Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:311

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
22-000435-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2007, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 225 en 47 Sr. (Medeplegen) valsheid in geschrift – bewijsbestemming.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het achteraf (laten) opnemen van een aantal afspraken in haar digitale agenda, terwijl deze afspraken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de gepleegde feiten was de verdachte werkzaam als algemeen directeur/bestuursvoorzitter van het COA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000435-16

Parketnummer: 09-767233-13

Datum uitspraak: 14 februari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1965,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 december 2016 en 17 en 31 januari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 20 september 2011

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen,

negen, althans een of meer, (agenda)afspraken in een digitale agenda,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk de volgende afspraken in haar digitale agenda gezet:

- een werkbezoek cluster Friesland incl. lunch dd. 23 april 2011 en/of

- een werkbezoek Gelderland incl. lunch dd. 18 juni 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Drenthe & Overijssel incl. lunch dd. 19 maart 2011 en/of

- een werkbezoek Flevoland & Noord-Holland incl. lunch dd. 21 mei 2011 en/of

- een werkbezoek Limburg incl. lunch dd. 19 februari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Utrecht dd. 22 januari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Alkmaar dd. 3 juli 2011 en/of

- een lunchafspraak met Peter van Driel dd. 9 mei 2010 en/of

- een werkbezoek Cluster Dronten dd. 11 juni 2011,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair:
[getuige A] en/of [getuige B]

in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 20 september 2011

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen,

negen, althans een of meer, (agenda)afspraken in een digitale agenda,

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben die [getuige A] en/of [getuige B] en/of zijn/haar/hun mededaders(n) toen en daar (telkens) valselijk de volgende afspraken in de digitale agenda van verdachte gezet:

- een werkbezoek cluster Friesland incl. lunch dd. 23 april 2011 en/of

- een werkbezoek Gelderland incl. lunch dd. 18 juni 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Drenthe & Overijssel incl. lunch dd. 19 maart 2011 en/of

- een werkbezoek Flevoland & Noord-Holland incl. lunch dd. 21 mei 2011 en/of

- een werkbezoek Limburg incl. lunch dd. 19 februari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Utrecht dd. 22 januari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Alkmaar dd. 3 juli 2011 en/of

- een lunchafspraak met Peter van Driel dd. 9 mei 2010 en/of

- een werkbezoek Cluster Dronten dd. 11 juni 2011,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 20 september 2011

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

door misbruik van gezagen/of misleiding en/of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt,

immers heeft verdachte die [getuige A] en/of [getuige B]

- een opdracht gegeven tot het valselijk opnemen van bovengenoemde afspraken in verdachtes digitale agenda (rondom de tijdstippen van in het weekend begane verkeersovertredingen met de dienstauto) en/of

- informatie verstrekt met betrekking tot die valse/te vervalsen afspraken (te weten locaties en/of data en/of aard van de bezoeken),

terwijl verdachte toen aldaar de functie van algemeen directeur van het Centraal Orgaan Asielzoekers bekleedde en/of

die [getuige A] toen aldaar de functie van verdachtes directiesecretaresse bekleedde en/of

die [getuige B] toen aldaar de functie van verdachtes chauffeur bekleedde.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 20 september 2011

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen,

negen, althans een of meer, (agenda)afspraken in een digitale agenda,

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk de volgende afspraken in haar digitale agenda gezet:

- een werkbezoek cluster Friesland incl. lunch dd. 23 april 2011 en/of

- een werkbezoek Gelderland incl. lunch dd. 18 juni 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Drenthe & Overijssel incl. lunch dd. 19 maart 2011 en/of

- een werkbezoek Flevoland & Noord-Holland incl. lunch dd. 21 mei 2011 en/of

- een werkbezoek Limburg incl. lunch dd. 19 februari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Utrecht dd. 22 januari 2011 en/of

- een werkbezoek cluster Alkmaar dd. 3 juli 2011 en/of

- een lunchafspraak met Peter van Driel dd. 9 mei 2010 en/of

- een werkbezoek Cluster Dronten dd. 11 juni 2011,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte, overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen, gesteld dat de verdachte van het (primair en subsidiair) ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe voert de raadsvrouw –kort weergegeven- aan dat (1) de door haar cliënte gebruikte digitale agenda een bewijsbestemming ontbeert, (2) bij de verdachte het oogmerk ontbrak om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of doen gebruiken en (3) de verklaringen van de chauffeur en de secretaresse van de verdachte onvoldoende betrouwbaar zijn, zodat voldoende betrouwbaar en overtuigend bewijs ontbreekt.

Getuigenverklaringen [getuige B] en [getuige A]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de chauffeur van de verdachte, [getuige B], (hierna: [getuige B]) en de secretaresse van de verdachte, [getuige A], (hierna: [getuige A]) afgelegde verklaringen van het bewijs behoren te worden uitgesloten, nu deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn. Zij wijst erop dat de verklaringen onderling inconsistent zijn, terwijl de verklaring van [getuige B] bovendien discrepanties vertoont met die van [betrokkene 1], de latere interim bestuurder van het COA.

Het hof overweegt hierover als volgt.

In het dossier bevinden zich schriftelijke verklaringen van [getuige A] en [getuige B]. Deze verklaringen zijn afgelegd ten overstaan van medewerkers van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann), op 21 februari 2012 door [getuige A] en op 21 en 29 februari door [getuige B]. De verklaringen zijn, elk afzonderlijk, door [getuige A] en [getuige B] ondertekend. In het kader van civiele procedures bij de rechtbank Den Haag tussen de verdachte en het COA zijn [getuige B] en [getuige A] voorts op 2 en 5 september 2013 onder ede door de rechter-commissaris respectievelijk de kantonrechter als getuigen gehoord. Zij hebben beiden toen uitdrukkelijk verklaard te blijven bij hun verklaringen zoals afgelegd ten overstaan van Hoffmann. Naar het oordeel van het hof zijn de door [getuige A] en [getuige B] afgelegde verklaringen op hoofdlijnen consistent en ondersteunen zij elkaar over en weer voor wat betreft het belangrijkste gegeven, namelijk dat de bewezen verklaarde, door [getuige A] ingevoerde (agenda)afspraken valselijk in de digitale agenda van de verdachte zijn gezet in opdracht van de verdachte. In de door de verdediging genoemde discrepanties ziet het hof geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van (dit onderdeel van) de verklaringen van de getuigen [getuige B] en [getuige A] te twijfelen, nog daargelaten dat uit niets is gebleken dat de beide getuigen met (hun verklaringen omtrent) de achteraf doorgevoerde agendawijzigingen enig eigen belang zouden hebben gediend. Anders dan de verdediging gaat het hof er, op grond van hetgeen in het Rapport Hoffman op de pagina’s 13 en 14 en in bijlage 8 is vermeld, verder van uit dat [getuige A], die met betrekking tot de digitale agenda van de verdachte lees- en wijzigingsbevoegd was, de in de tenlastelegging genoemde afspraken in de elektronische agenda heeft doorgevoerd op 13 en 20 september 2011. Dat enkele van deze afspraken op een later tijdstip nogmaals zijn ingezien (althans dat de desbetreffende bestanden nadien nogmaals zijn geopend), kan daaraan niet afdoen. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsbestemming

Een geschrift heeft, aldus de Hoge Raad, een bewijsbestemming als er in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit aan wordt toegekend.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte de dienstauto in de periode vóór september 2011 zowel gebruikte voor zakelijke, als voor privédoeleinden en voorts dat in die periode sprake is geweest van meerdere verkeersovertredingen waarvoor boetes moesten worden betaald. Die bekeuringen gingen volgens afspraak naar het secretariaat. De boetes die in diensttijd werden opgelopen werden betaald door het COA. De verdachte heeft verklaard dat zij de boetes die werden opgelopen in het kader van privégebruik van de dienstauto altijd zelf betaalde. Op de vraag hoe haar secretaresse wist wanneer sprake was van een zakelijke, dan wel privé opgelopen boete heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg geantwoord: “Dit bleek dan uit mijn agenda”. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daaraan toegevoegd dat haar digitale agenda de enige agenda was die zij gebruikte.

Naar het oordeel van het hof vloeit hieruit voort dat de digitale agenda van de verdachte jegens (in elk geval) haar secretaresse een bewijsbestemming had in de zin dat daaraan betekenis voor het bewijs van enig feit toekwam. Immers, de secretaresse van de verdachte leidde uit die agenda af of de verkeersboetes in het kader van zakelijk of in het kader van privé gebruik van de dienstauto waren opgelopen en dus door het COA of door de verdachte zelf moesten worden betaald. Daarbij komt dat de verdachte, ten bewijze van de juistheid van de door haar gegeven antwoorden op vragen over haar privé gebruik van de dienstauto, ook ten overstaan van de Commissie Scheltema (tot tweemaal toe) heeft verwezen naar haar digitale agenda. Aldus gaf de verdachte aan haar digitale agenda een bewijsbestemming in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Oogmerk

Het hof acht bewezen dat [getuige A] in de digitale agenda van de verdachte achteraf werkbezoeken en een afspraak heeft doorgevoerd die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden en voorts dat [getuige A] dat heeft gedaan in opdracht van de verdachte. Nu de verdachte het verzoek daartoe deed rondom de nieuwsuitzending van de NOS, waarin onder andere het privé gebruik van de dienstauto ter discussie werd gesteld, terwijl zij later tegenover de Commissie Scheltema heeft verklaard dat op dit punt haar digitale agenda zou kunnen worden geraadpleegd, is het hof van oordeel dat de verdachte ook het oogmerk heeft gehad op het gebruiken of het doen gebruiken van haar digitale agenda als ware deze echt en onvervalst.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het achteraf (laten) opnemen van een aantal afspraken in haar digitale agenda, terwijl deze afspraken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de gepleegde feiten was de verdachte werkzaam als algemeen directeur/bestuursvoorzitter van het COA. In die hoedanigheid had de verdachte een voorbeeldfunctie en mochten aan haar handelen hoge eisen worden gesteld. Nu het ging om een publieke functie diende haar integriteit boven iedere twijfel te zijn verheven. De verdachte heeft met haar handelwijze het vertrouwen dat burgers in hoge functionarissen binnen het (semi-)openbaar bestuur moeten kunnen hebben, ernstig geschaad.

Het hof neemt het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat zij in dit kader vanuit haar machtspositie haar secretaresse en, zij het indirect, ook haar chauffeur bij deze feiten betrokken heeft.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof houdt er bij het bepalen van de straf rekening mee dat de verdachte rondom haar persoon reeds veel negatieve publiciteit heeft ondervonden. Voorts heeft het hof gelet op het tijdsverloop sinds het plegen van het feit. Daarom zal het hof een lagere straf opleggen dan door de rechtbank is opgelegd.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof, gelet op de geringe kans op recidive, geen toegevoegde waarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. H. van den Hove.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 februari 2017.