Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:314

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
200.188.369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.188.369/01

Rolnummer rechtbank : 3840102 RL EXPL 15-3786

arrest van 17 januari 2017

inzake

[appellant] ,

handelende onder de naam [naam 1] Advies,

wonende te [woonplaats 1] en kantoorhoudende te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. D. Roesink te Naarden,

tegen

[naam 2] Housing B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [naam 2] Housing,

advocaat: mr. E. van Engelen te Den Haag.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 26 april 2016 wordt verwezen naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bevolen. [appellant] heeft ter roldatum van 26 mei 2016 een memorie van grieven met producties ingediend. Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven opgeworpen. De comparitie is gehouden op 12 juli 2016 en bij die gelegenheid heeft [naam 2] Housing een memorie van antwoord met een productie genomen waarin de grieven zijn bestreden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is arrest bepaald.

De beoordeling

1.1.

Tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. In deze zaak gaat het om het volgende.

1.2.

[appellant] houdt zich onder meer bezig met het adviseren, uitvoeren, implementeren en beheren van computersystemen.

1.3.

[naam 2] Housing is een onderneming die zich richt op het vervaardigen van vastgoedpresentaties. Haar activiteiten bestaan voornamelijk uit het inmeten van woningen, het opstellen van plattegronden van woningen en het fotograferen van vastgoed.

1.4.

Sinds 2008 zijn [naam directeur] (directeur van [naam 2] Housing), hierna: [naam directeur] , en [appellant] bevriend. In 2012 zijn [naam directeur] en [appellant] gaan samenwerken binnen de vennootschap onder firma Energielabel Haaglanden. Op 11 februari 2013 is Energielabel Haaglanden B.V., hierna: Energielabel Haaglanden, opgericht. Velinvest B.V. (waarvan [naam directeur] bestuurder is) en Doejos Invest B.V. (waarvan [appellant] bestuurder is) hielden 55% respectievelijk 45% van de aandelen in het kapitaal van Energielabel Haaglanden. [naam 2] Housing is een dochteronderneming van Velinvest B.V..

1.5.

Energielabel Haaglanden hield zich bezig met het verzorgen van energielabels voor vastgoed. [naam 2] Housing en Energielabel Haaglanden boden gezamenlijk diensten aan en waren gevestigd in hetzelfde pand. De bedrijven deelden faciliteiten zoals printers, koffiezetapparaat en telefoon. [appellant] ontving voor zijn werkzaamheden voor Energielabel Haaglanden een management fee van € 1.250,00 per maand.

1.6.

In de door [appellant] overgelegde e-mail- en chatberichten staat onder meer:

Een e-mail van 4 april 2012 van [naam directeur] aan [appellant] :

“Dus zou jij je creatieve geest over het A4 document willen laten schijnen?

(…)

Kan jij een opzet maken?”

Een e-mail van [naam directeur] aan [betrokkene 1] van 13 november 2012:

“Thanks, ik laat [naam 1] er even naar loeren”

Een chatbericht van 21 januari 2013 van [naam directeur] aan [appellant] :

“Mail doet het hier niet en heb beperkte toegang tot internet. Zet um op , want dat doe ik ook !”

Een chatbericht van 8 april 2013 van [naam directeur] aan [appellant] :

“Relaxed dat je het wil regelen!”

Een chatbericht van 19 juli 2013 van [naam directeur] aan [appellant] :

“ [naam 1] , kan je er nog een h tussen frotten dit weekend bij esthetiek?”

Een chatbericht van [naam directeur] aan [appellant] van 9 januari 2014:

“Hey [naam 1] lukt het met de printer(s)?

Welk netwerk wachtwoord moet ik daarbij gebruiken?”

Een chatberichten zonder datum van [naam directeur] aan [appellant] :

“Router doet het? Thanks”

“Poorten ellende”

“Volgens mij doet ie ut”

“Maestro, weet jij het wachtwoord toevallig zo uit je hoofd van de agendazuidwerflaan@gmail? Ik heb alles geprobeerd, maar ik kom mijn agenda niet meer in ……”

Een chatbericht zonder datum van [appellant] aan [naam directeur] :

“Het lukt, inmiddels www.alexhousing werkend, zonder toevoeging nog niet en mail doe ik straks nog ff”

Een e-mail van [naam directeur] aan [appellant] (e-mailadres [naam 1] @energielabelhaaglanden.nl) van 21 januari 2014 met als onderwerp: “Fwd: Welkom bij Nuon: mogen wij uw meterstanden ontvangen?”:

“Is dat geregeld”

Een e-mail van 25 april 2014 van [naam directeur] aan [appellant] :

“Ik kan niet mailen naar [...] … Kun jij er even naar kijken?”

Een e-mail van 20 juni 2014 van [naam directeur] aan [appellant] :

“Zou je dit programma misschien kunnen downloaden?”

Een e-mail van 25 juli 2014 van [betrokkene 2] van [naam 2] Housing aan [appellant] (gericht aan het e-mailadres van Energielabel Haaglanden):

“We komen niet meer in het archief van 2014 kan ik iets resetten wat er na gisteren aangepast/veranderd is?”

1.7.

In de zomer van 2014 heeft [naam directeur] de samenwerking met [appellant] beëindigd. Met betrekking tot de afwikkeling van de samenwerking in Energielabel Haaglanden hebben Velinvest B.V. en Doejos Invest B.V. op 29 augustus 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Tegen een in termijnen te betalen koopprijs van € 35.000,00 heeft Velinvest B.V. de aandelen in Energielabel Haaglanden aan Doejos Invest B.V. geleverd op 3 september 2014. Het eerste deel van de koopsom (een bedrag van € 17.500,00) is bij de levering van de aandelen voldaan. Voor het resterende deel van € 17.500,00 is een betalingsregeling getroffen, waarvoor [appellant] zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld.

1.8.

Op 4 augustus 2014 heeft [appellant] aan [naam 2] Housing een factuur gestuurd voor een bedrag van € 17.968,50. De factuur heeft betrekking op “afgesproken werkzaamheden ICT à € 75,00 per uur”. [naam 2] Housing heeft deze factuur niet betaald.

2.1.

[appellant] heeft [naam 2] Housing gedagvaard en heeft daarbij – kort samengevat – gevorderd betaling van een bedrag van € 17.968,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten met wettelijke rente.

2.2.

Bij vonnis van 8 oktober 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. De kantonrechter heeft aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat niet gebleken is dat [appellant] en [naam 2] Housing naast het - op samenwerking met [naam 2] Housing gerichte - werk in het kader van Energielabel Haaglanden, een overeenkomst van opdracht hebben gesloten op grond waarvan [naam 2] Housing aan [appellant] loon verschuldigd is.

3.1.

De grieven 1 tot en met 7 hebben betrekking op rechtsoverweging 5.3 van het bestreden vonnis. Met deze grieven voert [appellant] het volgende aan. Anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, is er wel een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen hem en [naam 2] Housing. [naam 2] Housing heeft niet ontkend dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht. [appellant] installeerde niet alleen een computer maar deed het gehele onderhoud, fungeerde als vraagbaak, deed de ondersteuning en loste problemen op. Deze werkzaamheden (waarvoor hij de door [naam 2] Housing niet betaalde factuur heeft verstuurd) heeft [appellant] niet verricht in het kader van het gezamenlijk bedrijf Energielabel Haaglanden. Energielabel Haaglanden en [naam 2] Housing werkten complementair. Er was geen sprake van enige verwevenheid dan wel vereenzelviging. De management fee die [appellant] ontving van Energie Haaglanden was niet voldoende om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Daarnaast deed [appellant] ICT-werk ten behoeve van [naam 2] Housing en derden. Deze werkzaamheden zijn door [naam 2] Housing geaccepteerd.

3.2.

De grieven lenen zich voor gezamenlijk behandeling. Cruciaal is de vraag of tussen [appellant] en [naam 2] Housing een overeenkomst van opdracht met betrekking tot het tegen betaling verrichten van de ICT-werkzaamheden tot stand is gekomen, hetgeen [appellant] stelt doch [naam 2] Housing betwist. Voorop gesteld wordt dat op grond van de verklaringen en gedragingen van partijen (mede in het licht van de overige omstandigheden, beschouwd vanuit wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is) zal moeten worden bepaald of is beoogd dat hetgeen partijen hebben besproken en afgesproken rechtsgevolgen heeft.

3.3.

Om te kunnen oordelen dat partijen bedoeld hebben een juridische binding tot stand te brengen, had het op de weg van [appellant] – op wie de stelplicht en bewijslast ligt – gelegen om ten minste aan te voeren wat er (al dan niet in algemene zin) met [naam 2] Housing was afgesproken over de aard, de omvang, de prijs en/of de frequentie van de te verrichten ICT-werkzaamheden. Hiertoe heeft [appellant] echter niets gesteld. Uit de door [appellant] in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie en chatberichten kan naar het oordeel van het hof hooguit worden afgeleid dat [appellant] op ad hoc basis bijsprong bij het oplossen van praktische problemen op ICT-gebied van [naam 2] Housing als dat op dat moment nodig of wenselijk was. Dit is onvoldoende – mede gezien de vriendschappelijke relatie die partijen op dat moment nog hadden – om te kunnen oordelen dat [appellant] zich als opdrachtnemer jegens [naam 2] Housing als opdrachtgever verbonden heeft om tegen betaling ICT-werkzaamheden te verrichten. Ook in hoger beroep produceert [appellant] geen bewijs van het bestaan van een overeenkomst van opdracht. De overgelegde urenstaat is niet voldoende: het bewijst niet dat dit werkzaamheden zijn die [appellant] in opdracht en ten behoeve van [naam 2] Housing heeft uitgevoerd en dat het de bedoeling van partijen was juridische verplichtingen aan te gaan. [appellant] heeft in appel ook geen bewijsaanbod gedaan. Voorts blijkt nergens uit dat [naam 2] Housing [appellant] instructies gaf die hij moest opvolgen (artikel 7:402 BW), en dat [appellant] rekening en verantwoording schuldig was (artikel 7:403 lid 2 BW).

3.4.

Het is juist, zoals [appellant] heeft betoogd, dat [naam 2] Housing niet heeft betwist dat [appellant] ICT-werkzaamheden heeft verricht. [naam 2] Housing heeft echter ontkend dat zij hiertoe opdracht heeft gegeven en dat zij daarvoor loon verschuldigd is. [appellant] heeft vervolgens nagelaten nader te onderbouwen dat deze werkzaamheden wèl in opdracht van [naam 2] Housing en anders dan als een vriendendienst zijn verricht. Het hof merkt daarbij op dat het zonder toelichting, die ontbreekt, bevreemdt dat [appellant] eerst na het einde van hun samenwerkingsverband (zomer 2014) betaling claimt van verrichte werkzaamheden in de periode december 2012 – juli 2014. Voor zover [appellant] ICT-werkzaamheden ten behoeve van Energielabel Haaglanden heeft verricht, dan kan hij op grond daarvan evenmin betaling vorderen want hij ontving daarvoor juist een management fee en gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] los van deze management fee loon in rekening kon en mocht brengen voor deze werkzaamheden, laat staan dat zij zijn overeengekomen dat dit loon in rekening kon worden gebracht aan [naam 2] Housing. Dat deze fee onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien is het gevolg van een door hem gemaakte keuze en derhalve een ondernemingsrisico. De grieven falen.

3.5.

Grief 8 heeft betrekking op de proceskostenveroordeling. Deze grief faalt eveneens nu de kantonrechter terecht de vorderingen van [appellant] heeft afgewezen.

3.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, zoals hierna in het dictum is bepaald en begroot.

Beslissing

Het hof

- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 8 oktober 2015;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [naam 2] Housing bepaald op een bedrag van € 1.957,00 aan griffierecht en een bedrag van

€ 2.316,00 aan kosten advocaat;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.G. Lautenbach, J.J. van der Helm en M.P.J. Ruijpers is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.