Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2936

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
200.215.011/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Verhuiszaak (artikel 1:253a BW). Ondanks het ontbreken van een acute noodzaak om te verhuizen, oordeelt het hof dat het belang van de moeder en de belangen van de minderjarigen bij een verhuizing, zwaarder wegen dan het belang van de vader om de minderjarigen terug te laten verhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.215.011/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-9876

zaaknummer rechtbank : C/09/524376

beschikking van de meervoudige kamer van 27 september 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.N.C. Zuiderwijk te Honselersdijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van 14 februari 2017 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking) en naar het vonnis in kort geding van 18 mei 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder zaak-/ rolnummer C/09/530539 / KG ZA 17-465 (hierna: het vonnis in kort geding).

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 december 2012 van de rechtbank Den Haag, de moeder vervangende toestemming verleend – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van de verhuizing (het hof begrijpt: van [plaats 1] ) naar [plaats 2] met de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] en hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader zullen zijn eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 13:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de moeder de minderjarigen op zaterdag brengt en de vader de minderjarigen op zondag terugbrengt. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] bij de vader zal zijn eenmaal in de veertien dagen op zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige 1] op zondagochtend brengt en de vader haar zondagavond terugbrengt. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

Bij het vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter, voor zover in hoger beroep van belang, de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de daarin vastgestelde zorgregeling gewijzigd in die zin dat de moeder de minderjarigen zal halen en brengen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vader is op 1 mei 2017 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De moeder heeft op 29 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts op 17 juli 2017 van de zijde van de vader een V-formulier van 13 juli 2017 met bijlagen ingekomen.

2.4.

[minderjarige 1] is, voorafgaand aan de zitting, meervoudig in raadkamer gehoord.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 4 augustus 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn gehuwd geweest van 23 mei 2002 tot 18 juli 2012;

- partijen zijn de met het gezamenlijk gezag belaste ouders van de minderjarigen;

- de minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder;

- bij beschikking van 2 april 2012 van de rechtbank Den Haag is, voor zover hier van belang, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder bepaald, een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen bepaald en iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van de voorlopige zorgregeling;

- bij beschikking van 18 december 2012 van de rechtbank Den Haag is een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen bepaald, inhoudende dat de minderjarigen iedere woensdag van 12:30 uur tot 18:00 uur en iedere zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur met het avondeten bij de vader verblijven, waarbij de moeder de minderjarigen bij de vader brengt en de vader de minderjarigen weer bij de moeder terugbrengt.

3.2.

Vast staat dat de moeder zonder toestemming van de vader per 31 maart 2017 met de minderjarigen naar [plaats 2] is verhuisd.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In geschil zijn de vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met de minderjarigen van [plaats 1] naar [plaats 2] en de zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen.

4.2.

De vader verzoekt het hof, na verduidelijking van zijn verzoek ter terechtzitting (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- primair: het inleidend verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 2] alsnog af te wijzen;

- subsidiair: te bepalen dat de moeder de minderjarigen, in het kader van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, voortaan zal halen en brengen.

4.3.

De moeder verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen (het hof begrijpt: en derhalve de bestreden beschikking te bekrachtigen).

4.4.

De vader voert – kort samengevat – aan dat de belangen van de minderjarigen zich verzetten tegen de verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2] . In [plaats 1] woonden de minderjarigen in de nabijheid van beide ouders, hetgeen volgens de vader het meest recht doet aan het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders. Het spontane contact dat de vader met de minderjarigen had, zal door de verhuizing naar [plaats 2] verloren gaan. De afstand tussen [plaats 1] en [plaats 2] bedraagt immers 60 kilometer. Door de lange reis van ongeveer 50 minuten, zullen de minderjarigen volgens de vader vermoeid raken, hetgeen niet in hun belang is. In [plaats 1] hadden de minderjarigen volgens de vader hun eigen sociale netwerk, dat bestond uit school, vrienden en familie. Door de verhuizing naar [plaats 2] zullen de minderjarigen hun sociale netwerk opnieuw moeten opbouwen. Bovendien zullen de minderjarigen naar een andere school en een andere sportvereniging moeten. Daarbij komt dat, aldus de vader, niet is gebleken dat de verhuizing naar [plaats 2] noodzakelijk was. Het is de vader niet bekend dat de moeder in [plaats 2] een sociaal netwerk heeft. Ook stelt de vader dat door de moeder niet aannemelijk is gemaakt dat de verhuizing naar [plaats 2] haar in staat stelt de blokkering in haar re-integratieproces op te heffen. De moeder zal namelijk nog steeds met de vader worden geconfronteerd tijdens de overdrachtsmomenten van de minderjarigen. Tot slot levert de verhuizing naar [plaats 2] volgens de vader een ongerechtvaardigde inbreuk op de zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen op. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling compenseert de vader op geen enkele wijze en is tot stand gekomen op basis van onjuiste feiten en omstandigheden. De moeder heeft het recht om haar leven opnieuw in te richten, maar dit recht mag volgens de vader niet prevaleren boven de belangen van de vader en de minderjarigen.

4.5.

De moeder verweert zich – kort samengevat – als volgt. De moeder heeft het recht om een nieuw bestaan op te bouwen in een nieuwe woonplaats. Vanwege het woningruilaanbod, was er een urgentie tot verhuizing en was de moeder genoodzaakt snel te handelen. De woning in [plaats 2] zou anders niet meer voor de moeder beschikbaar zijn. De woning in [plaats 2] is volgens de moeder ruimer en mooier dan de woning in [plaats 1] . De belangrijkste reden voor de moeder om te verhuizen, was gelegen in het gewelddadige verleden van partijen en in het gegeven dat de vader in [plaats 1] slechts op tientallen meters afstand bij de moeder vandaan woonde. Bovendien wordt de moeder in [plaats 1] , zowel sociaal als maatschappelijk, belemmerd in haar re-integratieproces. In [plaats 2] staan de mensen volgens de moeder meer open voor contact met haar. Daarbij komt dat de moeder nu dichter in de buurt van haar familie woont. Daarnaast is de moeder van mening dat de minderjarigen gebaat zijn bij de verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2] . De minderjarigen wilden zelf ook graag verhuizen en zij kunnen hun leven in [plaats 2] weer op de rit krijgen. Volgens de moeder bestaat er tussen de ouders geen verdeling van de zorgtaken, nu de moeder de zorg voor de minderjarigen altijd alleen heeft gedragen. Hoewel de vader contact had met de minderjarigen, was er volgens de moeder nimmer sprake van spontaan contact en kwam de vader de eerder opgelegde zorgregeling niet na, omdat de vader niet reageerde op haar berichten. Ter terechtzitting stelt de moeder dat de zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen inmiddels goed loopt. Sinds de moeder met de minderjarigen naar [plaats 2] is verhuisd, is er een duidelijke zorgregeling, hetgeen in een ieders belang is. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] logeren eens per veertien dagen bij de vader, waarbij de moeder de jongens op zaterdag naar de vader brengt en op zondag weer ophaalt. De moeder heeft getracht [minderjarige 1] naar de vader te laten gaan, maar [minderjarige 1] heeft uitdrukkelijk aangegeven op dit moment geen contact met de vader te willen. [minderjarige 1] heeft hierdoor de vader al meer dan een jaar niet gezien. Vanwege de leeftijd van [minderjarige 1] , heeft de moeder besloten het hierbij te laten en haar niet te dwingen naar de vader te gaan. Tot slot gaat het volgens de moeder sinds de verhuizing goed met de minderjarigen. In de wijk waar de minderjarigen thans wonen, is veel meer een buitenspeelcultuur dan in [plaats 1] . De minderjarigen hebben nieuwe vrienden gemaakt en zij hebben het naar hun zin op hun nieuwe school.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

5.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen zijn belast en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en de minderjarigen, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van de minderjarigen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

5.3.

Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.4.

Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verhuizing van de minderjarigen van [plaats 1] naar [plaats 2] inmiddels een feit is. Het hof is echter van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans onvoldoende, is gebleken dat er voor de moeder een onmiskenbare noodzaak bestond om met de minderjarigen van [plaats 1] naar [plaats 2] te verhuizen. De moeder heeft, mede gelet op de betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd dat de verhuizing naar [plaats 2] noodzakelijk was vanwege het sociale netwerk dat de moeder daar heeft. Ook is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat door de moeder onvoldoende is aangetoond dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege het re-integratieproces van de moeder, nu het hof ter terechtzitting desgevraagd van de moeder heeft vernomen dat het re-integratietraject thans nog niet is ingezet. Het hof heeft echter tevens geconstateerd dat de moeder gebruik heeft gemaakt van een aanbod om mee te doen aan een woningruil, waardoor zij snel moest beslissen of zij naar [plaats 2] zou verhuizen. Hoewel de verhuizing om die reden op korte termijn moest plaatsvinden heeft de moeder wel de noodzakelijke stappen genomen om de verhuizing voor de minderjarigen zo goed mogelijk te laten verlopen. Uit het kinderverhoor met [minderjarige 1] is het hof voorts gebleken dat het goed gaat met de minderjarigen en dat zij het naar hun zin hebben in [plaats 2] . [minderjarige 1] heeft aangegeven in [plaats 2] op een fijne school te zitten en nieuwe vrienden te hebben gemaakt, hetgeen volgens [minderjarige 1] ook voor haar broertjes geldt. De minderjarigen hebben via sociale media contact met hun vrienden uit [plaats 1] en [minderjarige 1] ziet haar vrienden uit [plaats 1] als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij hun vader op bezoek gaan. Tevens heeft het hof geconstateerd dat, ondanks het eventueel ontbreken van spontaan contact tussen de vader en de minderjarigen en het wegvallen van de omgang op woensdagmiddag door de verhuizing, de vader is gecompenseerd in de zorgregeling met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , nu zij sinds de verhuizing eens per veertien dagen een weekend bij de vader in [plaats 1] logeren. Bij de eerder vastgestelde zorgregeling zag de vader de minderjarigen immers alleen op woensdagmiddag en op zondag, zonder overnachting. Alle partijen hebben ter zitting aangegeven dat de zorgregeling thans goed loopt en dat het voor een ieder duidelijk is wanneer er omgang tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] plaatsvindt. [minderjarige 1] heeft de vader, door verschillende gebeurtenissen uit het verleden, inmiddels meer dan een jaar niet gezien. Gelet op de verklaring van [minderjarige 1] hierover en gegeven het feit dat de minderjarigen recent verhuisd zijn, is het hof tot de conclusie gekomen dat het ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige 1] niet in direct verband staat met de verhuizing van de minderjarigen. Een verhuizing terug naar [plaats 1] zou niet tot gevolg hebben dat het contact tussen de vader en [minderjarige 1] spontaan weer op gang zou komen. De tussen de vader en [minderjarige 1] bestaande problematiek dient hiervoor eerst te worden opgelost. Zij heeft tijdens het kinderverhoor aangegeven in de toekomst open te staan voor contact met haar vader, indien de gebeurtenissen uit het verleden tussen hen zijn uitgepraat. Het hof is van oordeel dat, gezien de leeftijd en rijpheid van [minderjarige 1] , veel gewicht toegekend moet worden aan haar mening en het contact met haar vader niet zonder meer tegen haar zin opgelegd kan worden. Zowel de moeder als de vader zullen zich er voor moeten inspannen dat het contact tussen de vader en [minderjarige 1] weer op gang wordt gebracht. Tenslotte is het hof gebleken dat de moeder de gevolgen van de verhuizing voor de vader heeft getracht te verzachten door [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in de bestreden beschikking, naar de vader te brengen en hen weer op te halen, omdat de vader geen auto heeft en geen financiële middelen bezit om dit op zich te kunnen nemen. Op basis van het voorgaande komt het hof, alle specifieke omstandigheden in deze zaak in aanmerking genomen, tot het oordeel dat, ondanks het ontbreken van een acute noodzaak om te verhuizen, het belang van de moeder en de belangen van de minderjarigen bij verhuizing naar [plaats 2] zwaarder wegen dan het belang van de vader om de minderjarigen terug naar [plaats 1] te laten verhuizen. Gelet op de feitelijk ontstane situatie, zal het hof de zorgregeling wijzigen in die zin dat de moeder de minderjarigen voortaan naar de vader zal brengen en weer bij de vader zal ophalen.

5.5.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de moeder de minderjarigen in het kader van de zorgregeling voortaan zal halen en brengen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, A.E. Sutorius-van Hees en H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. E.T.P. Merkx als griffier en is op 27 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.