Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:3095

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
22-001766-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een grote hoeveelheid fietsen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een auto en een poging tot diefstal van een fiets.

Een beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Het hof legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001766-17

Parketnummers: 10-811373-16 en 10-731277-13 (TUL)

Datum uitspraak: 25 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1980,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Huis van Bewaring “De Schie”, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 11 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte partieel vrijgesproken van onder meer het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde (te weten de diefstal van fietsen van respectievelijk [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2], de diefstal van een jas en werkschoenen uit een Opel Astra en de diefstal van een navigatiemodule uit een Mercedes) en ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd als vermeld in het vonnis. Tevens is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2016 tot en met 21 november 2016 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland meermalen, telkens, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 15, althans een (grote) hoeveelheid fietsen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

- [ benadeelde partij 1]en/of

- [ benadeelde partij 2] en/of

- [ benadeelde partij 3] en/of

- [ benadeelde partij 4] en/of

- [ benadeelde partij 5] en/of

- [ benadeelde partij 6] en/of

- [ benadeelde partij 7] en/of

- [ benadeelde partij 8] en/of

- [ benadeelde partij 9] en/of

- [ benadeelde partij 10] en/of

- [ benadeelde partij 11] en/of

- [ benadeelde partij 12] en/of

- [ benadeelde partij 13] en/of

- [ benadeelde partij 14] en/of

- [ benadeelde partij 15]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen fietsen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2:


hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 26 september 2016 tot en met 21 oktober 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, telkens, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een Opel Astra met kenteken [x] en/of uit een Mercedes met kenteken [x]) heeft weggenomen een jas en/of werkschoenen en/of een navigatiesysteem/module, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 16] en/of [benadeelde partij 17], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goederen onder zijn bereik had gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair:

hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 26 september 2016 tot en met 21 oktober 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een Opel Astra met kenteken [x] en/of uit een Mercedes met kenteken [x]) weg te nemen een jas en/of werkschoenen en/of een navigatiesysteem/module, althans (een) goed(eren) van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 16] en/of [benadeelde partij 17], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak/verbreking, een ruit(en) van die auto('s) heeft geforceerd terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrij(f)(ven) niet is voltooid;

3:

hij op of omstreeks 07 oktober 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 18], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik had gebracht door middel van een valse sleutel door zonder toestemming gebruik te maken van de pinpas van die [benadeelde partij 18];

4:

hij op of omstreeks 01 september 2016 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets (merk Gazelle), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 19] en/of [benadeelde partij 20], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen fiets onder zijn bereik te brengen door middel van braak/verbreking, het slot van voornoemde fiets heeft geforceerd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van de aan hem onder 1 ten laste gelegde diefstallen van fietsen van respectievelijk [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] en de onder

2 primair ten laste gelegde diefstal van een jas en werkschoenen uit een Opel Astra. Nu het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit eveneens ontbreekt in de bewezenverklaring gaat het hof ervan uit dat de rechtbank de verdachte ook heeft vrijgesproken van de ten laste gelegde poging tot diefstal van een jas en werkschoenen uit een Opel Astra.

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven partiële vrijspraken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat deze vordering dient te worden afgewezen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt, in het bijzonder niet met de bewezenverklaring.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde (poging tot) diefstal van een navigatiesysteem heeft gepleegd en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Voorts is het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan eveneens behoort te worden vrijgesproken. Met name kan gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de pinpas gestolen was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2016 tot en met 21 november 2016 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland meermalen, telkens, of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 12, althans een (grote) hoeveelheid fietsen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

- [ benadeelde partij 1]en/of

- [ benadeelde partij 4] en/of

- [ benadeelde partij 6] en/of

- [ benadeelde partij 7] en/of

- [ benadeelde partij 8] en/of

- [ benadeelde partij 9] en/of

- [ benadeelde partij 10] en/of

- [ benadeelde partij 11] en/of

- [ benadeelde partij 12] en/of

- [ benadeelde partij 13] en/of

- [ benadeelde partij 14] en/of

- [ benadeelde partij 15]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen fietsen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2 primair:


hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 20 oktober 2016 tot en met 21 oktober 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, telkens, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit een Opel Astra met kenteken [x] en/of uit een Mercedes met kenteken [x]) heeft weggenomen een jas en/of werkschoenen en/of een navigatiesysteem/module, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 16] en/of [benadeelde partij 17], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen goederen onder zijn bereik had gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4:

hij op of omstreeks 01 september 2016 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een fiets (merk Gazelle), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 19] en/of [benadeelde partij 20], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen fiets onder zijn bereik te brengen door middel van braak/verbreking, het slot van voornoemde fiets heeft geforceerd, het slot van voornoemde fiets heeft getracht te forceren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1, 2 primair en 4 bewezen verklaarde levert op:

1: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking, meermalen gepleegd;

2 primair: diefstal;

4: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig de overgelegde pleitnotitie op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van psychische overmacht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het hof stelt vast dat het dossier wel aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat er bedreigingen hebben plaatsgevonden door [medeverdachte]. Het hof acht echter niet aannemelijk dat deze een zodanige drang tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten opleverden dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte op 13 december 2016 tegenover de politie heeft verklaard (pag. 227 e.v.) dat hij van de opbrengst uit de verkoop van een deel van de fietsen eten, drinken en drugs heeft gekocht, zonder dat hij daarbij melding heeft gemaakt van een rol van [medeverdachte].

Dat de politie in de verklaringen van de verdachte over de fietsendiefstallen niets wilde opnemen over de bedreigingen door [medeverdachte], zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de gedetailleerde inhoud van die verklaringen.

Het hof verwerpt het verweer.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een grote hoeveelheid fietsen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal uit een auto en een poging tot diefstal van een fiets.

Diefstallen en pogingen daartoe zijn ergerlijke feiten. De verdachte heeft met zijn handelen laten blijken geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen van anderen.

Naast financiële schade voor de benadeelden leveren dergelijke feiten ook vaak overlast op.

Rapportages

In het kader van een NIFP-voorgeleidingsconsult is een brief over de verdachte opgesteld, gedateerd 18 januari 2017. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

In de persoonlijkheid van de verdachte worden cluster B trekken (borderline-trekken) geconstateerd.

De verdachte heeft zes verslavingsbehandelingen ondergaan, waaronder vijf vrijwillig. Een motivatie voor behandeling spreekt hier wel uit. Toch is er sprake van externalisatie ten aanzien van de eigen rol in het middelengebruik en de levensloop. Er zijn geen contra-indicaties voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Bouman GGZheeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 februari 2017.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

De verdachte staat vanaf 26 juni 2014 onder toezicht van de reclassering in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel, waarbij hij zich zowel klinisch als ambulant moet laten behandelen in verband met trauma-verwerking en verslavingsproblematiek. Dit toezicht is moeizaam verlopen.

De verdachte heeft een groot deel van de proeftijd - in totaal zestien maanden – vanwege drugssmokkel gedetineerd gezeten in Duitsland.

De verdachte verblijft sinds maart 2016 weer in Nederland. Omdat de verdachte tijdens zijn detentie in Duitsland was gestopt met het gebruik van middelen, werd besloten dat een klinische opname niet (meer) noodzakelijk was. Wel werd met de verdachte afgesproken dat er ingezet zou gaan worden op een plaatsing in een begeleide woonvorm. Het lukte echter niet om deze geïndiceerde zorg op te starten, omdat de verdachte zijn eigen voorwaarden stelde ten aanzien van de plaatsing in een begeleide woonvormen zich niet hield aan gemaakte (meldplicht) afspraken. Zo vond er in het najaar van 2016 een intakegesprek plaats voor een begeleide woonvorm in Halsteren (GGZ West Noord Brabant). De verdachte werd geaccepteerd voor plaatsing, maar zei dat hij niet in een woongroep wilde wonen. Derhalve werd het aanmeldings-traject uiteindelijk stopgezet. Daarnaast werd de verdachte een aantal malen uitgenodigd voor het starten van ambulante behandeling bij de forensische polikliniek van stichting Palier, maar hij verscheen vervolgens niet op de intakegesprekken. De behandeling is nog niet gestart.

Omdat de ambulante behandeling niet werd gestart, was er onvoldoende zicht op het middelengebruik van de verdachte. In de loop van 2016 kreeg de toezichthouder van de verdachte de indruk dat er weer een (toename van) middelengebruik was, hetgeen door de verdachte steeds werd ontkend.

Omdat de verdachte gedurende het reclasseringstoezicht onvoldoende meewerkte - en zijn eigen voorwaarden stelde ten aanzien van begeleiding en behandeling - ziet de toezichthouder geen meerwaarde in het voortzetten van dit reclasseringscontact.

De sociaal maatschappelijke situatie van de verdachte is zorgelijk. Hij heeft geen eigen huisvesting, geen zinvolle dagbesteding, een negatief sociaal netwerk, schulden en is bekend met jarenlange verslavings-problematiek (cocaïne en alcohol).

De verdachte is niet in staat gebleken behandeling in een voorwaardelijk kader (zowel als verplichting als op vrijwillige basis) vol te houden. Daarnaast blijft hij recidiveren.

Geconcludeerd wordt dat een voorwaardelijk kader ontoereikend is om de kans op recidive te doen verminderen en dat derhalve een stringenter kader geïndiceerd is.

Geadviseerd wordt daarom om aan de verdachte een ISD-maatregel op te leggen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de toezichthouder van de verdachte, de heer W.H. Dai, onder meer het volgende verklaard:

De verdachte heeft rond september/oktober 2016 gezegd dat hij geen drugs gebruikte. Hij heeft niets gezegd over de fietsendiefstallen of over bedreigingen.

Op het intakegesprek bij Palier op 31 augustus 2016 is de verdachte niet verschenen. Hij zei dat hij de uitnodiging niet had gehad.

Een onvoorwaardelijke ISD geeft meer waarborgen dan de voorwaardelijke ISD die de verdachte al heeft. Als de verdachte optimaal meewerkt, kan het snel gaan.

De verdediging heeft bepleit dat geen ISD-maatregel maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte tijdens zijn detentie op eigen initiatief begonnen is met therapie op verschillende vlakken. Daarnaast heeft hij in de penitentiaire inrichting diverse cursussen gevolgd. Hiermee heeft hij laten zien dat hij gemotiveerd is om aan zichzelf te werken.

Het hof komt tot het volgende oordeel.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen, voor welk misdrijven op de voet van artikel 67 van het Wetboek van Strafvordering voorlopige hechtenis is toegelaten.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 september 2017 is de verdachte in de vijf jaren voorafgaande aan de door hem begane feiten ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld. Deze uitspraken zijn onherroepelijk.

De onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.

Het hof stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en de bij vonnis van 11 juni 2014 opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is geëindigd.

Naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van goederen thans het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het toezicht in het kader van de voorwaardelijke

ISD-maatregel niet goed is verlopen, zoals de toezichthouder ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. De verdachte is afspraken niet nagekomen en stelde meermalen eigen voorwaarden waardoor een stabiele huisvestingssituatie en behandelingen niet van de grond zijn gekomen. Dat de verdachte thans vanuit de penitentiaire inrichting contacten heeft met De Waag en cursussen heeft gevolgd, is positief te achten, maar biedt onvoldoende waarborgen dat de verdachte na zijn detentie gemotiveerd zal blijven voor behandeling en voor begeleiding door de Reclassering.

Het hof onderschrijft derhalve de conclusie van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel aangewezen is.

Blijkens de conclusie van de psychiater is er geen contra-indicatie voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Het hof is – alles afwegende - van oordeel dat oplegging van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest, passend en geboden is, nu de veiligheid van goederen zulks eist en oplegging van de maatregel zowel tot de beveiliging van de maatschappij strekt als tot de beëindiging van het telkens plegen van strafbare feiten door de verdachte.

Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade dient het maatschappelijk belang te prevaleren boven de persoonlijke wensen van de verdachte.

Het hof zal de maatregel in onvoorwaardelijke vorm opleggen aangezien een voorwaardelijke ISD-maatregel onvoldoende waarborgen biedt voor een effectieve behandeling. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de raadsman heeft bepleit, is naar het oordeel van het hof niet voldoende om de veiligheid van goederen te waarborgen.

Vorderingen tot schadevergoeding

[benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 658,95.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 658,95.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 558,95, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 558,95 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 558,95 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

[benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.848,-.

In hoger beroep is deze vordering verlaagd tot een bedrag van € 2.000,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,-, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 2.000,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van €2.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer benadeelde partij 4].

[benadeelde partij 7]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 7] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 889,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 889,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 650,-, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 550,-materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7].

[benadeelde partij 11]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 11] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 1.200,-. materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 11]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.200,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 11].

[benadeelde partij 15]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 15] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 172,95.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 172,95.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 172,95, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 15]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 172,95 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 15].

[benadeelde partij 17]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 17] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 300,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 300,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu de verdachte is vrijgesproken ten aanzien van de diefstal van de navigatiemodule.

[benadeelde partij 18]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 18] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.042,60.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.042,60.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42,60, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2014 voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar, waarbij een proeftijd van drie jaren is bepaald.

Ingevolge artikel 509dd van het Wetboek van Strafvordering dient een vordering tot toepassing van artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht door de raadkamer te worden behandeld.

Het hof zal zich niet bevoegd verklaren om kennis te nemen van deze vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 558,95 (vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 558,95 (vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 7], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 11] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 11], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 15]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 15] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 172,95 (honderdtweeënzeventig euro en vijfennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij 15], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 172,95 (honderdtweeënzeventig euro en vijfennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 17

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 17] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 18]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 18] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verklaart zich niet bevoegd tot kennisneming van de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 10-731277-13.

Dit arrest is gewezen door mr. S.A.J. van 't Hul,

mr. H. van den Heuvel en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2017.