Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2940

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
200.221.528/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

vordering verbod uitoefenen van lijfsdwang; formele rechtskracht van ontnemingsmaatregel; betalingsonmacht; toetsing weigering door CJIB van aangeboden betalingsregeling; art. 577b lid 2 Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.221.528/01

Rolnummer rechtbank : C/09/532494 / KG ZA 17-611

Arrest van 10 oktober 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 10 augustus 2017 (met producties) heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 20 juli 2017 (hierna: het bestreden vonnis) in kort geding tussen partijen heeft gewezen. Daarbij heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Daarna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De feiten die de voorzieningenrechter onder het kopje “2. De feiten” heeft vastgesteld, zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming van die feiten alsmede van hetgeen voorts, als onvoldoende weersproken, is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1.

[appellant] is strafrechtelijk vervolgd wegens cocaïnehandel. In 2003 is hij daarvoor onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Tevens is hem (in 2010) daarvoor ter ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel een ontnemingsmaatregel ad € 440.465,- opgelegd. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is in 2012 niet ontvankelijk verklaard.

1.2.

[appellant] heeft geen betalingen verricht ten aanzien van de ontnemingsmaatregel. Wel is het conservatoir beslag ex art. 94a Sv. dat ten laste van hem was gelegd, afgewikkeld en is de executieopbrengst daarvan op het bedrag van de ontnemingsmaatregel in mindering gebracht. Op dit moment staat ter zake van de ontnemingsmaatregel nog een bedrag van € 345.407,89 open.

1.3.

Gedurende de periode 2009 tot 2014 had [appellant] geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Nadat [appellant] weer in Nederland was ingeschreven, heeft het CJIB hem aangeschreven voor de voldoening van het restant van de ontnemingsmaatregel. Hieraan heeft [appellant] niet voldaan. Er is ook geen betalingsregeling getroffen.

1.4.

Bij beschikking van 8 december 2016 heeft het hof Den Bosch een verzoek van [appellant] als bedoeld in artikel 577b lid 2 Sv. tot kwijtschelding of vermindering van het ter ontneming vastgestelde bedrag afgewezen. Aan het hof is voorgehouden dat de financiële middelen van [appellant] op dat moment beperkt waren. Het hof overwoog echter dat niet gebleken was dat [appellant] , mede gelet op zijn leeftijd, ook in de toekomst niet in staat kan worden geacht om aan de betalingsverplichting te voldoen en dat het feit dat hij is ontheven van zijn sollicitatieplicht daaraan niet afdoet. Het hof achtte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er aan de zijde van [appellant] sprake was van betalingsonmacht.

1.5.

Bij beschikking van diezelfde datum heeft het hof Den Bosch op de voet van art. 577c Sv. verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van 540 dagen verleend, indien [appellant] na aanhouding niet tot volledige betaling zou overgaan of niet met een adequaat afbetalingsvoorstel zou komen. In dat kader heeft het hof onder meer overwogen dat niet was gebleken van omstandigheden waaruit betalingsonmacht van de zijde van [appellant] blijkt.

1.6.

Op grond van die laatste beschikking is [appellant] sinds 12 mei 2017 gedetineerd. Bij memorie van antwoord heeft de Staat medegedeeld dat [appellant] opnieuw een verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van het ter ontneming vastgestelde bedrag heeft ingediend, welk verzoek in oktober 2017 zal worden behandeld.

2. [appellant] vordert, samengevat, (i) de Staat te verbieden om aan hem lijfsdwang op te leggen en derhalve schorsing van de beschikking tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang op straffe van een dwangsom (van € 5.000,- per overtreding of dag). In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd en tevens gevorderd (ii) de Staat op te leggen een betalingsregeling met hem te treffen, eveneens op straffe van een dwangsom (van € 500 per dag) en in dat kader ook opheffing of schorsing van de detentie. Hij vordert voorts (iii) de Staat te veroordelen in de proceskosten.

[appellant] baseert zijn vordering op onrechtmatige daad. Hij voert aan dat er een fout zit in de berekening van de ontnemingsvordering en dat het voor hem onmogelijk is het bedrag van de ontnemingsvordering te betalen. [appellant] krijgt nergens een vaste aanstelling vanwege zijn veroordeling, is aangewezen op een uitkering krachtens de participatiewet en kan niet aantonen dat hij niets heeft. Op dit moment ontvangt hij vanwege zijn detentie zelfs geen uitkering meer. Hij is bereid een betalingsregeling te treffen van € 200 per maand. Volgens hem is sprake van schending van art. 5, lid 1 onder b EVRM en schending van art. 6 EVRM. Hij zit nu voor de tweede keer vast voor hetzelfde feit.

3. De voorzieningenrechter heeft [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering (i) betreffende het verbod en de schorsing, kort gezegd, omdat [appellant] de door hem gestelde betalingsonmacht door middel van een verzoek als bedoeld in art. 577b lid 2 Sv. aan de strafrechter kan en moet voorleggen, hetgeen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor hem oplevert die de gang naar de civiele rechter afsluit. Verder oordeelde de voorzieningenrechter (ii) dat geen grond aanwezig was om de Staat te verplichten tot het treffen van een betalingsregeling met [appellant] . [appellant] werd (iii) in de proceskosten veroordeeld.

4. Met de eerste, derde en vierde grief komt [appellant] er tegen op dat hij niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering.

[appellant] meent dat hij wel in zijn vorderingen moet worden ontvangen, omdat het hof in Den Bosch hem niet afdoende aanhoort en niet meer kijkt naar de berekening van de ontnemingsvordering, die volgens hem fout is. Verder meent [appellant] dat het beginsel van fair trial is geschonden. [appellant] procedeert op basis van een toevoeging, terwijl de Staat de landsadvocaat inschakelt, een advocaat van een gerenommeerd kantoor in Den Haag, een grote speler op de markt met een bijbehorend uurtarief. Dit schept rechtsongelijkheid, omdat [appellant] op basis van toevoeging procedeert. Een advocaat die op toevoegingsbasis werkt, kan minder tijd steken in een zaak; hij moet meer zaken en werk doen om dezelfde omzet te halen als de landsadvocaat. Dit klemt temeer omdat de Staat de vergoedingen voor de gefinancierde rechtsbijstand bepaalt. De Staat neemt ook tegenstrijdige standpunten in, zowel het standpunt dat [appellant] onvermogend is (hij procedeert op basis van toevoeging) als het standpunt dat hij vermogend is en aan de ontnemingsvordering kan voldoen. [appellant] herhaalt in hoger beroep dat zowel art. 5 EVRM is geschonden als het beginsel van ne bis in idem. Hij heeft voor de handel in cocaïne reeds een gevangenisstraf uitgezeten en zit nu voor de tweede keer voor dat feit vast.

5. Naar het oordeel van het hof is van schending van art. 5, lid 1 onder b EVRM, dat voorschrijft dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve wanneer hij op rechtmatige wijze is gedetineerd, geen sprake. [appellant] wordt thans van zijn vrijheid beroofd op basis van de onder 1.5 bedoelde beschikking van 8 december 2016, die is gegeven door een daartoe bevoegde rechter en dus rechtmatig gegeven moet worden geacht.

6. Het beroep op schending van het ne bis in idem-beginsel dient te worden voorgelegd aan de daartoe bevoegde rechter. Dat is de strafrechter die de vordering tot toepassing van lijfsdwang behandelde. In zoverre stond voor [appellant] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, die de weg naar de civiele rechter afsluit.

7. Voorts moet de civiele rechter zich, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, richten naar het oordeel van de strafrechter. Dat betekent niet alleen dat het hof ervan moet uitgaan dat de strafrechter het bedrag van de ontnemingsmaatregel juist heeft vastgesteld maar ook dat de strafrechter in het hof Den Bosch de lijfsdwang terecht heeft opgelegd. Het betoog van [appellant] dat hij onmachtig is te betalen zodat het door hem te betalen bedrag moet worden kwijtgescholden of verminderd is door de strafrechter van het hof Den Bosch verworpen. De civiele rechter dient van de juistheid van deze beslissingen uit te gaan. Daarnaast heeft te gelden dat [appellant] dit betoog opnieuw in een door hem aan te spannen (of, indien hij deze zoals de Staat stelt, reeds heeft aangespannen in die) procedure ex art. 577b lid 2 Sv. naar voren kan en dient te brengen. Voor een oordeel over de gestelde tegenstrijdigheid in de standpunten van de Staat ten aanzien van het al dan niet vermogend zijn van [appellant] is in deze procedure dus ook geen plaats.

8. Van schending van art. 6 EVRM, omdat [appellant] geen eerlijk proces (bij dit hof, zo begrijpt het hof) krijgt aangezien hij op basis van een toevoeging procedeert en de Staat de landsadvocaat heeft ingeschakeld, is evenmin sprake. Het rechtsbijstandsstelsel heeft [appellant] in staat gesteld effectieve toegang tot de rechter te krijgen. Dat de advocaat van [appellant] wellicht minder wordt gehonoreerd dan de advocaat van de Staat maakt dat niet anders.

9. Op grond van het voorgaande falen de grieven 1, 3 en 4.

10. Met zijn tweede grief klaagt [appellant] erover dat zijn vordering tot het treffen van een betalingsregeling is afgewezen.

11. [appellant] herhaalt hierbij dat hij geen geld heeft en dat de berekening van het wederrechtelijk genoten voordeel niet klopt. Voor deze argumenten geldt eveneens dat hij die bij de strafrechter naar voren diende (c.q. dient) te brengen en dat het hof moet uitgaan van de juistheid van de oordelen van de strafrechter.

12. Verder betoogt [appellant] dat de weigering van het CJIB om de zaak te heroverwegen onrechtmatig is jegens hem. Ervan uitgaand dat deze stelling ziet op de betalingsregeling die [appellant] voor ogen staat, geldt het volgende.

13. In het wettelijk stelsel ligt besloten dat een onherroepelijke beslissing van de strafrechter, leidend tot veroordeling, niet alleen mag maar ook ten uitvoer moet worden gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Dat geldt ook voor de executie van een opgelegde ontnemingsmaatregel en de lijfsdwang die is opgelegd bij het uitblijven van volledige betaling of het aanbieden van een adequaat betalingsvoorstel.

14. Het CJIB is de instantie die door het openbaar ministerie met de executie van een ontnemingsmaatregel en het daarmee samenhangende bevel tot toepassing lijfsdwang is belast. Het CJIB heeft een ruime beleidsvrijheid, zodat zijn beslissingen slechts marginaal kunnen worden getoetst. De wijze waarop het CJIB een ontnemingsmaatregel en het daarmee samenhangende bevel van de rechter tot toepassing van lijfsdwang ten uitvoer legt, is neergelegd in de Aanwijzing executie (Staatscourant 2014, nummer 37617, datum inwerkingtreding 1 januari 2015, hierna: de Aanwijzing). Dit beleid houdt kort samengevat in dat het CJIB in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat een verzoek daartoe alleen op grond van bijzondere omstandigheden en onder bepaalde voorwaarden kan worden gehonoreerd.

15. In dit geval volgt uit de onder 1.5 genoemde beschikking van 8 december 2016 dat de strafrechter [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld om na zijn aanhouding ter executie van de lijfsdwang alsnog een adequaat betalingsvoorstel te doen. De vraag ligt dus voor, of het CJIB onrechtmatig handelt door de thans aangeboden betalingsregeling van € 200 per maand niet te accepteren.

16. Volgens de Aanwijzing is de termijn waarbinnen volledige betaling van de ontnemingsmaatregel moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan deze termijn tot 36 maanden worden verlengd, mits aannemelijk is dat binnen de afgesproken termijn aan de gehele vordering wordt voldaan. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van die termijn van 36 maanden worden afgeweken (zie bijlage 3, onder 3 en 9 van de Aanwijzing), waarbij nog steeds het uitgangspunt geldt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening binnen een redelijke termijn. Gesteld noch gebleken is dat dit beleid als zodanig onrechtmatig is.

17. De betalingsregeling die [appellant] thans aanbiedt van € 200 per maand komt erop neer dat [appellant] binnen voormelde termijn van 36 maanden slechts € 7.200 oftewel 2% van de ontnemingsmaatregel zou hebben voldaan. Niet gezegd kan worden dat het CJIB dit betalingsvoorstel in redelijkheid niet afdoende heeft kunnen achten; instemming met het voorstel zou ertoe leiden dat [appellant] ruim 143 jaar aan het aflossen zou zijn.

De in hoger beroep vermeerderde vordering om de Staat op te leggen een betalingsregeling met [appellant] te treffen zal dan ook worden afgewezen.

18. De conclusie is dat alle grieven falen. De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, omdat die aan de strafrechter hadden moeten voorgelegd. De vorderingen stoelen echter deels op art. 5 EVRM en vallen voor dat deel wel onder de bevoegdheid van de civiele rechter, zodat een niet-ontvankelijk verklaring niet op haar plaats is. Ook de beoordeling van de vraag of het CJIB de aangeboden betalingsregeling in redelijkheid heeft kunnen weigeren behoort tot de competentie van de civiele rechter. De rechtbank heeft ook op dat punt een oordeel gegeven. Het hof zal het vonnis om proces-economische redenen vernietigen, behoudens voor wat betreft de proceskosten, en de vorderingen afwijzen. Omdat [appellant] ook voor de eerste aanleg wordt aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, blijft het vonnis voor wat de proceskosten betreft in stand. [appellant] wordt tevens veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 20 juli 2017, behoudens voor wat betreft de veroordeling van [appellant] in de proceskosten -in zoverre wordt dat vonnis bekrachtigd-

en opnieuw rechtdoende

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat en op € 205,- aan nasalaris voor de advocaat, in geval van betekening te verhogen met € 68,- ;

- bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan - de Sonnaville en M.E. Honée en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2017, in aanwezigheid van de griffier.