Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2858

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
200.206.784/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet van de alimentatieplichtige is geen verwijtbaar inkomensverlies in de verhouding tot de alimentatiegerechtigde. Conflict tussen werkgever en werknemer is ontstaan over de werktijden. De man wenste zijn werktijden aan te passen in het kader van zijn wettelijke zorgtaken jegens zijn kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 september 2017

Zaaknummer : 200.206.784/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-4891

Zaaknummer rechtbank : C/10/503759

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K.J. Kerdel te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 5 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 oktober 2016 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 2 maart 2017 verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 februari 2017 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 7 juli 2017 een V-formulier van 6 juli 2017 met bijlagen.

De zaak is op 21 juli 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de vrouw.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 27 september 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij de beschikking van 27 september 2012 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de na te noemen minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 500,-- per maand per kind en is ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 968,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man, inhoudende wijziging van de beschikking van 27 september 2012 van de rechtbank Rotterdam in die zin dat de in die beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarigen en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 oktober 2015 wordt bepaald op nihil, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna tezamen te noemen: de minderjarigen, alsmede

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, voor zover rechtens mogelijk, het verzoek van de man alsnog toe te wijzen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie en partneralimentatie met ingang van 2 oktober 2015 op nihil wordt gesteld, althans wordt vastgesteld op een door het hof te bepalen bedrag en met een door het hof te bepalen ingangsdatum.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Kinder- en partneralimentatie

Wijziging van omstandigheden

4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven gerechtvaardigd is.

Eigen aandeel in de kosten van de minderjarige (de behoefte) en de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw

5. Niet ter discussie staat de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage.

6. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw staat evenmin ter discussie, met dien verstande dat de vrouw ter zitting heeft verklaard met ingang van 1 januari 2017 geen aanspraak meer te willen maken op partneralimentatie.

Draagkracht van de man

7. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert de man het volgende aan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het inkomensverlies van de man niet meer voor herstel vatbaar is, echter is er geen sprake geweest van verwijtbaar inkomensverlies. Het ontslag van de man is het gevolg van de slechte verstandhouding van hem met zijn direct leidinggevende. De man heeft geen bewuste keuze gemaakt om geen inkomen meer te hebben. De man stelt verder dat het enkele feit dat het ontslag op staande voet door de kantonrechter en het hof is gehonoreerd niet per definitie betekent dat - in het licht van de onderhoudsverplichtingen - kan worden gesproken van een verwijtbaar inkomensverlies. De handelingen van de man zijn niet van een dusdanige aard dat hij zich daarvan met het oog op zijn onderhoudsverplichtingen van had moeten onthouden.

Indien het hof meent dat wel sprake is van een niet voor herstel vatbaar, verwijtbaar, inkomensverlies, is de man van mening dat hij wel degelijk heeft aangetoond dat hij met zijn fictieve inkomen en lasten onder de 90% norm uitkomt. De man heeft een welbewuste keuze gemaakt om geen bijstandsuitkering aan te vragen. De man realiseert zich daarbij dat deze keuze niet aan de vrouw en de minderjarigen kan worden tegengeworpen en realiseert zich dat bij zijn “feitelijke” inkomen voor de periode tot 1 januari 2017 rekening dient te worden gehouden met een uitkering op grond van de Participatiewet. De hoogte hiervan bedraagt echter € 972,70 per maand en zelfs indien de huur- en ziektekostenlasten van de man buiten beschouwing worden gelaten, komt hij met een onderhoudsplicht voor de vrouw en minderjarigen van thans € 2.062,10 per maand per definitie onder 90% van de bijstandsnorm. Met ingang van 1 januari 2017 ontvangt de man een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand van € 447,25 per maand. Verder ontvangt de man ten onrechte nog een voorlopige teruggaaf van de belastingdienst inzake zijn alimentatieverplichtingen, nu hij thans geen alimentatie betaald. Dit zal de man op termijn moeten terugbetalen.

Tot slot wijst de man erop dat de vrouw inmiddels is hertrouwd.

8. De vrouw wijst erop dat de man tot op heden geen bijdrage heeft voldaan. Ook aan zijn aanbod om € 49,-- per maand te betalen heeft de man geen uitvoering gegeven. De vrouw wenst om haar moverende redenen vanaf 1 januari 2017 geen aanspraak meer te maken op partneralimentatie. Zij heeft eigen inkomsten en wil voor zichzelf zorgen. De vrouw betwist dat zij is hertrouwd.

De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de man zich had dienen te onthouden van de gedragingen wetende dat de vrouw en de minderjarigen van zijn bijdrage afhankelijk zijn. De vrouw betoogt verder dat ook na het gegeven ontslag op staande voet er nog voldoende mogelijkheden waren van de man om zijn inkomensverlies te beperken. Hij had bijvoorbeeld met behulp van een advocaat aan kunnen sturen op een vaststellingsovereenkomst waarin het ontslag op staande voet werd ingetrokken en waardoor hij een werkeloosheidsuitkering had kunnen bewerkstelligen. Verder bevreemdt het de vrouw dat de man al 17 maanden geen inkomen heeft, maar wel veel uitgaven kan doen. Op de overige stellingen van de man heeft de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd.

9. Het hof stelt voorop dat vast staat dat de man sinds 1 december 2006 bij [bedrijf] in loondienst werkte, waarbij zijn draagkracht de vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per kind per maand en de vastgestelde partneralimentatie van € 968,- per maand toeliet. De man is op 2 oktober 2015 op staande voet ontslagen. De man heeft dit ontslag in rechte aangevochten. Het ontslag op staande voet is door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag bij beschikking van 31 december 2015 en door dit hof bij beschikking van 9 augustus 2016 gehonoreerd. Als gevolg van de verwijtbaarheid van het ontslag komt de man niet in aanmerking voor een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet. De man heeft welbewust de keuze gemaakt om pas op een later moment een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand aan te vragen, welke uitkering hij met ingang van 1 januari 2017 ontvangt. De vraag die beantwoord moet worden, is of de door het ontslag van de man veroorzaakte inkomensvermindering bij de berekening van zijn draagkracht buiten beschouwing moet worden gelaten.

11. Nu het aldus bedoelde inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is, dient de vraag te worden beantwoord of dit inkomensverlies aan de man, kort gezegd, verwijtbaar is. Daarbij is niet noodzakelijk beslissend waartoe de man gehouden was jegens zijn (voormalig) werkgever [bedrijf] , noch of hem in verband daarmee jegens [bedrijf] een verwijt treft. Naar het oordeel van het hof is, anders dan de vrouw heeft gesteld, uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat bij de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, in die zin dat hij zich uit hoofde van zijn verhouding tot de vrouw en de minderjarigen, van de gedragingen die het (onherstelbare) inkomensverlies hebben veroorzaakt, had behoren te weerhouden. Vast staat dat de man niet zelf ontslag heeft genomen. Met de overgelegde stukken en de toelichting van de man ter zitting acht het hof voldoende aannemelijk dat aan het ontslag van de man een conflict met zijn (nieuwe) direct leidinggevende ten grondslag heeft gelegen. Het ontstaan van een conflict is een veelal dynamisch proces waarbij in ieder geval twee partijen betrokken zijn. Het onderhavige conflict tussen de man en zijn direct leidinggevende vond mede zijn basis in het feit dat de man zijn werktijden niet nakwam. Dit laatste werd mede veroorzaakt door het feit dat de werkgever geen dan wel onvoldoende rekening wenste te houden met de zorgtaken die de man had jegens zijn kinderen. Vanuit het perspectief bezien van de werkgever kan de werkgever de werknemer strikt houden aan zijn werktijden, vanuit het perspectief bezien van de man - in het kader van zijn vader rol - acht het hof begrijpelijk dat hij ook een zo goed mogelijke invulling wenst te geven aan zijn wettelijk plicht om zijn kinderen op te voeden. In het onderhavige geval is sprake van een echtscheidingssituatie, waarbij het hof de overtuiging heeft dat de man een goede invulling wil geven aan zijn zorgtaken. Het hof is derhalve van oordeel dat de man in zijn verhouding tot de vrouw niet verwijtbaar heeft gehandeld. Conflicten in arbeidsverhoudingen komen zeer regelmatig voor en dat een conflict in de arbeidsrelatie tot een einde van de dienstbetrekking leidt, brengt naar het oordeel van het hof niet altijd mede dat de gevolgen daarvan alleen op de alimentatieplichtige moeten rusten. Indien de vrouw nog met de man getrouwd zou zijn geweest, had zij ook de financiële gevolgen van het ontslag ondervonden. Hoewel de man in het conflict met zijn voormalig werkgever wellicht fouten heeft gemaakt en niet juist heeft gehandeld, acht het hof het inkomensverlies van de man daardoor niet zodanig verwijtbaar dat daarvan uitsluitend de gevolgen voor rekening van de man zouden moeten komen. Er is derhalve in zoverre geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies.

12. Aangezien naar het oordeel van het hof niet gesproken kan worden van verwijtbaar inkomensverlies ter zake van het ontslag bij [bedrijf] zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man niet uitgaan van het bij [bedrijf] genoten salaris, maar zal het hof uitgaan van het feitelijke inkomen dat de man sinds 2 oktober 2015 geniet.

13. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man in de periode tot 1 januari 2017 geen inkomen heeft genoten. Sinds 1 januari 2017 ontvangt hij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand van € 447,25 per maand. Onder deze omstandigheden heeft de man naar het oordeel van het hof geen draagkracht om enige onderhoudsbijdrage te kunnen voldoen. Het hof gaat ervan uit dat de man al het mogelijke doet om zo snel mogelijk weer een (goed) betaalde opdracht dan wel dienstbetrekking te vinden en dat hij de vrouw hiervan op de hoogte zal houden.

14. Uit dit alles volgt dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

15. Gelet op al het voorgaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 27 september 2012 van de rechtbank Rotterdam - de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie met ingang van 2 oktober 2015 op nihil;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.I.M. Ydema, A.N. Labohm en L.N.A. van Veen, bijgestaan door mr. P.E.C.M. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2017.