Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3097

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
200.127.199/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van een paard, non-conformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.127.199/01

Rolnummer rechtbank: 283058 CV EXPL 11-5832

Arrest van 7 november 2017

in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

tegen

Westrade Stables B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Westrade,

advocaat: onttrokken (voorheen: mr. S.A. Wensing te Coevorden).

Het verdere verloop van het geding

1. Voor het procesverloop tot 7 februari 2017 wordt verwezen naar het arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bevolen. Een dag voor de comparitie heeft de advocaat van Westrade zich onttrokken. Ter zitting is niemand voor Westrade verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De zaak is vervolgens twee weken aangehouden voor het stellen van een advocaat voor Westrade. Er heeft zich daarna geen advocaat voor Westrade gesteld. [appellant] heeft vervolgens gefourneerd en arrest gevraagd, waarna arrest is bepaald.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

2. In het tussenarrest van 7 februari 2017 is het hof tot de slotsom gekomen dat alle grieven van [appellant] slagen, dat de bestreden vonnissen vernietigd moeten worden en dat toewijsbaar zijn diens vorderingen:

- te verklaren voor recht dat [appellant] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden;

- Westrade te veroordelen tot restitutie van de koopsom van € 30.000,-;

- Westrade te gebieden Barney Hill bij [appellant] op te halen op straffe van een dwangsom;

- Westrade te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

- Westrade te veroordelen tot restitutie van de proceskosten van de eerste aanleg;

- Westrade te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3. Ten aanzien van de vordering van [appellant] tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en een voorschot daarop heeft het hof in het tussenarrest van 7 februari 2017 overwogen dat [appellant] inmiddels in staat moest worden geacht zijn schade te begroten en heeft het hof, om een schadestaatprocedure te voorkomen en om een schikking te kunnen beproeven, een comparitie van partijen gelast. In de aanloop naar de comparitie heeft [appellant] een overzicht van de door hem gestelde schade en, ter onderbouwing daarvan, nog enkele producties overlegd. Het overzicht bevat de volgende posten:

- veterinaire keuring: € 700,-;

- dierenartskosten: NIS 14.085,-;

- stallings- en verzorgingskosten: NIS 41.385,-;

- kosten quarantaine: NIS 2.299,62;

- verzekeringskosten: NIS 2.552,-;

- transportkosten: € 500,- en NIS 700,-;

- deskundigenkosten: € 1.050,84;

- vertaalkosten: € 1.479,17;

- tolkkosten: € 611,46.

4. Westrade is niet ter comparitie verschenen en heeft de gestelde schadeposten ook anderszins niet bestreden. Voor zover de schade ziet op kosten tot behoud van Barney Hill (dierenartskosten, stallings- en verzorgingskosten, kosten quarantaine en verzekeringskosten) is de vordering tot vergoeding daarvan toewijsbaar op grond van artikel 6:275 jo. 3:120 lid 2 BW. De vordering tot vergoeding van de overige in het overzicht genoemde kosten is toewijsbaar op grond van artikel 6:74 lid 1 en 6:96 lid 1 en lid 2 sub b en c BW nu Westrade slechts heeft gesteld dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend (conclusie van antwoord, nrs. 41-42), maar die stelling niet heeft voorzien van enige feitelijke onderbouwing. [appellant] zal derhalve worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.341,47 en NIS 61.021,62 (zijnde ongeveer € 14.750,-). Het hof merkt daarbij nog op dat [appellant] in de appeldagvaarding (petitum nr. 4) wel maar in de memorie van grieven (petitum nr. 5) geen wettelijke rente heeft gevorderd over de concrete schadebedragen. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] geen afstand van zijn vordering tot vergoeding van wettelijke rente heeft willen doen aangezien niets erop wijst dat een eisvermindering in de memorie van grieven is beoogd, te meer nu voor de niet in de memorie van grieven begrote schade verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevorderd en [appellant] in die procedure alsnog de wettelijke rente had kunnen vorderen. Het hof acht de door [appellant] in zijn petitum opgenomen termijnen te kort en zal de vorderingen daarom toewijzen als hieronder vermeld. Aangezien het hof in dit arrest de door [appellant] geleden schade vaststelt, bestaat er geen belang meer bij de onder 4 van het petitum van de memorie van grieven gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure.

5. [appellant] heeft voorts nog voor de comparitie twee e-mails van zijn vader de heer Roger [appellant] overgelegd met als omschrijving “de kosten voor de vlucht naar Nederland en de kosten voor het hotel in verband met de comparitie”. Ter zitting is [appellant] zelf niet verschenen, wel zijn ouders als gemachtigden om hem te vertegenwoordigen. Kennelijk zien de e‑mails op de kosten die zijn ouders hebben gemaakt voor de reis- en verblijfkosten om de comparitie bij te wonen. [appellant] heeft echter niet toegelicht op welke grond Westrade aansprakelijk is voor deze kosten. Deze kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de vonnissen van 12 april 2012, 27 september 2012 en 14 februari 2013;

en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat [appellant] op 26 november 2010 de ter zake Barney Hill tot stand gekomen koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden;

- veroordeelt Westrade om binnen twee weken na betekening van dit arrest tegen voldoende bewijs van kwijting aan [appellant] de voor Barney Hill betaalde koopsom van € 30.000,- te restitueren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2010;

- gebiedt Westrade om binnen een maand na ontvangst van de koopsom door [appellant] en de daaraan voorafgaande betekening van dit arrest Barney Hill bij [appellant] op te halen en weer in bezit te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat Westrade in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 30.000,-;

- veroordeelt Westrade om binnen twee weken na betekening van dit arrest tegen voldoende bewijs van kwijting aan [appellant] € 4.341,47 en NIS 61.021,62 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is geleden;

- veroordeelt Westrade in de buitengerechtelijke kosten van € 1.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de betekening van dit arrest;

- veroordeelt Westrade om binnen twee weken na betekening van dit arrest al hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van 14 februari 2013 aan Westrade heeft voldaan, te restitueren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellant] ;

- veroordeelt Westrade in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op 14 februari 2013 aan de zijde van [appellant] bepaald op € 101,81 aan kosten voor de deurwaarder, € 426,- aan griffierecht, € 3.500 aan kosten voor de deskundige en op € 2.400,- aan salaris voor de advocaat;

- veroordeelt Westrade in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] bepaald op € 106,13 aan kosten voor de deurwaarder, € 683,- aan griffierecht, op € 6.524,- aan salaris voor de advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, te verhogen met € 68,- indien dit arrest wordt betekend;

- veroordeelt Westrade tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep vanaf twee weken na betekening van dit arrest;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Kalden, J.E.H.M. Pinckaers en J.J. van der Helm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.