Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2922

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
17/00618
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:6213, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van kosten van de in de bezwaarfase verleende beroepsmatige rechtsbijstand en meer in het bijzonder of sprake is van een onrechtmatigheid die aan de Inspecteur te wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2018/3.27.7
V-N Vandaag 2017/2537
Viditax (FutD), 26-10-2017
FutD 2017-2715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00618

Uitspraak d.d. 10 oktober 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 24 mei 2017, nummer SGR 17/788, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 4.994, met inachtneming van een heffingskorting van € 1.821.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar gedeeltelijk toegewezen, het verzoek tot uitbetaling van de algemene heffingskorting afgewezen en heeft hij ambtshalve het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 5.410, met inachtneming van een heffingskorting van € 1.973, resulterend in een door belanghebbende te ontvangen of te verrekenen bedrag van € 152 en het verzoek om vergoeding van kosten van de bezwaarfase afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 augustus 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 26 april 2016 elektronisch haar aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 ingediend. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van de door de Belastingdienst op het digitale aangifteformulier vooringevulde gegevens en deze gecontroleerd aan de hand van de haar ter beschikking staande jaaropgaven en deze vooringevulde gegevens akkoord bevonden.

3.2.

Op 28 mei 2016 zijn de gegevens ten behoeve van het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (de aanslag) naar het computercentrum van de Belastingdienst in Apeldoorn gezonden.

3.3.

Op 9 juni 2016 is in de administratie van de Belastingdienst een correctiebericht van een van de werkgevers van belanghebbende verwerkt, waaruit blijkt dat belanghebbende een hoger loon met een bijbehorend hoger bedrag aan loonheffing heeft genoten dan voorheen bij de Belastingdienst bekend was.

3.4.

Met dagtekening 10 juni 2016 is overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte de aanslag opgelegd.

3.5.

Belanghebbende heeft, met dagtekening 29 juni 2016, tegen de aan haar opgelegde aanslag bezwaar aangetekend en verzocht om uitbetaling van de heffingskortingen en daarbij aanspraak gemaakt op vergoeding van kosten van de in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand.

3.6.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het in bezwaar gedane verzoek om uitbetaling van de heffingskortingen afgewezen en de aanslag ambtshalve verminderd naar aanleiding van het onder 3.3 vermelde correctiebericht. Het verzoek om vergoeding van de kosten bezwaarfase is door de Inspecteur afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen:

“2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar geen kostenvergoeding toegekend. In beroep is in geschil of dit laatste terecht is. [Belanghebbende] stelt dat dit niet het geval is omdat de vermindering van de aanslag het gevolg is van een aan [de Inspecteur] toe te rekenen onrechtmatigheid, aangezien de aanslag is verminderd op basis van loongegevens die [de Inspecteur] ten tijde van het vaststellen van de aanslag bekend waren.

3. [De Inspecteur] stelt dat geen kostenvergoeding is toegekend omdat de vermindering van de aanslag niet het gevolg is van een aan hem toe te rekenen onrechtmatigheid. [De Inspecteur] voert daarvoor aan dat de in de aangifte vermelde loongegevens overeenstemden met de loongegevens die bij de belastingdienst bekend waren. Eind mei is een correctiebericht van de inhoudingsplichtige ontvangen als gevolg waarvan in de administratie van [de Inspecteur] op 9 juni 2016 de loongegevens zijn gewijzigd. Omdat de gegevens van de aanslag al op 28 mei 2016 waren verwerkt in de bestanden van de belastingdienst en met het verwerken van het correctiebericht enige tijd gemoeid is omdat de correctiegegevens van de inhoudingsplichtige aan de diverse belastingplichtigen moeten worden gekoppeld, kon met deze wijziging geen rekening meer worden gehouden.

4. Vaststaat dat de aanslag conform de aangifte is opgelegd. Verder heeft de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de stellingen van [de Inspecteur] te twijfelen. Ten tijde van het vaststellen van de aanslag waren de gegevens die hebben geleid tot vermindering van de aanslag bij [de Inspecteur] dus nog niet bekend. De vermindering van de aanslag is daarmee niet het gevolg van een aan [de Inspecteur] te wijten onrechtmatigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] daarom terecht geen bezwaarkostenvergoeding toegekend. Het beroep is ongegrond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van kosten van de in de bezwaarfase verleende beroepsmatige rechtsbijstand en meer in het bijzonder of sprake is van een onrechtmatigheid die aan de Inspecteur te wijten is, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de vergoeding van de proceskosten in bezwaar, tot toekenning van een vergoeding van de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend, op verzoek van belanghebbende, vergoed door het bestuursorgaan voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

6.2.

Vaststaat dat belanghebbende onjuiste aangifte heeft gedaan. Deze aangifte heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag gevolgd. Weliswaar is belanghebbende bij het doen van de aangifte uitgegaan van een onjuiste jaaropgaaf verstrekt door de inhoudingsplichtige maar dat brengt op zichzelf niet mee dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door bij het vaststellen van de aanslag de aangifte te volgen. De Inspecteur kon, onder de gegeven omstandigheden, uitgaan van de door belanghebbende ingediende aangifte. Het onder 3.3 bedoelde correctiebericht, waarvan eerst op 9 juni 2016 duidelijk was welke gegevens aan belanghebbende konden worden gekoppeld, is weliswaar eind mei 2016 ter administratie van de Belastingdienst ingekomen, echter de gegevens voor de aanslagregeling waren op dat moment reeds aan het computercentrum in Apeldoorn verzonden waardoor de aanpassing voorafgaand aan de aanslagregeling niet mogelijk was. Dat de aangifte door de Belastingdienst voor een deel reeds was ingevuld conform de onjuiste jaaropgaaf leidt niet tot een ander oordeel nu expliciet bij de aangifte vermeld staat dat desbetreffende gegevens door de belanghebbende moeten worden gecontroleerd. Belanghebbende heeft er voor gekozen de op de aangifte voor ingevulde gegevens niet nader te controleren aan de hand van overige haar ter beschikking staande gegevens zoals bankafschriften of loonopgaven. Dit komt voor haar risico.

6.3.

De door belanghebbende in hoger beroep genoemde uitspraken van de rechtbank Den Haag en de Centrale Raad van Beroep leiden niet tot een ander oordeel reeds omdat daarbij geen sprake is van door de belanghebbende verstrekte gegevens maar van beschikkingen die louter op basis van door derden verstrekte gegevens zijn vastgesteld.

6.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank terecht en met juistheid beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase en is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 10 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.