Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2859

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
200.206.041/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hof gaat er van uit dat de vrouw binnen drie jaar in haar eigen behoefte van € 6.400,- netto kan voorzien. Alimentatiegerechtigde heeft maximaal recht op twaalf jaar alimentatie, maar hoofdregel is dat ieder in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0292

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 september 2017

Zaaknummer : 200.206.041/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 15-9631 (echtscheiding) / FA RK 16-3767 (verdeling)

Zaaknummers rechtbank : C/09/501632 (echtscheiding) / C/09/511187 (verdeling)

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L. Berghuis-Knijff te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M. Kostense te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 22 december 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 september 2016 van de rechtbank Den Haag, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking).

De man heeft op 9 februari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

De vrouw heeft op 23 maart 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van vrouw:

  • -

    een journaalbericht van 22 december 2016, ingekomen op diezelfde datum, met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van 28 december 2016, ingekomen op diezelfde datum, met bijlage;

  • -

    een journaalbericht van 7 juni 2017, ingekomen op 8 juni 2017 met bijlagen;

  • -

    een journaalbericht van 7 juni 2017, ingekomen op 9 juni 2017 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- een brief van 12 juni 2017, ingekomen op diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 23 juni 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:

  • -

    na te noemen minderjarige de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

  • -

    de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 2.225,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, gedurende een periode van vijf jaren, aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 4.875,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    partijen hebben de Nederlandse nationaliteit;

  • -

    partijen zijn gehuwd op [trouwdatum] te [plaats] ;

  • -

    zij zijn de ouders van:

de inmiddels meerderjarig geworden:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ),

en het thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] );

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw;

  • -

    de rechtbank Rotterdam heeft op 20 oktober 2015 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende toevertrouwing van de beide kinderen van partijen aan de vrouw, een door de man per 1 juli 2015 te betalen kinderalimentatie van € 725,00 per maand per kind vermeerderd met de schoolkosten van [minderjarige 2] en een door de man per 1 juli 2015 te betalen partneralimentatie van € 5.000,00 bruto per maand.

In eerste aanleg heeft de vrouw, voor zover in hoger beroep van belang, de rechtbank verzocht om vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 13.142,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek verzocht om de door hem te betalen partneralimentatie tot uiterlijk 1 juli 2019 te bepalen, althans voor een zodanige periode als de rechtbank juist acht, subsidiair bepaling dat op de vrouw een inspanningsverplichting rust om voor 1 juli 2017 (het hof leest: 2019) volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien bij gebreke waarvan de alimentatie met ingang van 1 juli 2019 op nihil wordt gesteld.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 10 februari 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie);

  • -

    de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] (hierna ook: de kinderalimentatie).

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man gehouden zal zijn met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 13.142,- bruto per maand voor een periode van twaalf jaren, en de beschikking voor het overige te bekrachtigen.

3. De man bestrijdt het beroep. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie en de kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

  1. de alimentatiebijdrage, die de man ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw zal moeten betalen wordt vastgesteld op een bedrag van € 4.875,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, en vast te stellen dat de alimentatieverplichting van de man eindigt na het verstrijken van een termijn van 3 maanden nadat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden dan wel per een zodanige datum als het hof in redelijkheid vaststelt, in de zin van artikel 1:157 lid 3 BW, subsidiair dat het hof bepaald dat de partnerbijdrage die de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren per die datum op nihil wordt gesteld althans per een datum die het hof in redelijkheid vaststelt;

  2. de man met ingang van de dag waarop de beschikking van de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voor de verzorging van [minderjarige 2] zal betalen een bedrag van € 725,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, waarnaast de man het schoolgeld rechtstreeks zal voldoen dat aan de opleiding van [minderjarige 2] verbonden is zolang zij onderwijs volgt aan het [school] dan wel aan een andere bijzondere onderwijsinstelling die niet tot het regulier onderwijs wordt gerekend;

  3. en de beschikking voor het overige te bekrachtigen.

4. De vrouw wendt zich in incidenteel appel tot het hof met het verzoek, het verzoek van de man onder punt 1 af te wijzen en het verzoek van de man onder punt 2 toe te wijzen.

Kinderalimentatie [minderjarige 2]

5. Het hof zal, nu partijen overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de kinderalimentatie van [minderjarige 2] en nu niet is gebleken dat deze overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] afwijkt van hetgeen de wettelijke maatstaven eisen, dienovereenkomstig beslissen.

Partneralimentatie

Huwelijksgerelateerde behoefte

6. Het hof stelt het volgende voorop. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

7. Evenals de rechtbank zal het hof, gelet op voormeld uitgangspunt, in het navolgende de behoeftelijst van de vrouw, die ter zitting integraal is besproken, puntsgewijs behandelen.

8. De rechtbank heeft de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld op € 6.934,- netto per maand, uitgaande van:

a) (housing) een totale netto woonlast van € 2.000,- per maand;

b) (utilities) een netto bedrag van € 401,- per maand aan utilities;

c) (household) een netto bedrag van € 1.111,- per maand aan kosten van household;

d) (transportation) een netto bedrag van € 500,- per maand aan transportation;

e) (health) een netto bedrag van € 222,- per maand aan zorgkosten;

f) (personal) een netto bedrag van € 800,- per maand aan persoonlijke kosten;

g) (other expenses) een netto bedrag van € 1.900,- per maand aan overige uitgaven.

9. De vrouw stelt dat haar netto huwelijksgerelateerde behoefte € 11.404,- per maand, dan wel blijkens haar pleitnota inmiddels € 10.048,- netto per maand, bedraagt. Daarentegen stelt de man, na wijziging ter zitting, dat deze € 6.121,- netto per maand bedraagt. Partijen stellen, mede na wijziging ter zitting, de volgende door de rechtbank vastgestelde posten in hoger beroep aan de orde:

  1. housing

  2. tuilities

transportation

personal

other expenses.

Nu de overige door de rechtbank vastgestelde uitgaven, zoals vermeld onder c) (household) en e) (health) in totaal (€ 1.111,- plus € 222,- is) € 1.333,- in hoger beroep niet ter discussie staan, zal het hof die in aanmerking nemen.

Housing en utilities

10. De vrouw verwijst naar productie 12a van het inleidend verzoekschrift en stelt dat zij daarin uitgebreid heeft gemotiveerd dat haar te verwachten netto woonlasten € 3.455,- per maand zullen bedragen. Bij brief van 7 juni 2017 heeft de vrouw het hof laten weten dat zij inmiddels een woning heeft gekocht in [plaats] , waarvan de hypothecaire geldlening € 500.000,- zal bedragen en waardoor de totale netto woonlasten iets zullen dalen. De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd bestreden en meent dat de kosten van housing en utilities gezamenlijk niet meer dan € 2.000,- netto per maand bedragen.

11. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben gedurende het huwelijk in Nederland gewoond in een woning met een waarde van ongeveer € 720.000,-. De vrouw heeft thans een nieuwe woning gekocht met een aankoopbedrag van € 460.000,-. De hypothecaire lening zal, mede gezien een verbouwing, € 500.000,- bedragen. Ter onderbouwing van haar hypothecaire rente en de aflossing op de hypotheek heeft de vrouw adviezen overgelegd. Daarin staat vermeld dat in het geval de duur van de partneralimentatie 12 jaar is, de netto woonlast € 1.817,- bedraagt en in het geval de duur van de partneralimentatie 5 jaar is, de woonlasten € 2.197,- netto per maand bedragen. Ter zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat dit de hypotheekrente en de aflossing betreft. Zij heeft nagelaten daadwerkelijke offertes te overleggen. Met de man is het hof van oordeel dat het door de vrouw gehanteerde rentepercentage van 3,2 % gezien de huidige rentestand aan de hoge kant is. In het verleden zijn partijen in Nederland woonachtig geweest in een woning met een waarde van rond de € 700.000,-. Mede met inachtneming van de waarde van deze woning en een lager rentepercentage acht het hof een netto woonlast aan de zijde van de vrouw van € 1.500,- netto per maand in lijn met de welstand van partijen gedurende het huwelijk. Verder heeft de vrouw gemotiveerd aangevoerd dat zij verwacht dat de gemeentelijke belastingen, de opstalverzekering en de onderhoudskosten in totaal (€ 93,- plus € 24,- plus € 383,- is) € 500,- per maand zullen bedragen. Weliswaar voert de man aan dat de onderhoudskosten te hoog zijn, maar de vrouw heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij op basis van het Nibud Handboek 2014 dat de Vereniging Eigen Huis hanteert als vuistregel voor de kosten van het onderhoud is uitgegaan van een percentage van 1% van de aankoopprijs van de woning. Het hof volgt de vrouw daarin.

12. Met betrekking tot de utilties overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven dat de verwachte kosten, gezien haar aangekochte woning, per maand als volgt bedragen: water € 21,-, gas/elektriciteit € 145,-, telefoon/kabel/internet € 110,-, mobiele telefoon € 35,- en verzekeringen (ter zitting nader toegelicht, rechtsbijstandsverzekering, aansprakelijkheids- en inboedel) € 65,- per maand. De man betwist de posten telefoon/kabel/internet en de post verzekeringen. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. In eerste aanleg heeft zij de vrouw als productie 12 bij het inleidend verzoekschrift) aangevoerd dat de kosten van telefoon/tv/internet bestaan uit een [merk] , [merk] , verbruikskosten bellen nationaal en verbruikskosten bellen internationaal (Canada) en [merk] . Het hof acht die door de vrouw gestelde kosten, gezien de welstand van partijen, redelijk. Voorts heeft de vrouw met betrekking tot de post verzekeringen in voormelde productie 12 aangevoerd dat die € 45,- per maand bedragen. Zij is daarbij uitgegaan van de aansprakelijkheidsverzekering, de doorlopende reisverzekering, de gezins-ongevallenverzekering en de inboedelverzekering. In hoger beroep heeft de vrouw, zo constateert het hof, kennelijk ook rekening gehouden met een rechtsbijstandsverzekering. Gezien de inkomens van partijen gedurende het huwelijk, acht het hof het redelijk dat ook met een premie aan rechtsbijstandsverzekering rekening wordt gehouden. Het hof acht het dan ook redelijk dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 376,- per maand aan kosten utilities.

13. Het hof houdt dan ook rekening met de totale kosten aan housing en utilities van € 2.376,- per maand.

Transportation

14. De vrouw stelt dat haar kosten van vervoer maandelijks € 969,- per maand bedragen. In de visie van de man bedragen die € 689,- per maand. Ter onderbouwing verwijst de vrouw naar productie 12 en 12D. In productie 12 heeft de vrouw de volgende posten opgevoerd:

  1. public transit, taxis € 130,-;

  2. gas and oil € 250,-;

  3. ar insurance and license € 120,-;

  4. repairs and maintenance € 200,-;

  5. parking € 35,-;

  6. afschrijving € 234,-.

In productie 12D voert de vrouw het volgende op:

  1. openbaar vervoer en taxi, gemiddeld openbaar vervoer over de maanden januari 2015-augustus 2015 € 31,- per maand;

  2. benzine en olie, overzicht van de uitgaven over de periode in juli en augustus (het hof begrijpt:) 2015, zonder kosten voor sporten van de kinderen;

  3. wegenbelasting € 77,- per maand en autoverzekering € 42,- per maand;

  4. kosten onderhoud in de periode van oktober 2014 tot en met augustus (het hof begrijpt:) 2015 € 164,- per maand, met de opmerking dat er vanaf is gezien om nieuwe banden te vervangen ad € 280,- per band;

  5. kosten parkeren van € 28,- per maand via Parkline en van € 15,- per maand aan overige kosten;

  6. kosten afschrijving. Een verwijzing naar een bijlage van de ANWB voor de autokosten van een [merk] uit 2004, waarin de ANWB komt op een bedrag van € 921,- per maand.

Daarnaast heeft de vrouw in productie 40 bij brief van 7 juni 2017 een hernieuwd overzicht gegeven over het jaar 2016 en wel met de volgende maandelijkse transportkosten:

  1. OV ad € 69,- per maand;

  2. benzine ad € 216,- per maand;

  3. verzekering ad € 41,-;

  4. reparatie/onderhoud ad € 230,- per maand;

  5. belasting ad € 76,- per maand;

  6. parkeren ad € 28,- per maand;

  7. afschrijving ad € 309,- per maand.

In die productie vergelijkt de vrouw de cijfers van het jaar 2016 met het jaar 2014/2015 maar gaat daarbij uit van andere cijfers dan in productie 12.

15. Het hof stelt voorop dat het door de diverse overzichten onduidelijk is geworden welke bedragen de vrouw tot uitgangspunt wenst te nemen. Het hof zal gezien de diverse lijsten de onderwerpen puntsgewijs bespreken aan de hand van de als productie 12D overgelegde behoeftelijst, nu daar naar wordt verwezen in het beroepschrift. Daarbij heeft het hof wel de bedragen zoals opgevoerd in de latere lijsten meegenomen bij de beoordeling van de hoogte van de posten.

a. Public transit, taxis

Nu de man de kosten van public transit, taxis als zodanig niet heeft bestreden, houdt het hof met deze kosten rekening. Gezien het laatst opgevoerde bedrag begrijpt het hof de vrouw aldus dat deze kosten € 69,- per maand bedragen.

Gas and oil

De vrouw heeft bij voormelde productie 12D een overzicht overgelegd van de kosten van benzine over de maanden juli en augustus (het hof begrijpt: 2015). Daarnaast heeft de vrouw een overzicht overgelegd in productie 25 bij productie 5 bij het beroepschrift).Voorts heeft de vrouw als productie 40 bij brief van 7 juni 2017 een overzicht van de benzinekosten overgelegd over de periode van augustus tot en met december 2016. Daaruit blijken de volgende bedragen te zijn uitgegeven in die betreffende periode chronologisch weergegeven:

4-10-2014

€ 70,09

16-10-2014

€ 58,34

19-10-2014

€ 58,58

22-10-2014

€ 15,26

27-10-2014

€ 63,20

4-11-2014

€ 60,07

9-11-2014

€ 88,05

16-11-2014

€ 91,77

22-11-2014

€ 99,73

29-11-2014

€ 95,79

6-12-2014

€ 85,32

13-12-2014

€ 82,28

21-12-2014

€ 89,54

26-12-2014

€ 83,54

8-1-2015

€ 87,31

16-1-2015

€ 82,00

27-1-2015

€ 75,04

2-2-2015

€ 80,22

12-2-2015

€ 73,69

15-2-2015

€ 82,51

23-2-2015

€ 82,54

12-3-2015

€ 65,62

20-3-2015

€ 88,67

27-3-2015

€ 51,84

30-3-2015

€ 93,84

5-4-2015

€ 51,27

17-4-2015

€ 41,97

20-4-2015

€ 68,13

23-4-2015

€ 12,99

29-4-2015

€ 89,67

4-5-2015

€ 70,26

10-5-2015

€ 81,46

12-5-2015

€ 14,78

14-5-2015

€ 86,85

28-5-2015

€ 78,88

7-6-2015

€ 92,83

16-6-2015

€ 12,99

17-6-2015

€ 84,82

26-6-2015

€ 85,61

3-7-2015

€ 90,40

15-7-2015

€ 95,31

27-7-2015

€ 70,65

2-8-2015

€ 83,75

11-8-2015

€ 77,70

20-8-2015

€ 97,25

31-8-2015

€ 82,32

7-9-2015

€ 67,12

14-9-2015

€ 64,03

23-9-2015

€ 1,95

23-9-2015

€ 60,05

5-10-2015

€ 81,33

16-10-2015

€ 82,47

26-10-2015

€ 51,33

1-8-2016

€ 69,41

2-8-2016

€ 91,63

4-8-2016

€ 21,35

22-8-2016

€ 51,66

29-8-2016

€ 60,44

12-9-2016

€ 44,15

12-9-2016

€ 74,39

7-10-2016

€ 79,45

14-10-2016

€ 67,29

2-11-2016

€ 35,19

4-11-2016

€ 60,67

16-11-2016

€ 73,42

21-11-2016

€ 58,95

28-11-2016

€ 73,39

12-12-2016

€ 50,32

12-12-2016

€ 51,28

19-12-2016

€ 78,68

Totaal

€ 4.824,68

Gem. 18 mnd

€ 268,04

De gemiddelde benzinekosten bedragen afgerond € 268,- per maand. Nu de vrouw over een lange periode de benzinekosten heeft weergegeven, gaat het hof voorbij aan het verweer van de man dat het incidentele kosten betreft. Over een deel van deze periode, zo erkent de vrouw, zijn kosten van het vervoer ten behoeve van de trainingen en wedstrijden van de kinderen van partijen meegenomen. Gelet daarop brengt het hof een bedrag van in redelijkheid begroot op € 100,- per maand in mindering. Derhalve neemt het hof een bedrag van € 168,- per maand aan benzinekosten in aanmerking.

Car insurance and license

De door de vrouw opgevoerde kosten van car insurance and license ad € 120,- per maand zijn als zodanig niet bestreden door de man, zodat het hof die bij de bepaling van de huwelijksrelateerde behoefte in aanmerking zal nemen.

Repairs and maintenance

De man meent dat de reparatiekosten van de auto bovenmatig zijn. De vrouw heeft overzichten overgelegd met de navolgende bedragen.

Nu de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt waar deze kosten op zien en evenmin of dit reguliere kosten betreffen, zal het hof de kosten van de repairs and maintenance in redelijkheid begroten op € 150,- per maand.

Parking

Ten aanzien van de kosten van parking overweegt het hof als volgt. De man heeft die kosten als zodanig niet bestreden, zodat het hof het bedrag van € 35,- per maand in aanmerking neemt.

Afschrijving

Ter zitting heeft de man erkend dat de vrouw kosten heeft van afschrijving van de auto. Gezien de gemotiveerde onderbouwing van de vrouw met betrekking tot de kosten van de afschrijving, die als zodanig niet door de man zijn bestreden, houdt het hof rekening met het door de vrouw in productie 12 bij het inleidend verzoekschrift opgevoerde bedrag van € 234,- per maand.

16. Op basis van het vorenstaande houdt het hof in totaal rekening met een bedrag van € 776,- per maand aan transportkosten.

Personal

17. De vrouw meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het redelijk is om rekening te houden met een bedrag van € 800,- per maand aan persoonlijke kosten. De vrouw meent dat zij deze kosten voldoende heeft onderbouwd en wijst naar productie 12, zoals overgelegd bij het inleidend verzoek. Zij voert de volgende maandelijkse kosten op:

  1. clothing ad € 465,-;

  2. hair care and beauty ad € 430,-;

  3. alcohol and tobacco ad € 20,-;

  4. education ad € 208,-;

  5. entertainment/recreations (excluding children) ad € 180,-;

  6. gifts ad € 100,-.

In hoger beroep heeft de vrouw als productie 36 een toelichting gegeven op de uitgaven. Daarnaast heeft zij in productie 38 en 39 de uitgaven van “hair and beauty” en de uitgaven “kleding” nader gespecificeerd.

a. Kleding

De vrouw heeft in productie 12, bijlage 6 aangegeven dat zij een overzicht heeft gemaakt van de kosten in 2010, 2011, 2012 en 2013 op basis van bankafschriften en uitdraaien van een boekhoudprogramma in Canada. Zij begroot de kosten:

In 2013 op € 304,- per maand.

In 2012 op € 381,- per maand.

In 2011 op € 665,- per maand.

In 2010 op € 503,- per maand.

Gemiddeld stelt zij de kosten van kleding op € 463,- per maand. Het hof begrijpt dat de vrouw verder wijst op productie 12E. Dit betreft op de eerste pagina een niet onderbouwd en niet goed leesbaar overzicht van de creditcard NL in 2010 en 2011 met daarop vermeld diverse bedragen en een overzicht van uitgaven “privé”. De bedragen vermeld op het overzicht creditcard NL corresponderen niet met de daarachter overgelegde overzichten van de Platinumcard over 2011 en het overzicht uitgaven “privé” komt niet overeen met de bankafschriften van de ING bank, die overigens ook niet chronologisch zijn opgesteld. Ook constateert het hof dat in deze overzichten ook bedragen worden vermeld van bijvoorbeeld kosten van parkeren. Bovendien stelt het hof vast dat de vrouw een bedrag van € 400,- aan kosten van een kliniek alsmede kosten van uit eten heeft opgevoerd onder de post kleding. Het hof kan dan ook niet vaststellen hoe hoog de kosten van kleding zijn. Ook de in productie 36 gegeven nadere toelichting en in productie 39 gegeven nadere specificatie verschaffen naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijkheid.

Met betrekking tot de post “Hair care and beauty” overweegt het hof als volgt. De vrouw stelt onder 6.2 van productie 12 dat de kosten in 2010 € 853,- per maand bedroegen, in 2011 € 246,-, in 2012 € 286,- en in 2013 € 329,- per maand, ofwel gemiddeld € 429,- per maand. Zij splitst de kosten uit in a) kapper, verven/3 weken a € 50,-, ofwel € 72,- per maand, b) wimper extensions/3 weken a € 35,-, ofwel € 51,- per maand, c) nagels ad € 28,- per maand, d) facial ad € 60,- per maand, e) massage ad € 100,-, f) wenkbrauwen ad € 10,- per maand en overig (spataderen, antirimpel, etc) ad € 100,- per maand. In producties 12F en 12G stelt de vrouw deze kosten nader te onderbouwen. Het hof acht deze door de vrouw overgelegde onderbouwing moeilijk te doorgronden. Zo betreft productie 12G volgens de vrouw de kosten over de jaren 2010 en 2011. De daarbij overgelegde bankafschriften zijn voor het hof te volgen, maar het hof stelt vast dat daarbij ook wordt opgevoerd een sclerocompressie. Dit betreft een eenmalige uitgave, die niet tot vaste maandelijkse kosten kan worden beschouwd. Daarnaast zijn de kosten van massages van € 1.200,- per jaar niet onderbouwd en begrijpt het hof niet wat het overzicht van [bedrijf] van 25 april 2014 te doen heeft met de jaren 2010 en 2011. Het een en ander is voor het hof nog onduidelijker geworden onder productie 12H, kosten van hair and beauty over de jaren 2012 en 2013. Het overzicht van 2013 van de uitgaven “hair and beauty” in Canada is voorts slecht leesbaar. De overzichten van de Platinumcard van 2013 betreffen diverse uitgaven, waaronder [merken] , die het hof niet kan scharen onder de post “hair care and beauty” en die overigens ook niet corresponderen met het door de vrouw opgestelde overzicht aan uitgaven. Ook is het voor het hof niet duidelijk waarom de vrouw bij dit overzicht de ING bank ook kosten voor [merken] opvoert over de jaren 2010 en 2011, terwijl die kosten onder productie 12G vielen. Daarnaast zijn diverse stukken overgelegd bij productie 12H slecht leesbaar.

Alcohol and tobacco

Gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man had het op de weg van de vrouw gelegen om deze post nader te onderbouwen.

Education

De vrouw stelt dat de kosten van opleiding in 2011 en 2012 € 313,- per maand bedroegen en in 2013 € 202,- per maand. Volgens haar waren de kosten voor 2011 en 2012 voor een leiderschapscursus die aanvankelijk werd betaald door haar werkgever, maar die moesten worden terugbetaald vanwege de verhuizing naar Canada. De vrouw stelt dat zij bij haar huidige werkgever niet in aanmerking komt voor dergelijke cursussen. De man verwijst in zijn verweer naar het verweerschrift in de voorlopige voorzieningenprocedure, waar hij heeft gesteld dat kosten van educatie thans niet aan de orde zijn en veelal door de werkgever van de vrouw worden vergoed. Gelet op dit standpunt en nu niet is gebleken dat de vrouw thans cursussen volgt (op eigen kosten), acht het hof het niet redelijk om rekening te houden met enig bedrag aan kosten van education.

Kosten entertainment/recreation en gifts

De vrouw stelt onder nummer 5 bij de bijlage 12 dat de kosten van entertainment/recreation in 2012 € 175,- en in 2013 € 142,- per maand bedroegen en bestaan uit kosten van verjaardag/feestdagen ad € 100,- per maand, twee keer naar de bioscoop ad € 36,- per maand en de opera/cabaret/iffr/concert/sport ad € 44,- per maand. De post gifts bedraagt volgens de vrouw € 100,- per maand. Gezien het verweer van de man en de welstand van partijen, acht het hof het redelijk om ten aanzien van de kosten van entertainment/recreation en gifts rekening te houden met een bedrag van € 150,- per maand. Het meerdere is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.

Conclusie

Nu het hof a) de kosten van kleding, hair and beauty en alcohol and tobacco niet kan vaststellen, b) geen rekening houdt met de kosten van education en c) slechts rekening houdt met een bedrag van € 150,- per maand aan kosten van entertainment/recreation en gifts, sluit het hof zich aan bij het standpunt van de man om ten aanzien van de totale persoonlijke kosten rekening te houden met een bedrag van € 800,- per maand.

Other Expenses

18. De vrouw verzoekt het hof rekening te houden met een bedrag van € 3.843,- per maand aan overige uitgaven en wijst naar productie 12L, zoals overgelegd bij het inleidend verzoekschrift. De man meent dat dit bedrag beperkt dient te blijven tot € 1.299,- per jaar. De vrouw heeft de volgende maandelijkse netto kosten geschaard onder de post overige uitgaven.

a. overlijdensrisicoverzekering man ad € 73,-;

b. overlijdensrisicoverzekering vrouw ad € 42,-;

c. vakanties ad € 1.150,-;

d. sparen/onvoorzien ad € 700,-;

e. pensioen ad € 1.000,-;

f. boeken ad € 65,-;

g. abonnementen ad € 77,-;

h. werkster ad € 500,-;

i. sport ad € 196,-;

j. beveiligingsinstallatie ad € 39,40.

19. Gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man staan ter discussie:

c) vakanties;

d) sparen/onvoorzien

e) pensioen;

h) werkster;

i. i) sport;

j) beveiligingsinstallatie.

Nu de overige door de man opgevoerde posten niet zijn bestreden, zal het hof met het totaalbedrag daarvan (overlijdensrisicoverzekering ad € 73,-, overlijdensrisicoverzekering ad € 42,-, boeken ad € 65,- en abonnementen ad € 77,-) € 257,- rekening houden bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte.

Vakanties

20. De vrouw meent dat de kosten van vakanties voldoende zijn onderbouwd. Partijen gingen zeven keer per jaar op vakantie en het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 1.150,- per maand is volgens de vrouw reëel.

21. De man acht de post vakanties veel te hoog. Partijen hebben nimmer zulke dure vakanties gehad en de vrouw onderbouwt dit niet. De zeven vakanties waren vooral lange weekenden in het vakantiehuisje in [plaats] van de vader van de man. Het gezin kon daar gratis verblijven. Er zijn ook veel werkgerelateerde reizen genoemd van de man waarbij hij voordrachten moest geven. De vrouw ging dan mee omdat partijen dan alleen maar de vliegreis hoefden te betalen. Op paardrijweekend is de vrouw maar éénmalig geweest. Sinds kort gaat de vrouw met haar partner op vakantie, waardoor de kosten lager zullen zijn. De man begroot de vakantiekosten op € 500,- per maand.

22. Het hof overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat het bedrag aan vakanties tijdens het huwelijk hoger ligt dan bij een gemiddeld gezin. De vraag is of dit bedrag € 1.150,- of
€ 500,- per maand bedraagt. De man heeft gemotiveerd gesteld dat partijen veelal verbleven in het vakantiehuisje in [plaats] en dat de vrouw vaak mee ging met de werkgerelateerde reizen, waardoor de kosten van de vakanties laag waren. Het hof acht het dan ook redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 500,- per maand aan vakantiekosten.

Sparen/onvoorzien

23. De man heeft in zijn verweer verwezen naar het verweerschrift in de voorlopige voorzieningenprocedure, waarin door hem is gesteld dat de post sparen/onvoorzien onvoldoende is onderbouwd. Het hof deelt die visie van de man en houdt dan ook geen rekening met enig bedrag aan sparen/onvoorzien.

Pensioen

24. De vrouw voert het volgende aan. Zij bouwt structureel minder pensioen op, nu zij werkzaam is in een baan die aanzienlijk minder betaalt dan de baan die zij had voordat partijen naar Canada vertrokken. Het verschil in inkomen waarover geen pensioen wordt opgebouwd, is volgens de vrouw € 103.000,- minus € 81.500,- is € 21.500,-. Uitgaande van een pensioenopbouw van 70% zou de vrouw bij pensionering voor een extra pensioenuitkering van € 15.000,- op jaarbasis moeten sparen om dit te kunnen compenseren. De man heeft de post pensioen gemotiveerd betwist.

25. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft gedurende het huwelijk bij haar voormalige werkgevers pensioen opgebouwd. Daarnaast bouwt zij thans over een bruto jaarinkomen van € 81.500,- pensioen op. Verder heeft de vrouw recht op pensioenverevening. De vrouw verzoekt in feite compensatie voor verlies van verdiencapaciteit doordat zij tijdens het huwelijk met de man mee naar Canada is gegaan en daarvoor haar baan in Nederland heeft opgegeven. Voor zover daar al sprake van zou zijn is deze veroorzaakt door de keuze van beide partijen om in Canada te gaan wonen. Deze keuze is begrepen in de welstand van partijen tijdens het huwelijk, die als uitgangspunt heeft te gelden voor de partneralimentatie. Reeds hierom faalt het betoog van de vrouw.

Werkster

26. De vrouw betoogt als volgt. De kosten van de werkster bedroegen € 110,- per week. De kosten van de glazenwasser bedroegen € 45,- per maand. De laatste twee kosten stelt de vrouw dan ook op € 500,- per maand. De man heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist.

27. Het hof acht een bedrag van € 250,- per maand aan kosten van een werkster en de glazenwasser redelijk, gezien de welstand van partijen tijdens het huwelijk en de omstandigheid dat er thans nog een kind thuis is.

Sport

28. Bij brief van 7 juni 2017 stelt de vrouw dat haar huidige sportkosten € 62,- per maand bedragen, maar dat zij daarop heeft bezuinigd in verband met het hebben van een lager netto besteedbaar inkomen. De sportkosten waren volgens de vrouw gemiddeld € 199,- tot € 220,- per maand. De man heeft dit gemotiveerd bestreden.

29. Het hof stelt vast dat de huidige reële kosten van sporten € 62,- per maand bedragen. Aangezien de vrouw in het verleden meer sportte, acht het hof het redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 100,- per maand aan kosten van sport.

Beveiligingsinstallatie

30. De vrouw stelt dat de man de kosten van de security ad € 39,40 per maand niet bij de rechtbank heeft betwist, zodat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door daar geen rekening mee te houden. In hoger beroep betwist de man deze kosten (alsnog). Naar het oordeel van het hof is door de vrouw onvoldoende aangetoond dat deze kosten, zoals de man stelt, niet vallen onder de post household. Het hof houdt dan ook geen rekening met deze kosten.

31. Het hof houdt dan ook rekening met een totaalbedrag aan kosten van other expenses van
€ 1.107,- per maand.

Conclusie

32. Gelet op voornoemde uitgaven becijfert het hof de totale netto behoefte van de vrouw afgerond op € 6.392,- per maand.

33. De vrouw heeft nog aangevoerd dat ook met toepassing van de zogenoemde hofnorm blijkt dat de door de vrouw berekende behoefte van € 11.404,- per maand, niet onredelijk voorkomt.

34. Het hof stelt voorop dat in de praktijk de behoefte wel wordt vastgesteld door middel van de zogenoemde hofnorm, zijnde 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, zonder rekening te houden met fiscale voordelen eigen woning enzovoort, minus de kosten van de kinderen. De hofnorm kan een beeld geven van de huwelijksgerelateerde behoefte. De man heeft op basis van deze hofnorm de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw becijferd op een bedrag van € 6.000,- netto per maand, uitgaande van een netto jaarinkomen van partijen van € 137.313,- in 2012. De vrouw heeft daartegen in gebracht dat dit jaarinkomen te laag is. Zij heeft ter ondersteuning van de in haar behoeftelijst opgenomen posten diverse berekeningen gemaakt van haar behoefte op basis van de 60%-norm, zoals in productie 12 bij productie 1, producties 23-28 bij productie 5 en producties 36 tot en met 45 in hoger beroep. Zij heeft berekeningen gemaakt over 2012 en 2014. De uitkomst van toepassing van de 60%-norm is volgens de vrouw nagenoeg gelijk aan de behoefte zoals berekend aan de hand van de opgenomen posten in haar behoeftelijst van € 11.404,- netto per maand. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van het jaarinkomen zoals partijen hebben genoten in Canada en heeft de man ten onrechte een groot deel van de inkomsten van partijen niet meegenomen. Het hof is met de vrouw van oordeel dat het inkomen in Canada ook een rol bij haar huwelijksgerelateerde behoefte kan spelen, waarbij wel in aanmerking moet worden genomen dat het huwelijk van partijen meer dan 21 jaar heeft geduurd en partijen slechts één jaar hebben samengeleefd in Canada. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat het inkomen van de man veel hoger zou moeten liggen. Zij wijst daarbij op het uitgavenpatroon van partijen. Volgens de vrouw hebben partijen een bedrag van € 197.000,- uitgegeven vanaf hun bankrekeningen en zijn er daarnaast nog betalingen gedaan door de man vanaf zijn credit card, zodat sprake moet zijn van zwarte inkomsten. Er was niet ingeteerd op het vermogen, maar zelfs nog gespaard, aldus de vrouw.

35. Het hof volgt de vrouw niet in haar betoog. De zogenoemde hofnorm gaat uit van de inkomsten van partijen en niet van het uitgavenpatroon van partijen. Bovendien heeft de man te kennen gegeven dat hij onkostenvergoedingen ontving die ook als zodanig zijn besteed. Als de berekenmethodiek van de vrouw zou worden gevolgd, zouden deze vergoedingen – ten onrechte – behoren tot de inkomsten. Op basis van de door de man als productie HB1 bij het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, productie 2 overgelegde aanslagen Inkomstenbelasting 2012 stelt het hof vast dat het bruto inkomen van partijen in dat jaar € 223.075,- bruto (inclusief nevenactiviteiten) van de zijde van de man bedroeg en € 89.268,- van de zijde van de vrouw, ofwel in totaal € 312.343,-. De man heeft onweersproken gesteld dat dit leidt tot een netto inkomen van € 137.313,- per jaar, dus € 11.442,- netto per maand . Als daarop de kosten van de kinderen, onweersproken door de man gesteld op € 1.450,- netto per maand, in mindering worden gebracht beschikten partijen ten tijde van hun samenleving over een netto inkomen van € 9.993,- netto per maand, hetgeen met toepassing van de hofnorm leidt tot een netto behoefte van € 5.996,- per maand. Ook met toepassing van de zogenoemde hofnorm komt het hof mitsdien niet op een hoger bedrag uit dat hetgeen het hof hierboven onder overweging 8 tot en met 31 heeft berekend.

Behoeftigheid

36. De vrouw heeft thans, zo blijkt uit de door de vrouw als productie 25 bij brief van 7 juni 2017 overgelegde werkgeversverklaring een bruto jaarinkomen van € 81.472,06.

37. Het hof begroot de aanvullende behoefte van de vrouw dan ook niet op een lager bedrag dan de door de rechtbank vastgestelde bruto bijdrage van € 4.875,00,- per maand. Immers uitgaande van een bruto jaarinkomen van € 81.472,06 uit arbeid en een partneralimentatie van € 58.500,- bruto per jaar, derhalve van een totaal bruto jaarinkomen van € 140.242,-, kan de vrouw voorzien in haar huwelijks gerelateerde netto behoefte van € 6.392,- per maand.

Aandeel kosten kinderen

38. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, stelt de vrouw dat zij wel degelijk bijdraagt in de kosten van de kinderen. Zij stelt dat haar aandeel in de kosten van de kinderen op haar inkomen in mindering moet worden gebracht, hetgeen naar het hof begrijpt haar aanvullende behoefte met hetzelfde bedrag verhoogt. De vrouw becijfert het bedrag dat zij moet bijdragen op € 1.773,- per maand, willen de kinderen in dezelfde welstand kunnen leven die zij tijdens het huwelijk gewend waren. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw dit, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, niet aangetoond. Overigens acht het hof het niet redelijk dat, voor zover de vrouw een bijdrage aan de kinderen voldoet, deze bij de bepaling van de partneralimentatie alsnog ten laste van de man wordt gebracht. Hij voldoet immers al (het merendeel van) alle kosten van de kinderen van partijen en op de door de vrouw voorgestelde wijze zou de man in feite het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen in de vorm van partneralimentatie gaan voldoen .

Draagkracht man

39. Nu de door het hof vastgestelde partneralimentatie niet hoger is dan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage, behoeft de draagkracht van de man geen bespreking.

Nihilstelling/limitering

40. De rechtbank heeft geoordeeld dat het, in afwijking van artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), redelijk en billijk is wanneer de man bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voor een periode van vijf jaar na inschrijving van beschikking van echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Daarbij heeft de rechtbank, onder andere, overwogen dat de vrouw voorafgaand aan het vertrek van partijen naar Canada functies in de zorg heeft vervuld op directieniveau. De rechtbank heeft de vrouw in staat geacht om binnen enkele jaren een inkomen te verwerven van € 90.000,- tot € 100.000,- bruto per jaar en daarmee in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dit naar aanleiding van het verzoek van de man om de door hem te betalen partneralimentatie uiterlijk tot 1 juli 2019 te bepalen, althans voor een zodanige periode als de rechtbank juist acht, subsidiair bepaling dat op de vrouw een inspanningsverplichting rust om voor 1 juli 2019 volledig in haar levensonderhoud te voorzien bij gebreke waarvan de alimentatie met ingang van 1 juli 2019 op nihil word gesteld. In hoger beroep verzoekt de man vast te stellen dat de alimentatieverplichting eindigt na het verstrijken van een termijn van drie maanden nadat het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, dan wel per een zodanige datum als het hof in redelijkheid vaststelt, in de zin van art. 1:157 lid 3 BW, subsidiair dat het hof bepaald dat de partnerbijdrage die de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren per die datum op nihil wordt gesteld althans per een datum die het hof in redelijkheid vaststelt. De vrouw verzoekt het hof vast te houden aan de wettelijke termijn van twaalf jaren.

40. Aan de orde is de vraag of er aanleiding is de alimentatieverplichting te limiteren dan wel op nihil te stellen na een bepaalde termijn.

42. Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:157 lid 3 BW voorziet in de mogelijkheid om door het stellen van een termijn de duur van het bestaan van een alimentatieverplichting korter te laten zijn dan de algemene wettelijke duur van twaalf jaren. Met het verstrijken van de termijn eindigt de alimentatieverplichting. Dit brengt mee dat na die termijn - afgezien van het in artikel 1:401 lid 2 BW bepaalde - in het geheel geen alimentatie meer kan worden gevorderd. Dit is anders dan een nihilstelling, welke beslissing op de in de wet voorziene gronden voor wijziging vatbaar is.

43. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft de studies Geneeskunde en Beleids- en bestuurswetenschappen beide cum laude afgerond. Na haar studies is zij in 1996 gepromoveerd en heeft zij acht jaar gewerkt als universitair hoofddocent (senior epidemioloog). . De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw 75 (internationale) publicaties op haar naam heeft staan en meerdere promovendi heeft begeleid. Daarnaast heeft zij de Nederlandse volksgezondheidsprijs gewonnen. Vanaf 2005 is de vrouw als bestuurder in de gezondheidszorg werkzaam. Voor het werk van de man zijn partijen verhuisd naar Canada en de vrouw heeft daarvoor haar baan als directeur opgegeven. Zij heeft toen twee jaren niet in Nederland gewoond, maar nog wel werkzaamheden verricht voor de corporation van de man. Inmiddels is de vrouw al weer drie jaren in Nederland en sinds 8 september 2014 werkzaam bij een onderzoeksinstituut. Sinds haar indiensttreding is haar inkomen aanzienlijk gestegen. Inmiddels heeft zij een inkomen van € 81.472,- bruto per jaar. Weliswaar stelt de vrouw dat zij thans niet verder kan groeien in salaris, maar gezien haar uitstekende curriculum vitae en haar netwerk is het hof op dat punt een andere visie toegedaan. Naar het oordeel van het hof zijn de opleidingsmogelijkheden van de vrouw en haar kansen op de arbeidsmarkt, ondanks haar verblijf in Canada en haar daling van het inkomen, niet negatief beïnvloed door het huwelijk. Het hof verwacht dan ook dat de verdiencapaciteit van de vrouw binnen drie jaren na heden aldus zal zijn dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarbij gaat het hof ervan uit dat het inkomen van de vrouw, zonodig in een andere baan, in de toekomst nog zal stijgen. Anders dan de vrouw meent, is geen sprake van een recht op alimentatie gedurende twaalf jaren, maar kan er slechts een aanspraak zijn op alimentatie indien sprake is van behoefte aan de zijde van de alimentatiegerechtigde en draagkracht aan de zijde van de alimentatieplichtige. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw zich zal inspannen haar inkomen de komende drie jaren op een zodanig niveau te brengen dat zij daardoor over drie jaren in haar eigen behoefte kan voorzien. Met ingang van die datum zal het hof dan ook de alimentatie op nihil stellen. Dat de chronische ziekte van de vrouw haar parten speelt bij het verwerven van (arbeids)inkomsten, zoals de vrouw stelt, is het hof niet gebleken.

44. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de kinderalimentatie en de duur van de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 10 februari 2017 voor de verzorging van [minderjarige 2] zal betalen een bedrag van € 725,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, waarnaast de man het schoolgeld rechtstreeks zal voldoen dat aan de opleiding van [minderjarige 2] verbonden is zolang zij onderwijs volgt aan het [school] dan wel aan een andere bijzondere onderwijsinstelling die niet tot het regulier onderwijs wordt gerekend;

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw voor de periode van 10 februari 2017 tot 27 september 2020 op € 4.875,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, en met ingang van 27 september 2020 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en R.M. Troost, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 september 2017.