnen van het boek al meer dan een jaar uit dienst was bij de politie, lag het op de weg van [appellant] om feiten en omstandigheden aan te voeren die zouden kunnen onderbouwen dat is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW, waaronder de voorwaarde dat de politie uit hoofde van een rechtsbetrekking met [geïntimeerde 3] zeggenschap had over het schrijven van het boek door [geïntimeerde 3] . Die onderbouwing heeft [appellant] ook in hoger beroep niet gegeven. Bovendien strandt het beroep op artikel 6:170 BW op het voorgaande oordeel dat het schrijven en publiceren van het boek niet onrechtmatig is en dus niet kan worden aangemerkt als een fout in de zin van artikel 6:170 BW.

vorderingen tegen de Staat

4.20.

[appellant] heeft ook geen grieven, althans geen voldoende duidelijke grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het schrijven en publiceren van het boek geen verwerking van strafvorderlijke gegevens in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is. Aangezien [appellant] zijn vorderingen tegen de Staat volledig baseert op die grondslag, moet in hoger beroep alleen al daarom worden geconcludeerd dat de vorderingen tegen de Staat terecht zijn afgewezen.

4.21.

Daar komt bij dat, zoals het hof hiervoor heeft overwogen (zie r.o. 4.6), niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [geïntimeerde 3] bij het schrijven van het boek gebruik heeft gemaakt van gegevens uit het dossier waar hij als rechercheur toegang tot heeft gehad. In het licht daarvan kan, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, zeker niet worden aangenomen dat [geïntimeerde 3] gebruik heeft gemaakt van door het Openbaar Ministerie beheerde strafvorderlijke gegevens, die hij ook als rechercheur niet mocht inzien.

4.22.

Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat de Staat aansprakelijk is voor de publicatie van het boek omdat [geïntimeerde 3] als rechercheur onder gezag stond van de behandelend officier van justitie en dus het Ministerie van Veiligheid & Justitie, strandt dat al op het gegeven dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 3] het boek heeft geschreven of gepubliceerd ten tijde van zijn dienstverband als rechercheur (zie hiervoor r.o. 4.1919) en het voorgaande oordeel dat [geïntimeerde 3] niet onrechtmatig heeft gehandeld.

4.23.

Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende invulling te geven aan de op de Staat rustende positieve verplichting om het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te beschermen, kan dat niet leiden tot een ander oordeel. Hiervoor is immers geoordeeld dat de inmenging in de persoonlijke levenssfeer van [appellant] die de publicatie van het boek meebrengt gerechtvaardigd wordt door de uitingsvrijheid van [geïntimeerde 3] .

proceskostenveroordeling

4.24.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de rechtbank de vorderingen van [appellant] terecht heeft afgewezen en dat [appellant] dus ook terecht is veroordeeld in de proceskosten. De opmerking van [appellant] dat de rechtbank bij de begroting van de proceskosten een rekenfout heeft gemaakt is juist (uitgaande van tarief II bedragen de advocaatkosten € 904,- in plaats van € 902,- en bovendien is, gelet op de provisionele vordering tot betaling van € 25.000,- ten onrechte tarief II toegepast), maar omdat die rekenfout in het voordeel is van [appellant] (en geïntimeerden geen incidenteel beroep hebben ingesteld) beschouwt het hof de rekenfout niet als een grond voor vernietiging van het vonnis. Zijn bezwaar tegen het gehanteerde griffierecht is ongegrond, gelet op het feit dat [appellant] provisioneel een vordering tot betaling van € 25.000,- had ingesteld.

eisvermeerdering

4.25.

Ervan uitgaande dat de eisvermeerdering die [appellant] bij zijn akte van 6 februari 2017 naar voren heeft gebracht niet in strijd is met de twee-conclusies-regel omdat de eis betrekking heeft op een proceskostenveroordeling die is uitgesproken bij een arrest dat is gewezen na indiening van de memorie van grieven, moet het hof daarop inhoudelijk beslissen. De vermeerdering is gebaseerd op dezelfde gronden als de oorspronkelijke eis en moet daarom om dezelfde redenen worden afgewezen als die oorspronkelijke eis.

prejudiciële vraag

4.26.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de Hoge Raad de door [appellant] voorgestelde prejudiciële vraag voor te leggen of ‘niettegenstaande het verbod van artikel 8, lid 5 van de Europese Privacyrichtlijn juncto artikel 16 Wbp in gevallen van gegevensverwerking als de onderhavige, de verwerking van strafrechtelijke gegevens door, vanwege of ten behoeve van de overheid met een beroep op het algemeen belang is toegestaan’. Naar het oordeel van het hof is er in dit geval geen sprake is van een verwerking van gegevens door, vanwege of ten behoeve van de overheid, omdat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 3] het boek heeft geschreven of gepubliceerd in het kader van zijn voormalige dienstverband. Bovendien is niet voldaan aan de eis van artikel 392 Rv dat beantwoording van de vraag van belang is voor – samengevat – een veelheid aan vorderingsrechten of talrijke andere geschillen.

provisionele vorderingen

4.27.

Omdat nu eindarrest wordt gewezen heeft [appellant] geen belang bij zijn provisionele vorderingen. Bovendien zijn die vorderingen gebaseerd op dezelfde gronden als de vorderingen in de hoofdzaak en moeten die dus om dezelfde redenen worden afgewezen.

overige klachten

4.28.

Van een schending van het recht op pleidooi in het incident is noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep sprake. [appellant] heeft zijn incidentele vorderingen mondeling kunnen toelichten voordat de rechtbank en het hof daarop hebben beslist. Dat die mondelinge behandeling is samengevallen met de mondelinge behandeling in de hoofdzaak, maakt dat niet anders. In dit geval bracht de zaak niet mee dat eerst en vooraf op de incidentele vorderingen moest worden beslist en pleitten doelmatigheidsoverwegingen voor een gezamenlijke behandeling.

4.29.

Het betoog van [appellant] dat het eindvonnis niet openbaar is gemaakt op de datum die onderaan het vonnis staat omdat het op die datum alleen per e-mail aan partijen is gezonden, is ongegrond. Aan de vereiste openbaarheid van de uitspraak is voldaan als de beslissing in geschreven vorm ter griffie aanwezig is vanaf een bepaalde, aan partijen tevoren bekend gemaakte dag en zowel partijen als elke andere belanghebbende inzage en afschrift ervan kunnen verkrijgen (HR 22 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2208). Aan dat vereiste is voldaan.

4.30.

De rechtbank heeft terecht geen conclusie van het Openbaar Ministerie in het eindvonnis vermeld. Anders dan [appellant] meent, kan het feit dat een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, dat in deze zaak partij is, tijdens de comparitie een vraag van de rechter heeft beantwoord, niet worden aangemerkt als conclusie in de zin van artikel 230 aanhef en sub d Rv.

4.31.

De overige argumenten die [appellant] naar voren heeft gebracht, kunnen worden gepasseerd omdat zij, ook als zij juist zouden zijn, niet kunnen leiden tot vernietiging van het eindvonnis. Dat geldt voor zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek tot behandeling achter gesloten deuren en geanonimiseerd procederen, zijn bezwaar tegen niet-anonimisering van – de aan partijen gestuurde versie – van het eindvonnis, zijn aanvullingen op het proces-verbaal van de comparitiezitting in eerste aanleg, zijn aanvullingen op de weergave van het proces-verloop in het eindvonnis en zijn aanvullingen op de in het eindvonnis vastgestelde feiten.

conclusie

4.32.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de grieven van [appellant] geen doel treffen en dat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd.

4.33.

[appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 3] begroot op € 314,- aan griffierecht en € 4.053,- (3,5 punten × tarief III) aan advocaatkosten en aan de zijde van de Staat op € 718,- aan griffierecht en € 4.053,- (3,5 punten × tarief III) aan advocaatkosten.

5 Beslissing

Het hof

5.1.

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Den Haag van 18 november 2015 en 23 maart 2016;

5.2.

wijst af de vorderingen van [appellant] voor zover die naar voren zijn gebracht bij de akte eisvermeerdering in hoger beroep;

5.3.

wijst af de in hoger beroep ingestelde provisionele vorderingen;

5.4.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 3] tot op heden begroot op € 314,- aan griffierecht en € 4.053,- aan advocaatkosten en aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 718,- aan griffierecht en € 4.053,- aan advocaatkosten, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest;

5.5.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. P.H. Blok, mr. E.M. Dousma-Valk en mr. P. Glazener en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.