Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2884

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
200.204.574/01 en 200.204.575/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Forfaitaire berekening kinderalimentatie past in dit geval binnen het wettelijke systeem. De nalatenschap die de vrouw van haar Spaanse moeder heeft verkregen tijdens het huwelijk valt op basis van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2017 niet in de wettelijke gemeenschap van goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0218

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 20 september 2017

Zaaknummers : 200.204.574/01 en 200.204.575/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 15-10191 en FA RK 16-3615

Zaaknummers rechtbank : C/09/502774 en C/09/51088

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.A. van Keulen te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Brouwer te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 november 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 september 2016 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 12 januari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 17 februari 2017 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 6 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met als bijlagen;

- op 19 juni 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 juni 2017 een V-formulier van 22 juni 2017 met bijlage;

van de zijde van de vrouw:

- op 19 juni 2017 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 30 juni 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen oudste minderjarige heeft schriftelijk zijn mening kenbaar.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen de in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde partijen uitgesproken. Tevens is - uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang - de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld.

Voorts is bepaald:

- dat de overige door partijen genoemde bankrekeningen zijn opgeheven/worden opgeheven en reeds zijn verdeeld/niet meer behoeven te worden verdeeld;

- dat de inboedel tussen partijen reeds is verdeeld;

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep niet tegen is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zo nodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

 de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: de oudste minderjarige en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna: de jongste minderjarige

hierna tezamen te noemen: de minderjarigen,

 alsmede de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. ade bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de vaststelling betreft dat de man geen kinderalimentatie aan de vrouw is verschuldigd onder verbetering van gronden. De man verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening moet nemen,

bde vrouw te veroordelen twee rekeningen op naam van de kinderen te openen waarop op elke rekening € 22.926,84 dient te worden gestort te vermeerderen met de rente die sedert 1 oktober 2016 op de saldi is gevormd onder zodanige voorwaarden als het hof in redelijkheid vermeent te behoren,

cde vrouw te veroordelen de helft van het saldo van de [bank] rekeningen aan de man over te maken zijnde € 826,30 binnen 2 weken na de te wijzen beschikking en de vrouw voorts te veroordelen de helft van de [bank] rekening zijnde een bedrag van € 2.455,- en voorts de helft van het bedrag waarmee zij de gemeenschap heeft benadeeld groot € 1.088,26 binnen 2 weken na afgifte van de beschikking van het hof aan de man te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zijnde 5 oktober 2016,

dde vrouw te gebieden opgave te doen van haar pensioenopbouw tijdens huwelijk, de waarde ervan, de aanvangsdatum van haar pensioen en referentienummers waaronder de pensioenen bij de diverse pensioenfondsen bekend zijn en deze binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de beschikking van het hof aan de man te overhandigen op straffe van een dwangsom van
€ 50,- per dag per pensioenfonds en per onderdeel dat zij aan die veroordeling geen gevolg geeft, e. de vrouw te gebieden binnen twee weken na het onherroepelijk worden van de beschikking van het hof aan alle betrokken buitenlandse pensioenfondsen mededeling te doen (met afschrift aan de man), waarin zij de fondsen op de hoogte stelt van de echtscheiding en het feit dat de man recht heeft op de helft van het tijdens huwelijk opgebouwde pensioen, met het verzoek de man te informeren over het moment waarop de vrouw haar pensioen gaat genieten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag per pensioenfonds dat zij aan die veroordeling geen gevolg geeft,

fde vrouw te gebieden van iedere verlaging of verhoging van haar pensioen en daarnaast eens per kalenderjaar in de maand maart van de hoogte van haar maandelijkse bruto pensioenuitkering een bewijsstuk aan de man te zenden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag dat de vrouw na 31 maart van elk kalenderjaar nalatig is deze veroordeling na te komen,

gde vrouw te veroordelen tot betaling van het bedrag dat zij ter zake van de pensioenverevening van haar pensioenen aan de man dient te voldoen, binnen 14 dagen nadat zij pensioen zal gaan genieten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat het bedrag aan haar zelf wordt uitgekeerd, indien zij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen,

h.met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt de verzoeken van de man zoals vermeld in zijn beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen. De vrouw verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hiernavolgende onderwerpen en opnieuw beschikkende te bepalen dat:

de behoefte van de oudste minderjarige € 700,- per maand bedraagt;

de man met ingang van 13 september 2016 een bedrag aan de vrouw dient te voldoen van inzake de kosten van verzorging en opvoeding voor de jongste minderjarige maandelijks een bedrag van € 300,-; en voor de oudste minderjarige maandelijks een bedrag van € 435,-, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de minderjarigen zal of kan worden verleend, welke bijdrage zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2017;

de man aan de vrouw zal voldoen de helft van de waarde van de auto [merk] met kenteken [kenteken] , in totaal een bedrag van € 3.675,-, binnen een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof;

de man aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 29.272,17 hetgeen de vrouw toekomt uit hoofde van de vordering van de vrouw op de huwelijksgemeenschap, voortvloeiende uit de nalatenschap van de moeder van de vrouw, binnen een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof;

de man aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 1.588,87 hetgeen de vrouw toekomt uit hoofde van hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de kosten voor de aankoop van de laptops voor de kinderen, almede een schoolreis naar Parijs voor de oudste minderjarige, diens reisverzekering en de verzekering van de auto over de periode 1 oktober 2015 - 1 oktober 2016, uiterlijk een maand na bekendmaking van de beschikking van het hof;

de beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen, althans de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

Inleiding

5. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan overweegt het hof het volgende.

6. De vrouw stelt zich in de inleiding van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel op het standpunt dat de grieven van de man onduidelijk zijn en dat hij in hoger beroep ten onrechte verwijst naar pleitnotities die in eerste aanleg niet volledig zijn overgelegd. In haar optiek zou de man daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

7. Het hof is van oordeel dat de grieven van de man voldoende duidelijk zijn. De vrouw heeft daar ook inhoudelijk verweer tegen gevoerd. Wat de pleitnoties betreft, overweegt het hof dat de vrouw op de in hoger beroep aangehaalde passages alsnog heeft kunnen reageren. Zij wordt hiermee niet in haar procesbelangen geschaad. De man kan derhalve ontvangen worden in zijn hoger beroep.

Kinderalimentatie

Behoefte oudste minderjarige

8. In eerste aanleg zijn partijen overeengekomen dat de behoefte van de minderjarigen kan worden gesteld op € 600,- per maand per kind.

9. De vrouw is van mening dat de behoefte van de oudste minderjarige moet worden verhoogd met de bijzondere kosten die zijn zwemsportactiviteiten met zich brengen. Deze kosten zien onder meer op contributies, inschrijfgelden voor wedstrijden en zwemkleding en -benodigdheden. Volgens de vrouw bedraagt de behoefte van de oudste minderjarige derhalve € 700,- in plaats van € 600,- per maand.

10. De man betwist dat sprake is van excessieve kosten voor de oudste minderjarige. De kosten van het halen en brengen worden door hem gedragen. De meeste door de vrouw opgevoerde kosten worden geacht te zijn verdisconteerd in de Nibud-tabel. Deze kosten komen neer op € 95,- per maand, hetgeen niet buitensporig is voor een gewone hobby.

11. Het hof acht de argumenten die de vrouw aandraagt en die zien op de door de oudste minderjarige beoefende zwemsport niet zodanig dat deze tot een verhoogde behoefte bij die minderjarige leiden. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Het hof ziet derhalve geen reden af te wijken van de door partijen overeengekomen behoefte van € 600,- voor de oudste minderjarige.

Verdeling kosten van de kinderen

12. De vrouw heeft in hoger beroep de kinderalimentatie in volle omvang aan de orde gesteld. Het hof zal wat de ingangsdatum betreft, aanhaken bij de ingangsdatum van de partneralimentatie, te weten 5 oktober 2016. De advocaat van de man heeft terechtzitting ingestemd met het hanteren van de inkomensgegevens van 2017. Hetgeen partijen omtrent het inkomen in de jaren 2015 en 2016 hebben gesteld, behoeft derhalve geen verdere bespreking.

13. Ter zitting is voorts met partijen besproken van welk netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw moet worden uitgegaan, aangezien zij voor een internationale organisatie werkt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de diverse ‘allowances’ die zij ontvangt ter compensatie van het missen van bepaalde belastingvoordelen in Nederland, niet betrokken dienen te worden in de draagkrachtberekening. De man wenst uit te gaan van het netto inkomen van de vrouw inclusief de ‘allowances’ en is bovendien van mening dat de reiskostenvergoeding die de vrouw ontvangt, bij haar inkomen dient te worden opgeteld.

14. Het hof acht het redelijk uit te gaan van het netto inkomen van de vrouw exclusief ‘allowances’, waarbij het hof ervan uitgaat dat de vrouw de extra kosten die zij stelt te hebben - zoals het niet vergoede deel van de ziektekosten van de minderjarigen - voldoet uit die ‘allowances’, die - zoals de vrouw heeft betoogd - het karakter hebben van tegemoetkoming in kosten. Het hof ziet geen aanleiding de reiskostenvergoeding bij het netto-inkomen van de vrouw op te tellen, zoals de man voorstaat. Tegenover deze vergoeding staan immers reiskosten van de vrouw. Het hof volgt de vrouw in de berekening van haar NBI van € 4.078,- per maand, conform de overgelegde productie 34. De man heeft tegen de wijze waarop deze berekening is uitgevoerd op zich geen bezwaar gemaakt.

15. Voor het NBI van de man volgt het hof de als productie 10 bij het verweerschrift in incidenteel appel overgelegde draagkrachtberekening van de man. De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zijn in komen in 2017 nauwelijks is veranderd ten opzichte van 2016, hetgeen ook het hof concludeert uit de overgelegde loonstroken 2017. Uit voormelde draagkrachtberekening blijkt een NBI van € 2.779,- per maand.

16. Nu de advocaat van de man uitdrukkelijk wenst dat bij de berekening van de kinderalimentatie de zorgkorting wordt betrokken, zal het hof de kinderalimentatie forfaitair berekenen volgens de formule. Weliswaar heeft de advocaat van de man ter terechtzitting aangegeven uit te willen gaan van het werkelijke inkomen en de werkelijke kosten van partijen, maar in dat rekensysteem past niet het toepassen van zorgkorting. Het hof is van oordeel dat de formule in het onderhavige geval binnen de wettelijke normen past.

17. Gelet op het vorenstaande berekent het hof de draagkracht van de vrouw op 70% x [4.078 – (0,3 x 4.078) + 905)] = € 1.365,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan 70% x [2.779 – (0,3 x 2.779) + 905)] = € 728,- per maand.

18. Tussen partijen is niet in geschil dat zij ten aanzien van de jongste minderjarige een co-ouderschap voeren en dat zij een gelijk aandeel in de totale kosten van haar verzorging en opvoeding hebben. Het hof zal daarom geen kinderalimentatie ten behoeve van de jongste minderjarige vaststellen en het desbetreffende verzoek van de vrouw afwijzen. Het hof gaat ervan uit dat iedere partij tevens de helft van de verblijfsoverstijgende kosten van de jongste minderjarige voor zijn/haar rekening neemt.

19. Gelet op de leeftijd van de oudste minderjarige van 17 jaar en de vigerende zorgregeling - inhoudende dat hij om de week een weekend en in overleg eenmaal per week tijdens het avondeten bij de man is - acht het hof een zorgkorting van 15% geëigend.

20. Nu de kosten van de jongste minderjarige voor beide partijen € 300,- per maand bedragen, dient voor de berekening van ieders aandeel in de kosten van de oudste minderjarige hun draagkracht met dit bedrag te worden verminderd. De resterende draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.065,- per maand en die van de man € 428,- per maand.

21. De verdeling van de kosten van de oudste minderjarige wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:

het deel van de vrouw bedraagt 1.065/1.493 x 600 = € 428,- per maand

het deel van de man bedraagt 428/1.493 x 600 = € 172,- per maand.

22. De voor de oudste minderjarige geldende zorgkorting bedraagt 15% van de behoefte van
€ 600,- per maand, ofwel € 90,- per maand. Deze zorgkorting komt in mindering op de door de man te betalen bijdrage. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een kinderalimentatie voor de oudste minderjarige toelaat van € 82,- per maand. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de vrouw de volledige verblijfsoverstijgende kosten van de oudste minderjarige draagt, nu hij bij haar zijn hoofdverblijf heeft.

Verdeling

Beroep op artikel 1:164 BW

23. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld als bedoeld in artikel 1:164 BW. Volgens de man dient zij de gelden die zij van de gemeenschappelijke rekeningen heeft opgenomen om haar advocaatkosten te betalen, derhalve aan de huwelijksgemeenschap te vergoeden. De rechtbank heeft verzuimd hierover een gemotiveerde beslissing te nemen.

24. De vrouw verweert zich daartegen en stelt dat partijen hebben afgesproken de advocaatkosten te voldoen van de gezamenlijke rekening. Toen het partijen niet lukte tot overeenstemming te komen, heeft de vrouw in november 2015 een andere advocaat gezocht, en de facturen van die advocaat voldaan van haar eigen rekening.

25. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde bankafschriften (productie 8 bij verweerschrift in incidenteel appel) blijkt dat de advocaatkosten van beide partijen vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap zijn betaald van de gemeenschappelijke rekening van partijen. Er zijn derhalve gemeenschapsschulden betaald. Dat de kosten van de advocaat van de vrouw hoger waren dan die van de man, doet daaraan niet af. Van een situatie als bedoeld in artikel 1:164 BW is geen sprake, zodat het beroep van de man op dit wetsartikel ook in hoger beroep niet slaagt. De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd voor zover daarin het beroep van de man op voormeld artikel is afgewezen.

Saldi bankrekeningen

26. De man klaagt dat de vrouw weigert de helft van het saldo van haar [bank] -rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] aan de man over te maken. Voorts stelt de man dat de saldi van de [bank] eindigend op nummer [rekeningnummer] en de [bank] -rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] , beide op naam van de vrouw gesteld, nog moeten worden verdeeld.

27. De vrouw wenst de door haar in verband met de verdeling van de banksaldi te betalen bedragen in één keer te verrekenen en heeft in afwachting van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep nog even gewacht met betalen.

28. Het hof overweegt als volgt. Hetgeen de man aanvoert aangaande de [bank] -rekening op naam van de vrouw betreft een executiegeschil dat in de onderhavige procedure niet thuishoort. Het hof zal het desbetreffende verzoek van de man dan ook afwijzen.

29. Met betrekking tot de [bank] -rekening op naam van de vrouw heeft de rechtbank - anders dan de man meent - reeds beslist dat deze aan de vrouw zal worden toegedeeld, terwijl dan de [bank] -rekening op naam van de man eindigend op nummer [rekeningnummer] aan de man wordt toegedeeld, zonder verdere verrekening. Het hof hoeft hieromtrent derhalve geen beslissing te nemen.

30. Ten aanzien van de [bank] op naam van de vrouw, begrijpt het hof dat de man niet alleen doelt op de rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] , maar ook op de overige drie [bank] op naam van de vrouw, tezamen door de rechtbank als f, g, h, en i aangeduid. Blijkens haar verweer heeft de vrouw deze grief van de man ook als zodanig opgevat. Ten aanzien van deze rekeningen geldt dat de saldi per peildatum 30 december 2015 bij helfte dienen te worden verdeeld. Het hof zal de (saldi van de) [bank] toedelen aan de vrouw onder de verplichting de helft van de saldi per 30 december 2015 daarvan aan de man te voldoen.

31. Het hof stelt vast dat geen van partijen heeft gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank inzake de op beider naam gestelde [bank] -rekening eindigend op nummer [rekeningnummer] en de daarbij behorende spaarrekening (door de rechtbank aangeduid als k), zodat daarmee vaststaat dat deze rekeningen reeds zijn verdeeld en dienen te worden opgeheven.

Pensioen

32. De man wenst informatie en overlegging van stukken aangaande de pensioenen van de vrouw, zodat hij kan laten becijferen op welk bedrag hij recht heeft. Naast haar pensioen bij het [bedrijf] pensioenfonds dienen ook de overige pensioenen van de vrouw te worden verevenend, aldus de man.

33. De vrouw stelt zich op het standpunt dat pensioenrechten geen nevenvoorziening zijn als bedoeld in artikel 827 Rv. Verdeling van die rechten is thans niet aan de orde. De man heeft een onjuiste rechtsingang gekozen. Daarnaast is de man reeds lange tijd op de hoogte van de pensioenen van de vrouw. De vrouw kan pas aanspraak maken op haar pensioen bij de [bedrijf] als zij minimaal 10 jaar werkzaam is bij ‘ [bedrijf] ’. De vrouw weigert niet informatie over haar pensioensituatie te verschaffen, maar heeft tijd nodig om die gegevens te vergaren.

34. Het hof overweegt als volgt. Onweersproken is gebleven dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. In dat geval dient op grond van artikel 10: 51 BW pensioenverevening plaats te vinden, ook als het buitenlandse pensioenen betreft, met dien verstande dat het recht op uitbetaling in dit geval is beperkt tot een aanspraak van de man op de vrouw (artikel 1 lid 7 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding). Het hof zal beide partijen dan ook gelasten elkaar over en weer zodanige gegevens te verstrekken dat op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de pensioenen kunnen worden verevenend. Het overige door de man verzochte zal worden afgewezen, nu de onderhavige procedure zich daartoe niet leent.

Bankrekening kinderen

35. Volgens de man zijn partijen overeengekomen dat een bedrag van € 40.000,-, deels afkomstig uit de erfenis van de moeder van de vrouw en aangevuld met wat partijen zelf nog hebben gespaard, over twee nog te openen bankrekeningen op naam van ieder van de minderjarige kinderen van partijen zal worden verdeeld. De vrouw weigert hieraan mee te werken.

36. De vrouw weerspreekt dat partijen zijn overeengekomen zoals de man stelt. Volgens de vrouw hadden partijen afgesproken dat de vrouw een op haar naam gestelde bankrekening voor de kinderen in beheer zou houden, om te voorkomen dat de kinderen bij het behalen van de 18-jarige leeftijd de gelden zouden kunnen opnemen. De vrouw stelt voorts dat de erfenis van haar moeder nimmer onderdeel is geweest van het spaargeld van de kinderen. Tevens stelt zij dat indien de man nakoming wenst, hij de verkeerde rechtsingang heeft gekozen.

37. Het hof overweegt als volgt. Partijen nemen onderling tegenstrijdige standpunten in over de herkomst van het bedrag van € 40.000,-, zodat het hof bij gebreke van nadere onderbouwing deze herkomst niet kan vaststellen. Indien voormelde gelden tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoren, dienen deze in de verdeling te worden betrokken. Naar het oordeel van het hof kan het verzoek van de man de vrouw te veroordelen twee rekeningen op naam van de kinderen te openen niet worden aangemerkt als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 Rv. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Nalatenschap moeder van de vrouw

38. Tussen partijen staat vast dat de vrouw, die de Spaanse nationaliteit heeft, in 2004 tijdens het huwelijk van partijen een bedrag van ruim € 29.000,- uit de nalatenschap van haar moeder heeft ontvangen en dat de nalatenschap van de moeder wordt beheerst door het Spaanse erfrecht. De man heeft de door de vrouw in hoger beroep gestelde precieze omvang van het bedrag ad
€ 29.272,17 op zich niet weersproken, zodat het hof van dit bedrag uitgaat.

39. In geschil is of voormeld bedrag deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. De vrouw stelt in hoger beroep dat dat niet het geval is. De man is van mening dat de vrouw daartoe te weinig feiten en omstandigheden heeft gesteld.

40. Het hof overweegt als volgt. In zijn uitspraak van 17 februari 2017 (HR 17 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:276) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag in hoeverre een krachtens buitenlands erfrecht zonder uitsluitingsclausule verkregen erfrechtelijk verkrijging in de Nederlandse gemeenschap van goederen valt. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn - gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging Spaans recht van toepassing is dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht - dat die verkrijging tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort.

41. Bij het beantwoorden van deze vraag zijn volgens de Hoge Raad de volgende elementen van belang: (i) of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en (ii) of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de buitenlandse erflater niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen. Voorts kan van belang zijn (iii) of de echtgenoot die vóór het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen.

Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.

42. Ter terechtzitting is aan de orde geweest of de moeder van de vrouw ervan op de hoogte was dat het in Nederland vigerende huwelijksvermogensstelsel de wettelijke gemeenschap van goederen inhoudt en dat daardoor erfrechtelijke verkrijgingen in beginsel in de huwelijksgemeenschap vallen. De vrouw heeft gesteld dat haar moeder daarvan niet op de hoogte was, aangezien in Catalonië, Spanje een stelsel van gescheiden huwelijksvermogen geldt. Zijzelf was daarvan evenmin op de hoogte.

43. Zijdens de man is eerst gesteld dat hij een goed contact had met zijn Spaanse schoonmoeder en dat zij natuurlijk wist dat alles van partijen samen was. Desgevraagd heeft de man echter erkend dat hij de gevolgen van zijn huwelijk met haar dochter en in het bijzonder het Nederlandse stelsel van gemeenschap van goederen nooit met zijn schoonmoeder heeft besproken, omdat dat te ingewikkeld was om uit te leggen.

44. Vast staat dat de moeder van de vrouw is overleden na het sluiten van het huwelijk van partijen en de vrouw derhalve haar erfgename is geworden tijdens het huwelijk van partijen. In het onderhavige geval is (anders dan in de in r.o. 40 genoemde uitspraak van de Hoge Raad) geen sprake van een erfrechtelijke verkrijging vóór het huwelijk. Dat partijen in verband met deze erfrechtelijke verkrijging staande huwelijk hebben overwogen om huwelijkse voorwaarden te maken en dit bewust hebben nagelaten, is noch gesteld noch gebleken. In dit verband is van belang dat de vrouw onweersproken heeft gesteld, dat zij ook niet wist dat de erfrechtelijke verkrijging in de huwelijksgemeenschap zou vallen.

De wetenschap en de bedoeling van de moeder van de vrouw zijn voorts aspecten die ingevolge het voormelde arrest van de Hoge Raad in aanmerking moeten worden genomen bij het aanleggen van de toets van de redelijkheid en billijkheid. Uit het relaas van beide partijen ter zitting volgt dat de moeder van de vrouw in ieder geval niet wist welke de vermogensrechtelijke gevolgen van het internationale huwelijk van haar dochter waren, omdat dat als te ingewikkeld voor haar nooit aan de orde is geweest. Omstandigheden die maken dat zij het wel behoorde te weten, zijn noch gesteld noch gebleken. Volgens de vrouw was het de bedoeling van haar moeder dat alleen haar kinderen uit haar nalatenschap zouden verkrijgen. In het licht van het bovenstaande komt volgens het hof mede gewicht toe aan het feit dat de nalatenschap van de moeder wordt beheerst door het Spaanse erfrecht, dat geen uitsluitingsclausule kent.

Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, is het in het onderhavige geval in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de erfrechtelijke verkrijging van de vrouw in de huwelijksgemeenschap valt. Dit leidt tot de conclusie dat het bedrag van
€ 29.272,17 privévermogen van de vrouw betreft en dat zij ter zake een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. Het hof zal overeenkomstig bepalen. Nu de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap en niet op de man, zal het hof haar verzoek te bepalen dat de man dit bedrag aan haar dient te betalen, afwijzen.

Auto [merk]

45. De vrouw is het niet eens met de toedeling zonder verdere verrekening aan de man van de auto [merk] . Volgens de vrouw kan deze auto niet worden weggestreept tegen de waarde van de inboedel, zoals de rechtbank heeft gedaan. De man dient in haar optiek alsnog de helft van de waarde van de auto aan de vrouw te vergoeden.

46. Het hof overweegt dat de rechtsverhouding tussen deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Gezien de relatief lage waarde van de auto en de inboedel, sluit het hof zich in dezen aan bij het oordeel van de rechtbank. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

Verrekenvorderingen over en weer

47. De vrouw stelt dat de man nog een bedrag van € 1.588,87 aan haar dient te voldoen. Het betreft kosten voor de kinderen die de vrouw voor haar rekening heeft genomen sinds het vertrek van de man op 23 oktober 2015, alsmede de autoverzekering over de periode van 1 oktober 2015 tot
1 oktober 2016 van de uitsluitend door de man gebruikte auto. Volgens de vrouw waren partijen overeengekomen deze lasten gezamenlijk te dragen.

48. Volgens de man maakte voormelde afspraak deel uit van een totaalpakket aan afspraken en heeft de vrouw zich daar niet aan gehouden. De man legt als productie 16 een overzicht over van volgens hem per 30 december 2015 nog tussen partijen te verrekenen kosten.

49. Het hof overweegt dat voor zover de door partijen gestelde kosten gemeenschapsschulden betreffen deze door beiden gedragen dienen te worden, ieder voor de helft. Indien een partij meer dan de helft van een gemeenschapsschuld heeft voldaan, heeft deze voor het meerdere regres op de andere partij. De vrouw verzoekt in feite nakoming van de gestelde overeenkomst met de man. Naar het oordeel van het hof betreft dit geen nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv. Het hof zal dit verzoek derhalve afwijzen. Zoals partijen ter terechtzitting reeds is voorgehouden, beschikt het hof over onvoldoende gegevens om een eindafrekening tussen partijen te kunnen vaststellen.

Proceskosten

50. Gelet op de procesrechtelijke aard van de onderhavige procedure ziet het hof geen aanleiding voor de door partijen verzochte proceskostenveroordelingen. Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende verzoeken van partijen zullen worden afgewezen.

51. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft:

  • -

    de afwijzing van het verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de oudste minderjarige;

  • -

    de bepaling dat de overige door partijen genoemde bankrekeningen aangeduid als f, g, h en i zijn opgeheven/worden opgeheven en reeds zijn verdeeld/niet meer behoeven te worden verdeeld,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de oudste minderjarige met ingang van 5 oktober 2016 op € 82,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

deelt (de saldi van) de [bank] met de nummers:

[rekeningnummer]

alsmede een rekening met een spaarloon van € 100,-

toe aan de vrouw onder de verplichting de helft van de saldi per peildatum 30 december 2015 aan de man te voldoen;

en in aanvulling op de bestreden beschikking:

gelast partijen elkaar over en weer zodanige gegevens te verstrekken dat op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de pensioenen kunnen worden verevenend;

bepaalt dat de vrouw een vergoedingsrecht van € 29.272,17 heeft op de ontbonden huwelijksgemeenschap ter zake de erfenis van haar moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2017.