Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3165

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
200.168.905/01
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Bestuurdersaansprakelijkheid. Beëindiging huurovereenkomst. Geen persoonlijk ernstig verwijt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.168.905/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/469482 / HA ZA 14-806

arrest van 14 november 2017

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S.G. Volbeda te Arnhem,

tegen

[woonplaats],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [woonplaats],

advocaat: mr. A. Schippers te Den Haag.

Het geding

1. Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 26 mei 2015 verwijst het hof naar dat arrest. De in dat arrest bepaalde comparitie heeft plaatsgevonden op 3 juli 2015. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. [appellant] heeft vervolgens bij memorie van grieven twee grieven tegen het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2015 aangevoerd en toegelicht. [woonplaats] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten slotte heeft [woonplaats] de stukken overgelegd en is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank vastgestelde en in hoger beroep onbestreden, feiten:

  1. [woonplaats] is een in Polen gediplomeerde tandarts. Hij was enig aandeelhouder en bestuurder van Tandartspraktijk Van Nirway B.V. (hierna: Nirway). Nirway is in 2007 door [woonplaats] opgericht voor het uitoefenen van een tandartspraktijk.

  2. [appellant] was tandarts te Zaltbommel. Hij heeft zijn praktijk op 13 augustus 2007 verkocht aan Nirway. Eveneens op 13 augustus 2007 heeft [appellant] met Nirway met ingang van 1 september 2007 een huurovereenkomst gesloten voor de praktijkruimte aan de [adres] voor de duur van vijf jaar.

  3. Voor het aangaan van deze overeenkomsten is tussen [appellant] en (een vertegenwoordiger van) [woonplaats] meermaals gesproken en per e-mail gecorrespondeerd over de omstandigheid dat [woonplaats] nog niet beschikte over de vereiste Wet BIG-registratie om de tandartspraktijk zelfstandig uit te kunnen oefenen. [woonplaats] is de tandartspraktijk daarom aanvankelijk gaan uitoefenen onder toezicht van tandarts [tandarts 1] die wel ingevolge de Wet BIG was geregistreerd (hierna: BIG-geregistreerd). In de koopovereenkomst van 13 augustus 2007 is daarover het volgende opgenomen:

[…] Artikel 7

De medische en verantwoordelijk en aansprakelijkheid tot de datum van overname is gelegen bij [appellant]. Na de overname ligt de medische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij het personeel van de BV te weten o.a. [tandarts 1], BIG-registratie 99066569402. […]

Een melding over het onterecht voeren van de titel van tandarts en het onbevoegd zelfstandig uitvoeren van aan een tandarts voorbehouden handelingen is voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de Inspectie) aanleiding geweest de tandartspraktijk van Nirway op 22 september 2010 te bezoeken. De Inspectie heeft toen ernstige gebreken geconstateerd die een gevaar inhielden voor de patiëntveiligheid. De Inspectie heeft daarbij aangegeven dat de praktijk pas weer open kon vanaf 29 oktober 2010, als aan de eisen van verantwoorde zorg was voldaan.

Met ingang van 1 november 2010 heeft Nirway de BIG-geregistreerde tandarts [tandarts 2] (hierna: [tandarts 2]) in dienst genomen.

De Inspectie heeft op 27 oktober 2010, 11 januari 2011, 23 juni 2011 en 6 juli 2011 herhaalbezoeken aan de tandartspraktijk gebracht om na te gaan of de praktijk nog steeds voldeed aan de voorwaarden voor het leveren van verantwoorde zorg.

Bij brief van 8 juli 2011 heeft de Inspectie aan Nirway ter attentie van [woonplaats] geschreven:

[…]

In het kader van haar toezichthoudende taak heeft de [Inspectie] op 6 juli 2011 een onaangekondigd herhaalbezoek gebracht aan de Tandartspraktijk Van Nirway B.V. […] (hierna: de instelling). Doel van dit bezoek was te beoordelen of de instelling voldoet aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg.

De inspectie constateerde tijdens het bezoek op 6 juli 2011 dat u zelfstandig en dus onbevoegd een aan tandartsen voorbehouden handeling uitvoerde terwijl er geen tandarts in de praktijk aanwezig was om supervisie uit te voeren. De geconstateerde gedraging is in strijd met artikel 35 van de Wet BIG.

[…]

Op grond van uw handelwijze en het gevaar dat dit met zich brengt voor de veiligheid van de patiëntenzorg heb ik besloten u […] te bevelen de Tandartspraktijk Van Nirway te Zaltbommel te sluiten met ingang van vrijdag 8 juli 2011.

Het bevel gaat op 8 juli 2011 in om 14.00 uur voor de duur van 7 dagen.

[…]

Op 8 juli 2011 heeft Nirway de tandartspraktijk gesloten.

Bij brief van 7 september 2011 heeft Nirway de huurovereenkomst met [appellant] met onmiddellijke ingang opgezegd.

Op 7 september 2011 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat Nirway is ontbonden met ingang van 7 september 2011.

Vanaf oktober 2011 heeft Nirway geen huur meer betaald.

Sinds 2013 is [woonplaats] als tandarts geregistreerd ingevolge de Wet BIG.

3. [appellant] vorderde in eerste aanleg – zakelijk weergegeven: I. te verklaren voor recht dat [woonplaats] jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de huurovereenkomst voorvloeiende verplichtingen en dat [appellant] daardoor schade heeft geleden, alsmede II. [woonplaats] te veroordelen de door [appellant] geleden schade ten bedrage van € 26.438,60 (exclusief wettelijke rente) aan hem te vergoeden, met veroordeling van [woonplaats] in de kosten van de procedure. Tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen heeft [appellant] de gevorderde verklaring voor recht ingetrokken. Aan zijn (resterende) vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat [woonplaats] als bestuurder van Nirway onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant]. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4. [appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen, met veroordeling van [woonplaats] in de kosten van beide instanties.

5. De grieven van [appellant] houden, samengevat weergegeven, het volgende in.

Grief I is gericht tegen de overweging van de rechtbank in 4.4. en 4.5 van het bestreden vonnis dat zowel [woonplaats] als [appellant] in de veronderstelling waren dat het mogelijk was om onder toezicht van een BIG-geregistreerde tandarts te werken, die niet in dezelfde praktijk werkzaam was, maar wel op afroep beschikbaar, tijdens het verrichten van aan een tandarts voorbehouden handelingen. [appellant] voert hiertegen aan dat [woonplaats] wist dat hij enkel onder toezicht van de BIG-geregistreerde tandarts [tandarts 1] de aan tandartsen voorbehouden handelingen mocht verrichten en dat hij door deze handelingen niet enkel ‘in het bijzijn’ van de BIG-geregistreerde tandarts [tandarts 1] uit te voeren onrechtmatig heeft gehandeld.

Grief II richt zich enerzijds tegen het oordeel van de rechtbank in 4.8 van het bestreden vonnis dat niet gesteld, noch gebleken is dat [appellant] ter zake een vordering tegen Nirway heeft ingesteld. Anderzijds komt [appellant] met grief II op tegen het oordeel van de rechtbank in 4.9 van het bestreden vonnis dat [woonplaats] als bestuurder niet zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem een persoonlijk verwijt valt te maken.

6. Het hof zal eerst ingaan op het eerste deel van grief II dat zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gesteld, noch gebleken is dat [appellant] ter zake van de huurverplichtingen een vordering heeft ingesteld tegen Nirway. Ter toelichting op de grief voert [appellant] aan dat hij wel degelijk een vordering tegen [woonplaats] heeft ingesteld onder verwijzing naar de producties 5 en 12 bij de dagvaarding in eerste aanleg. De grief miskent echter dat niet [woonplaats] maar Nirway de contractuele wederpartij van [appellant] is zodat niet [woonplaats] maar Nirway tot nakoming van de huurverplichtingen gehouden is. Dit deel van grief II is derhalve tevergeefs voorgesteld.

7. De overige grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen van [woonplaats] jegens [appellant].

8. Het gaat in deze zaak om de vraag of sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof neemt als uitgangspunt voor de beoordeling van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder de overwegingen die zijn neergelegd in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (NJ 2015/22 (RCI Financial Services)). In dat arrest is uitgemaakt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade en dat slechts onder bijzondere omstandigheden naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte is voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van de bestuurder is vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er gelden voor aansprakelijkheid van een bestuurder aldus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Naast deze algemene uitgangspunten hanteert het hof de maatstaf uit HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen)). Ingevolge dit arrest geldt als maatstaf voor onrechtmatig handelen door een bestuurder van een vennootschap bij benadeling van een schuldeiser van die vennootschap door het onbetaald blijven van diens vordering, of het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

9. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat Nirway over de periode van oktober 2011 tot en met augustus 2012 geen huur aan [appellant] heeft betaald en in zoverre haar verplichtingen onder de huurovereenkomst jegens [appellant] niet is nagekomen. De vraag ligt dan ook voor of [woonplaats] als bestuurder van Nirway, doordat Nirway niet aan genoemde verplichtingen onder de huurovereenkomst heeft voldaan, zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens verhuurder [appellant] dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken.

10. [appellant] legt aan zijn vordering de volgende feitelijke verwijten ten grondslag. [woonplaats] heeft bewust het risico genomen dat de Inspectie over zou gaan tot het sluiten van de praktijk, hetgeen op 6 juli 2011 ook is geschied, en hetgeen tot gevolg heeft gehad dat hij (namens Nirway, zo begrijpt het hof) de huur in strijd met de huurovereenkomst heeft opgezegd. [appellant] stelt daartoe dat [woonplaats] wist dat hij enkel en alleen onder toezicht van een BIG-geregistreerde tandarts de aan tandartsen voorbehouden handelingen mocht uitvoeren en dat hij ondanks deze bekendheid en diverse inspectiebezoeken en waarschuwingen van de Inspectie, moedwillig meerdere malen onbevoegd zelfstandig de aan tandartsen voorbehouden handelingen heeft verricht. Indien [woonplaats] zorgvuldig (en volgens de wet) had gehandeld, was er volgens [appellant] geen sprake geweest van enige negatieve publiciteit en terugloop van het klantenbestand.

11. [woonplaats] heeft bij wege van verweer hiertegen gemotiveerd aangevoerd dat hij tot het bezoek van de Inspectie in 2010 in de veronderstelling verkeerde dat hij de supervisie door een BIG-geregistreerde tandarts, te weten [tandarts 1], had geregeld conform de vereisten van de Inspectie. Toen de Inspectie op 22 september 2010 bepaalde dat de supervisor continu aanwezig diende te zijn, heeft [woonplaats] direct maatregelen genomen om te voldoen aan de eisen van de Inspectie door tandarts [tandarts 2] in dienst te nemen, die vier dagen per week in de praktijk aanwezig was. De Inspectie heeft vervolgens op 27 oktober 2010, 11 januari 2011, 23 juni 2011 en 6 juli 2011 herhaalbezoeken aan de tandartspraktijk gebracht om te controleren of de praktijk voldeed aan de voorwaarden van verantwoorde zorg. Dat was steeds het geval, behalve op 6 juli 2011. De Inspectie heeft toen bevolen de praktijk per 8 juli 2011 te sluiten. Nirway heeft daarop de tandartspraktijk definitief gesloten, het patiëntenbestand verkocht en de huurovereenkomst opgezegd.

12. [appellant] heeft deze feitelijke gang van zaken niet gemotiveerd betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid ervan. Uit die feitelijke gang van zaken volgt dat het voor [woonplaats] niet onmogelijk was om bevoegd een tandartspraktijk te voeren. Op voorhand behoefde voor hem dus ook niet te voorzien te zijn dat Nirway haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Dat [woonplaats] moedwillig meerdere malen onbevoegd de aan een tandarts voorbehouden handelingen heeft verricht, volgt uit die feitelijke gang van zaken evenmin en deze stelling is overigens ook door [appellant] niet onderbouwd. [appellant] heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat [woonplaats] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook als [woonplaats] er rekening mee had behoren te houden dat de constatering van de Inspectie op 6 juli 2011 dat hij onbevoegd een voorbehouden handeling verrichtte ertoe zou leiden dat de praktijk voor korte tijd gesloten werd, behoefde dat nog niet zonder meer ertoe te leiden dat Nirway haar huurverplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. Dat [woonplaats] als bestuurder van Nirway toen heeft besloten om de tandartspraktijk te sluiten, het patiëntenbestand te verkopen en de huur op te zeggen is een ondernemersbeslissing die volgens het hof niet onbegrijpelijk is, laat staan onrechtmatig. [appellant] heeft immers niet voldoende gemotiveerd weersproken dat de eerdere sluiting negatieve publiciteit en terugloop van het klantenbestand meebracht en heeft evenmin weersproken dat het, mede in het licht van de hoge kosten van de praktijk, niet onbegrijpelijk was dat [woonplaats] de praktijk wilde verkopen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat onbetwist is dat [woonplaats] na de eerdere sluiting in september 2010 heeft geprobeerd om de tandartspraktijk te verkopen met overname van de gehuurde praktijkruimte. Dat dat niet gelukt is en de onderneming vervolgens in juli 2011 is gestaakt waardoor Nirway niet langer aan haar verplichtingen onder de huurovereenkomst kon voldoen, levert weliswaar wanprestatie van Nirway op maar maakt niet dat [woonplaats] als bestuurder van Nirway op deze punten een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

13. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [woonplaats] als bestuurder van Nirway niet zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [appellant] dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor zover [appellant] met grief I beoogt aan de orde te stellen dat [woonplaats] vanaf het begin wist dat hij enkel en alleen onder toezicht in de zin van ‘in het bijzijn’ van een BIG-geregistreerde tandarts, de aan tandartsen voorbehouden handelingen mocht uitvoeren, constateert het hof dat [woonplaats] deze stelling gemotiveerd heeft betwist en dat ook overigens [appellant] deze stelling onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Voor zover [appellant] in grief II tot slot beoogt te stellen dat [woonplaats] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat [appellant] de als tandartspraktijk ingerichte ruimte niet heeft kunnen verkopen, is, mede in het licht van het bovenstaande, ook op dit punt uit de stellingen van [appellant] niet af te leiden waarom [woonplaats] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof voegt daaraan toe dat de door [appellant] gevorderde schade uitsluitend is gerelateerd aan de misgelopen huuropbrengsten en dat de gestelde problemen bij de verkoop van de praktijkruimte door [appellant] op geen enkele wijze zijn onderbouwd.

14. Het bovenstaande betekent dat de grieven falen en dat de in hoger beroep geformuleerde vordering moet worden afgewezen. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Het algemene bewijsaanbod van [appellant] dient te worden gepasseerd nu het niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 januari 2015;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [woonplaats] tot op heden begroot op € 711,- aan griffierecht en € 2.316,- aan kosten advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, M.P.J. Ruijpers en G.C. de Heer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.