Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2855

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
22-001094-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het middelen en inlichtingen (trachten te) verschaffen, om het begaan van misdrijven met een terroristisch oogmerk voor te bereiden en te bevorderen. Art. 96 lid 2 Sr. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 21 maanden voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren, met bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar), te weten een meldplicht, voortzetten behandeling bij polikliniek Kairos, voortzetten gesprekken met een deskundige over zijn geloof, contactverboden en vragen van toestemming voorafgaand aan reis naar het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001094-16

Parketnummer: 10-960200-14

Datum uitspraak: 6 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp.

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Inhoudsopgave

1. Het onderzoek ter terechtzitting

2. Procesgang

3. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

4. Tenlastelegging

5. Het vonnis waarvan beroep

6. Achtergrond en algemene bewijsoverwegingen

6.1 Strijdende partijen in het conflict in Syrië

6.2 Terroristische misdrijven

7. Beoordeling van de tenlastelegging

7.1 Voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1 Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven, artikel 96, lid 2, Sr

7.1.2 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.1.3 De door het hof vastgestelde feiten

7.1.4. Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging in relatie tot art. 96, lid 2, Sr

7.1.5 Slotsom ten aanzien van het ten laste gelegde

8. De bewezenverklaring

9. Bewijsvoering

10. Strafbaarheid van het feit

11. Strafbaarheid van de verdachte

12. De strafoplegging

12.1 Vordering van de advocaat-generaal

12.2 Het standpunt van de verdediging

12.3 Het oordeel van het hof

12.3.1 De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

12.3.2 De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden

12.3.3 De op te leggen straf

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

BESLISSING

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

30 januari 2017, 7 februari 2017, 30 augustus 2017,

4 september 2017 en 6 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

4 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans in hoger beroep aan de orde, - kort samengevat – ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met

25 november 2014 in Arnhem en/of Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië (tezamen en in vereniging) de onder A tot en met J vermelde handelingen heeft verricht met het oogmerk om een brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing, moord en/of doodslag - telkens begaan met een terroristisch oogmerk - voor te bereiden en/of te bevorderen.

De volledige tenlastelegging is als bijlage bij dit arrest gevoegd.

5 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Achtergrond en algemene bewijsoverwegingen 1

6.1

Strijdende partijen in het conflict in Syrië

1. Het is een feit van algemene bekendheid, zoals daarvan (tevens) blijkt uit de door het hof geraadpleegde – en zonder noemenswaardige moeite te raadplegen – algemeen toegankelijke bronnen2 dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.3

2. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan 3 miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,6 miljoen.4

3. In de loop van 2012 werd duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken waren bij de opstand in Syrië tegen het regime van Assad.5

4. In de strijd tegen het regime van Assad hebben zich ook twee belangrijke aan Al-Qa’ida gelieerde jihadistische organisaties gemengd: Jabhat al-Nusra (per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISI, ISIL, AQI of DAESH).

ISIS/IS

5. ISI wijzigde op 8 april 2013 haar naam in de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), onder meer om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken. Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat (IS).6 Abu Bakr al-Baghdadi, de emir van de organisatie, werd aangesteld als ‘kalief’ van IS.7

6. De Islamitische Staat is in internationaal verband aangemerkt als terroristische organisatie en is daarmee een in Nederland verboden terroristische organisatie. Op 30 mei 2013 wordt het toenmalige ISIL aan de VN Sanctielijst toegevoegd. Op 1 juli 2013 is het toenmalige ISIL op de financiële sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.8

7. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitisch kalifaat dat de landsgrenzen van in ieder geval Syrië en Irak overstijgt. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.9

8. ISIS/IS hanteert tijdens militaire operaties en de uitoefening van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en martelingen. De organisatie doodt tegenstanders door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd, zo wordt gemeld uit de door ISIS bezette of bevochten gebieden.10

Jabhat al-Nusra

9. Jabhat al-Nusra maakte op 24 januari 2012 zijn oprichting bekend.11

10. Jabhat al-Nusra is in internationaal verband aangemerkt als terroristische organisatie en daarmee een in Nederland verboden (terroristische) organisatie. Op 30 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN Sanctielijst geplaatst als een van de aliassen van Al-Qa’ida in Iraq. Jabhat al-Nusra is op 29 mei 2014 op de (financiële) sanctielijst van de EU geplaatst.12

11. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitische staat. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.13

12. Jabhat al-Nusra bedient zich tijdens haar (militaire) operaties van de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp.14 Veel van de aanslagen die in 2012 in Syrië zijn gepleegd werden door Jabhat al-Nusra opgeëist. De claims van Jabhat al-Nusra worden op het internet bekend gemaakt op jihadistische websites als www.shamikh1.info en www.as-ansar.com en bijvoorbeeld ook via haar eigen Twitteraccount.15

13. Eind juli 2014 zou de aanwezigheid en de invloed van Jabhat al-Nusra zich hebben beperkt tot de rurale gebieden van Aleppo, Idlib en Hama. Jabhat al-Nusra concentreert zich in de maanden na het uitroepen van het Kalifaat door IS veel meer op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrische grensgebied in het Noord-Westen van Syrië. In oktober 2014 boekt Jabhat al-Nusra wederom militaire successen in de provincie Idlib.16

14. Zowel IS als Jabhat al-Nusra zijn organisaties in de zin van artikel 140a Sr zoals door de Hoge Raad in zijn bestendige rechtspraak nader ingevuld. De hierboven beschreven misdrijven worden gepleegd door deze uit grote aantallen personen bestaande samenwerkingsverbanden die zich kenmerken door een zekere duurzaamheid en structuur. Dat komt – gelet op het bovenstaande – onder andere naar voren in de bestendigheid van de organisaties die reeds sinds 2012 bestaat, hun hiërarchische structuur en de wijze van naar buiten treden door de organisatie.

Rapport ‘Bestemming Syrië’ 17

15. In het rapport ‘Bestemming Syrië’ wordt ingegaan op de vraag of een uitreis naar Syrië in 2014 gelijk stond aan een bestaan als strijder of dat er ook andere opties waren. In dit rapport is hierover onder meer het volgende vermeld.

16. Sinds 2012 zijn velen uit het westen, waaronder naar schatting 220 Nederlanders naar het conflictgebied in Syrië (en Irak) getrokken. Het overgrote deel van de Nederlandse uitreizigers heeft zich aangesloten bij salafi-jihadistische strijdorganisaties: ISIS en (aan) Jabhat al-Nusra (gelieerde groepen).18

17. De mannen worden – aangekomen in Syrië - naar trainingskampen gebracht. Nadat deze training is doorlopen, kunnen buitenlanders in verschillende functies terechtkomen. De meesten – waaronder Nederlanders - zullen worden ingezet als strijder, maar er zijn ook voorbeelden dat personen andere rollen vervullen.19

18. Over de mogelijkheden tot het vervullen van een functie achter de frontlinie bij Jabhat al-Nusra is minder informatie beschikbaar dan bij ISIS. Jabhat al-Nusra controleert aanzienlijke gebieden waardoor ook hier bepaalde niet-militaire functies moeten worden vervuld. Ook personen die in dergelijke andere functies belanden blijven overigens, door de eerder afgelegde eed, wel reservist: zij kunnen te allen tijde door hun emir worden opgeroepen om mee te komen strijden. Weigeren lijkt niet tot de opties te behoren. Het is dan ook niet mogelijk te stellen dat personen met een rol achter de frontlinies zich volledig aan de gewelddadige strijd kunnen onttrekken.20

19. Buitenlandse strijders kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Bijvoorbeeld om grensbieden of checkpoints te bewaken (ribaat) of om na verloop van tijd aan de frontlinies te strijden. Anderen bewaken gevangenissen of zijn (in-)direct betrokken bij martelingen of executies. Er is vastgesteld dat strijders periodes aan het front afwisselen met periodes achter de frontlinies. Eenmaal teruggekeerd van het slagveld voeren strijders ook andere taken uit, bijvoorbeeld administratieve werkzaamheden, da’wa (missie, zending), bijeenkomsten of het wachtlopen binnen steden.21

Deskundige Weggemans

20. Ter terechtzitting in hoger beroep is een van de opstellers van het rapport ‘Bestemming Syrië’, dhr. Weggemans, als deskundige gehoord. Hij heeft onder meer aangegeven dat Jabhat al-Nusra primair een strijdorganisatie is. De deskundige heeft voorts verklaard dat in geval van aansluiting bij Jabhat al-Nusra, de kans groot is dat de persoon bij de strijd betrokken raakt.22 Er zijn ook andere functies binnen Jabhat al-Nusra. Weggemans acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de personen die deze functies vervullen geen banden met Jabhat al-Nusra hebben.23 Hij acht het voorts hoogst onwaarschijnlijk dat er in Jabhat al-Nusra gebied civiele functies kunnen worden vervuld zonder daadwerkelijke aansluiting bij Jabhat al-Nusra.24

6.2

Terroristische misdrijven

1. Artikel 83 Sr bepaalt welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

2. Artikel 83a Sr omschrijft het terroristisch oogmerk als:

‘het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

3. Aan de verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd in de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014.

4. Het is een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten maar ook al ver voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden.

5. Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in art. 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in art. 83a Sr. De Jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en - om hun doel te bereiken - dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic ( verder: IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”25

6. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.26

7 Beoordeling van de tenlastelegging

7.1

Voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1

Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven, artikel 96, lid 2, Sr

1. De toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

– art. 96 Sr:

1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a

omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

– art. 288a Sr:

Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

– art. 289 Sr:

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

– art. 289a Sr:

  1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

– art. 157 Sr:

Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

art. 176b Sr:

  1. De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161 sexies, onderdelen 3° en 4°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr27 omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat gelet op de wetsgeschiedenis de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, NbSr 2002/244 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NbSr 2014/95).28

7.1.2

Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.1.2.1 Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

7.1.2.2 Standpunt van de verdediging

1. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

2. De verdachte heeft gesteld dat hij naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde reizen om weeskinderen te gaan helpen.

3. De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat alleen de onder E ten laste gelegde gedraging dat de verdachte zou hebben deelgenomen aan Arabische lessen kan worden bewezen. Volgens de verdediging biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra, IS of een andere groepering. Gelet hierop ontbreekt bij de verdachte het vereiste oogmerk om met de ten laste gelegde gedragingen een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.

7.1.3

De door het hof vastgestelde feiten

1. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast, waarbij het hof de volgorde van de tenlastelegging volgt.

Onderdelen 1. B, C, E en I van de tenlastelegging

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij naar Syrië wilde en dat hij de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gevraagd of hij wilde meedenken en meehelpen.29 [Medeverdachte 1] zegt in een chatgesprek van 12 oktober 2014 dat hij naar Jabhat al-Nusra gaat.30 [Medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij in Syrië, in Kafr Hamra, is geweest en in december 2013 in Nederland is teruggekeerd.31 Hij heeft tevens verklaard dat de verdachte hem heeft gevraagd om hem te helpen bij de reis naar Syrië en om hem in contact te brengen met iemand die zich daar bevindt. Naar aanleiding van dat verzoek heeft [medeverdachte 1] contact gehad met [betrokkene 1] en met andere mensen. [Betrokkene 1] woonde in een dorpje in een gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra.32 De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat “het wel een gebied kon zijn dat in handen was van Jabhat al-Nusra”.33 Zowel de verdachte34 als [medeverdachte 1]35 spraken versluierd over hun uitreisplannen.

3. Op 5 april 2014 heeft [medeverdachte 1] WhatsApp contact met ‘[betrokkene 2]’, die gebruik maakt van een Syrisch telefoonnummer, over de te volgen route.36 In september en oktober 2014 heeft [medeverdachte 1] via Skype of Facebook daarover contact met [betrokkene 3]37, die zich van de skypenaam ‘[skypenaam van betrokkene 3]’ bediende.38 [Medeverdachte 1] heeft [betrokkene 3] – die op dat moment in Syrië deelnam aan de gewapende strijd aan de zijde van IS39 – naar routes heeft gevraagd van Nederland naar Turkije.40 [Betrokkene 3] gaf [medeverdachte 1] opties.41

4. In chatverkeer op 30 juli 2014 tussen [medeverdachte 1] en een vermoedelijk in Syrië verblijvend persoon met een Syrisch telefoonnummer vraagt [medeverdachte 1] hoe het leven daar is en of er nog een nieuw front geopend wordt. De ander laat hem weten dat hij gemist wordt en doet vervolgens kort verslag van de ontwikkelingen van de strijd in Syrië.42

5. Verder blijkt uit een chat van 12 oktober 2014 met [betrokkene 3] dat hij [medeverdachte 1] adviseert via Griekenland te reizen en Syriër te spelen en in het Arabisch te zeggen dat hij naar Syrië wil gaan.43 [Medeverdachte 1] heeft aan Arabische lessen deelgenomen.44 De verdachte heeft verklaard dat [betrokkene 4] hen les gaf.45 Het hof stelt vast dat [betrokkene 4] de Arabische lessen gaf.46 Op 30 mei 2013 was Jabhat al-Nusra op de VN sanctielijst geplaatst.47

6. De verdachte – die samen met [medeverdachte 1] naar Syrië zou reizen – heeft tegenover [betrokkene 5] op 7 september 2014 verklaard dat hij zich gaat aansluiten “daar”, waarop [betrokkene 5] antwoordt dat hij zich gaat aansluiten “bij hun”, waarop de verdachte zegt: “dan zie ik je op het slagveld, we ontmoeten elkaar.”48

Onderdelen F en G van de tenlastelegging

7. De verdachte beschikte op 30 oktober 2014 over een lijst met ‘tien (10) punten van waaraan te houden’. Daarop staan onder meer de punten: 1. Spreek met niemand via social media als die persoon in Syrië is; 2. Bespreek dit niet met zelfs jouw dichtstbijzijnde vrienden of familie. 3. Iedereen is hierover op de hoogte dus haast je met het oversteken van de grens. 4. Eet zoveel je kunt (…). (…). 8. Doe een medische test voordat je hier komt. (…). 9. Maak veel gebeden????. 10 Doe het alleen in de naam van Allah!49

8. Tussen de verdachte en [medeverdachte 1] vonden WhatsApp-gesprekken plaats op onder andere 30 augustus 2014 waarin gesproken wordt over "een boodschappenlijst". De verdachte ontvangt vervolgens op 3 oktober 2014 via WhatsApp van [medeverdachte 1] een bestand.50 Dit betreft een afbeelding van de boodschappenlijst waarop staat: facebook aanmaken, skype aanmaken, WhatsApp hebben, paspoort/ID kaart verlengen opnieuw aanvragen als smoes gestolen/kwijt, uitschrijven bij gemeente “studeren bij familie of zo”, ziekenfonds en die dingen stopzetten, diarree-pillen meenemen, stevige winterjas, boots, broeken, smartphone, ibuprofen, paracetamol, Nivea crème, thermokleding, veel geld.51

9. Op de bij de doorzoeking van de woning van [de verdachte] in beslag genomen mobiele telefoon IPhone 5C wordt aangetroffen een hadieth, een overlevering met regels voor oorlogsvoering, opgesteld door Abu Bakr, de eerste kalief.52

10. Het hof stelt vast dat de genoemde ‘10 punten’ en ‘boodschappenlijst’ betrekkingen hebben op aanwijzingen en dingen die te doen staan alvorens af te reizen naar Syrië en/of Irak met het oog op het zich aansluiten bij de gewapende strijd.

11. De verdachte is op 25 november 2014 in Nederland aangehouden.53

Vrijspraken

Onderdeel A van de tenlastelegging

12. Nu niet bewezen kan worden dat het oogmerk van de verdachte op het plegen van terroristische misdrijven al aanwezig was op het moment dat hij zich het radicaal extremistisch gedachtegoed eigen maakte, wordt de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Onderdelen D, H en J van de tenlastelegging

13. Nu in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de verdachte de onder D, H en J verweten handelingen heeft verricht, wordt hij vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Bespreking van het verweer van de verdachte inzake het alternatief scenario

14. De verdachte heeft aangevoerd dat hij naar Syrië wilde reizen om weeskinderen te helpen.

15. Het hof stelt voorop dat het dossier (bijvoorbeeld afgeluisterde telefoongesprekken of chats) geen aanknopingspunten voor de juistheid van verdachtes scenario biedt. De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen

– met name de opmerking “dan zie ik je op het slagveld” – wijzen bepaald niet op de wens voor weeskinderen te zorgen.

16. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld naar welk gebied in Syrië verdachte wilde reizen. Nu hij heeft verklaard dat “het wel een gebied kon zijn dat in handen was van Jabhat al-Nusra” en dat wat hij destijds over Jabhat al-Nusra wist, “positief” was, neemt het hof aan dat de verdachte naar een gebied van Jabhat al-Nusra wilde vertrekken.

17. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige Weggemans leidt het hof af dat het hoogst onwaarschijnlijk – maar niet uitgesloten – is dat men in het gebied van Jabhat al-Nusra civiele functies kan uitoefenen zonder dat men zich daadwerkelijk aansluit bij Jabhat al-Nusra. Hij acht het onwaarschijnlijk dat iemand naar Jabhat al-Nusra gebied gaat om iets anders te doen dan strijden, maar ook dat is niet uitgesloten. De kans is volgens de deskundige groot dat men bij de strijd betrokken raakt. Het hof is gelet op het voorgaande derhalve van oordeel dat de verdachte naar het strijdgebied van Jabhat al-Nusra wilde gaan en dat hij zich bij de gewapende strijd wilde aansluiten. Ook hier neem het hof verdachtes opmerking: “dan zie ik je op het slagveld” in aanmerking.

18. Bij die stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario, dat de verdachte zonder concreet plan weeskinderen in Jabhat al-Nusra gebied wilde helpen niet aannemelijk geworden. Het had op de weg van de verdachte gelegen concrete(re) aanknopingspunten hierover te verschaffen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de verdachte op 25 november 2014 is aangehouden, vervolgens is verhoord en hoofdzakelijk heeft gezwegen, maar pas op 6 januari 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij kinderen wilde helpen in Syrië.

7.1.4.

Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging in relatie tot art. 96, lid 2, Sr

7.1.4.1. Oogmerk en concretisering

1. Het hof leidt uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij samen met [medeverdachte 1] wilde afreizen naar Syrië en zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra.

2. Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden volgt uit deze vaststellingen, aangezien deelname aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroep altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt.

3. Uit de vooropstelling van het hof zoals hiervoor in hoofdstuk 6 is vermeld volgt dat in de gewapende strijd dagelijks – samengevat weergegeven – wordt gemoord, brand wordt gesticht en explosies teweeg worden gebracht. De beoogde aansluiting van de verdachte en [medeverdachte 1] bij de gewapende strijd levert aldus een voldoende nadere bepaling op van de in de artikelen 157 juncto 176b en/of 289(a) en/of 288a Sr beschreven terroristische misdrijven.

7.1.5

Slotsom ten aanzien van het ten laste gelegde

Op grond van hetgeen door het hof wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het met het oogmerk om het plegen van de in de artikelen 157 juncto 176b, 289(a) en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, door inlichtingen tot het plegen van misdrijven aan zich en/of anderen te verschaffen.

8 De bewezenverklaring

Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van de misdrijvven aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf en/of

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al Nusra en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde organisaties, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe aan te sluiten bij Jahbat al Nusra en/of

C. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied en/of

D. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de (gewapende) Jihad en/of martelaarschap en/of de gewapende strijd en/of oorlogsmaterialen wordt gedeeld

en/of (vervolgens) zoekvragen gesteld en/of

E. deelgenomen aan Arabische lessen en/of

F. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en/of praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het

strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

G. een of meerdere (documenten of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed

en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij de gewapende Jihadistische strijd/de oorlogsvoering en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het

vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

H. geldbedrag(en) ingezameld en/of overgemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of achtergelaten (in Kafr Hamra, Syrië) ten behoeve van een of meer personen die zich in het strijdgebied in Syrië en/of Irak bevinden en/of

I. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrië of Irak en/of zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder

meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld) en/of

J. een (of meer) vuurwapen(s) en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of gedragen en/of een (of meer) voertuig(en) voorhanden gehad om daarmee (uit) te

reizen naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

10 Strafbaarheid van het feit

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

het medeplegen van het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen.

11 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12 De strafoplegging

12.1

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

  • -

    zich verplicht onder toezicht stelt van de reclassering (met meldplicht), waarbij met name voortzetting van de reeds ingezette behandeling bij polikliniek Kairos en de gesprekken met een deskundige over zijn geloof worden voortgezet;

  • -

    geen contact zal (doen) zoeken en/of (doen) onderhouden met de navolgende personen:

 zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en voorts met [betrokkene 4] en [betrokkene 6];

 met strijders in een strijdgebied (met name Syrië en Irak) of daarbuiten;

 met voormalige strijders en/of personen die in het (voormalige) strijdgebied hebben verbleven, dit gelet op de actuele ontwikkelingen in het strijdgebied;

 met personen en/of organisaties die op de sanctielijst Terrorisme staan vermeld;

 met personen van wie de reclassering dit noodzakelijk acht in het kader van zijn begeleiding en re-integratie.

Ter zake van bovengenoemde bijzondere voorwaarden is gevorderd dat deze dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

12.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt het hof om aan de verdachte in ieder geval geen straf op te leggen die tot verdere vrijheidsbeneming zou kunnen leiden.

12.3

Het oordeel van het hof

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

12.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

1. De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014 schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van terroristische misdrijven.

2. De verdachte heeft samen met een medeverdachte plannen gemaakt om uit te reizen naar het strijdgebied in Syrië, om zich aldaar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. De verdachte heeft zich daartoe middelen en inlichtingen verschaft.

3. Aldus handelende heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd dan wel beoogd te leveren aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS en Jabhat al-Nusra, zich in Syrië op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen. Gelet op het bloedige en angstaanjagende geweld waaraan deze terroristische groeperingen zich structureel bezondigen en in het recente verleden hebben bezondigd, moet het afreizen naar Syrië met het doel om daaraan deel te nemen op krachtige wijze worden tegengegaan. Daarom dienen in zaken als die van de verdachte de strafdoelen van vergelding en afschrikking bij de keuze van de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf naar het oordeel van het hof een bepalende rol te spelen, ook indien degene die voornemens is uit te reizen – zoals hier – er niet in is geslaagd de plaats van bestemming te bereiken.

12.3.2

De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden

Justitiële documentatie

1. Het hof heeft bij de op te leggen straf acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Rapportages

2. Het hof heeft acht geslagen op het Voortgangsverslag toezicht van Reclassering Nederland d.d. 28 augustus 2017. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld.

3. De verdachte heeft zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en aan de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd in het vonnis van de rechtbank.

4. De verdachte is in september 2016 aangemeld bij de ambulante forensische polikliniek Kairos te Arnhem vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De verdachte heeft hier psychotherapie gekregen gericht op deze problematiek. In de laatste periode is hij tevens gestart met een EMDR-behandeling gericht op het verder terugdringen van de stressklachten.

5. De reclassering heeft in de laatste periode van 2016 geconstateerd dat er bij de verdachte twijfels ontstonden over de juistheid van zijn eigen kennis en opvatting over het geloof. De verdachte vertelde dat hij er achter is gekomen dat bepaalde zaken die hij voor waar aannam, niet correct waren. De verdachte wilde zich daarom wederom verdiepen in de basiskennis van de Islam en als het ware opnieuw beginnen. Om deze reden heeft de reclassering de verdachte op zijn eigen verzoek op 27 januari 2017 in contact gebracht met een theologisch deskundige. De verdachte heeft sindsdien wekelijks gesprekken met deze deskundige gevoerd.

6. De verdachte probeert de banden met zijn familie weer te herstellen. De verdachte heeft aangegeven dat familiebanden en de relatie met zijn dochter zijn prioriteit genieten.

7. De reclassering beschouwt deze ontwikkelingen als de beginfase van een veranderingsproces, waarin de verdachte in positieve zin stappen aan het zetten is. De reclassering hoopt dat dit proces zich in de komende periode verder zal voortzetten en wil hier binnen het reclasseringstoezicht aandacht aan besteden, in samenwerking met de theologisch deskundige.

8. De reclassering adviseert – indien de verdachte wordt veroordeeld – aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen.

9. De reclassering acht de voortzetting van het reclasseringstoezicht geïndiceerd en wenselijk. Hierbij zal met name aandacht worden besteed aan het voortzetten van de lopende trajecten bij de forensische polikliniek Kairos en bij de theologische deskundige. Daarnaast zal ingezet worden op praktische zaken, zoals het vinden van een passende dagbesteding en het aflossen van schulden.

10. Het opleggen van de meldplicht bij de reclassering en de contactverboden, acht de reclassering onverminderd noodzakelijk. Daarnaast adviseert de reclassering als bijzondere voorwaarde dat de verdachte voorafgaand aan een reis naar het buitenland verplicht zal worden om toestemming te vragen aan de reclassering.

11. De reclassering adviseert om de thans geldende locatieverboden en het locatiegebod voor Nederland niet meer op te leggen.

12. Het hof heeft voorts kennis genomen van de overige zich in het dossier bevindende stukken van Reclassering Nederland van 27 januari 2017 en 30 december 2015.

13. In de rapportage van 27 januari 2017 is onder meer het volgende vermeld.

14. Gedurende de twee jaar durende toezichtperiode is intensief ingezet op het stabiliseren van de problematiek op het gebied van praktische zaken, het verbeteren van de maatschappelijke positie van de verdachte en het vergroten van zijn mentale weerbaarheid en emotionele stabiliteit. Arbeidsparticipatie is uitgebleven in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep maar de verdachte toont zich bereid en gemotiveerd om te werken. Het contact met dochter en zijn positie als vader is beter dan ooit tevoren.

15. Er is op verschillende gebieden vooruitgang geboekt. Maar de zorgen van de reclassering zijn niet weggenomen, met name wanneer het aankomt op het sociale netwerk van de verdachte en zijn behoefte om erbij te horen, geaccepteerd te worden en anderen te behagen. De reclassering is van oordeel dat dit nog altijd factoren zijn die de verdachte kwetsbaar maken.

16. De rapportage van 30 december 2015 houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.

17. Ten aanzien van zijn geloofsbeleving, prefereert de verdachte de puriteinse stroming binnen de Islam. Zijn leven staat volledig in het teken van het geloof. De verdachte is nog zoekende naar de wijze waarop hij zijn geloof op een voor hem juiste manier belijdt. Hij lijkt ook bezig te zijn met de vraag hoe zijn geloof zich verhoudt ten opzichte van westerse normen en waarden. De verdachte lijkt duidelijke keuzes gemaakt te hebben in de mate waarin hij zich al dan niet wil aanpassen. De ruimte die hij daartoe binnen de grenzen van zijn geloof benut, kan tot problemen leiden ten aanzien van maatschappelijke participatie.

18. Het valt de reclassering op dat de verdachte het belangrijk vindt om een goede indruk te maken op anderen en zich geaccepteerd te voelen. Indien dit in zijn beleving zwaarder weegt, dan kan dit zijn standpunten en overtuigingen aan het wankelen brengen. In dat geval kan zijn sociaal netwerk als een risicofactor worden gezien.

19. Tenslotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte, opgemaakt door drs. B. van Giessen, klinisch psycholoog, en drs. M.R. Weeda, psychiater, d.d. 19 december 2015. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.

20. Bij de verdachte is geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

21. Bij de verdachte is sprake van onder meer een verhoogde controlebehoefte, angst voor agressie, de neiging om zich naar anderen te voegen en een verlangen naar acceptatie en erkenning. Dit zou onder stresserende omstandigheden een negatieve invloed gehad kunnen hebben op zijn handelen ten tijde van het plegen van het thans bewezen verklaarde feit. Het zijn echter geen pathologische reacties in de zin van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling.

12.3.3

De op te leggen straf

1. Gezien de ernst van het feit is het hof van oordeel dat op het bewezen verklaarde feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

2. De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt zonder meer dat de verdachte een onvoorwaardelijke detentie ondergaat die langer is dan de tijd die hij tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof ziet zich tegelijkertijd geconfronteerd met de realiteit dat hernieuwde vrijheidsbeneming de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke situatie van de verdachte in de kiem zal smoren. Dit acht het hof in deze zaak niet in het belang van de Nederlandse en de internationale samenleving. Daarom zal het hof een fors deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. De positieve ontwikkelingen zijn echter nog pril. Met het forse voorwaardelijke strafdeel wordt dus tevens beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal daarom op 3 jaren worden vastgesteld.

3. Gelet op de inhoud van de deskundigenrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd in het voortgangsverslag van de reclassering d.d. 28 augustus 2017. Het hof acht het noodzakelijk om contactverboden op te leggen ten aanzien van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], en diens echtgenote [betrokkene 6], de personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling, de personen [betrokkene 4], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en de personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan. Over de op te leggen contactverboden met [betrokkene 4], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] overweegt het hof dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden waaruit blijkt dat zij sympathiseren met de gewapende jihadstrijd in Syrië.

4. Naar het oordeel van het hof komt de ernst van het bewezen verklaarde feit onvoldoende tot uitdrukking in de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van een zwaardere straf. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 21 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals hieronder vermeld, een passende en geboden reactie vormt.

Dadelijke uitvoerbaarheid

5. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven.

6. Gelet op het radicale gedachtengoed waarmee de verdachte zich heeft ingelaten, de omstandigheid dat uit de hiervoor genoemde deskundigenrapporten blijkt dat de mentale weerbaarheid en emotionele stabiliteit van de verdachte een punt van zorg blijven, hetgeen de verdachte kwetsbaar maakt, en het gegeven dat Jabhat al-Nusra terroristische misdrijven pleegt, welke misdrijven een zeer groot risico op letselschade met zich meebrengen - in samenhang bezien - is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

7.
Daarom zal het hof bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 96, 157, 176b, 288a en 289a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 21 (eenentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de verdachte verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, [adres reclassering], zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de verdachte gedurende de proeftijd zijn behandeling bij de polikliniek Kairos zal voortzetten, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. dat de verdachte gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan het voortzetten van de gesprekken met een deskundige over zijn geloof zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat het de verdachte gedurende de proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met:

 [ [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [betrokkene 6],

 [ [betrokkene 4], [betrokkene 7] en [betrokkene 8],

 [ personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan,

 [ personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling in de penitentiaire inrichting Vught,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat de verdachte gedurende de proeftijd voorafgaand aan een reis naar het buitenland toestemming vraagt aan de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 oktober 2017.

Bijlage

Tenlastelegging, na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde in hoger beroep.

1.

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met

25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of

Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 176a

en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of

mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen

of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of

anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het

plegen van het misdrijf en/of

- plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te

worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met

elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke

strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en

doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met

een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al Nusra

en/of Islamic State (IS) dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic

State of Iraq and Levant (ISIL), althans aan IS en/of aan Al Qaida gelieerde

organisaties, althans (een) organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen

gemaakt en/of

B. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in

Syrië en/of hoe aan te sluiten bij Jahbat al Nusra en/of

C. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het

strijdgebied en/of

D. een of meerdere website(s) bezocht waarop informatie over de (gewapende) Jihad

en/of martelaarschap en/of de gewapende strijd en/of oorlogsmaterialen wordt gedeeld

en/of (vervolgens) zoekvragen gesteld en/of

E. deelgenomen aan Arabische lessen en/of

F. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en/of

praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het

strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

G. een of meerdere (documenten of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers

voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed

en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij de gewapende Jihadistische strijd/de

oorlogsvoering en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het

vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

H. geldbedrag(en) ingezameld en/of overgemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of

achtergelaten (in Kafr Hamra, Syrië) ten behoeve van een of meer personen die zich

in het strijdgebied in Syrië en/of Irak bevinden en/of

I. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrië of Irak en/of

zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder

meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld) en/of

J. een (of meer) vuurwapen(s) en/of camouflagekleding voorhanden gehad en/of

gedragen en/of een (of meer) voertuig(en) voorhanden gehad om daarmee (uit) te

reizen naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of.

(art. 96, lid 2, Sr jo.176b, lid 2 Sr jo. 157 Sr jo. 289a Sr jo. 288a Sr jo. 289 Sr jo. 289a, lid 2

Sr)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 26DLR14056, van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche (onderzoek Cumbria).

2 Zie voor verdere achtergronden o.a.: Hof Den Haag, 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1733. De uitspraak is inmiddels onherroepelijk.

3 Kennisbijlage 140a PV (Jihadi-)Salafistische Groepen in Syrië van dr. J. Jolen d.d. 29 januari 2015, en de aldaar aangehaalde bronnen (hierna: Kennisbijlage 140a), ZD C02, p. 2-163.

4 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-164.

5 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-162, p. 2-164 en p. 2-165.

6 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-144 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-177 en p. 2-180.

7 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-180.

8 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-151; Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-183.

9 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-144.

10 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-146 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-181 t/m 2-183.

11 Kennisbijlage 140a, p. 22, ZD C02, p. 2-183.

12 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-161 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-186.

13 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-155.

14 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-157 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-186 t/m p. 2-188.

15 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-158.

16 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-173 en p. 2-174.

17 Rapport ‘Bestemming Syrië. Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië van D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, d.d. 3 januari 2016 (verder: ‘Rapport ‘Bestemming Syrië’.

18 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 22, p. 32 en p. 84.

19 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 87, p. 91 en p. 92.

20 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 92.

21 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 88.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 33 en p. 36.

23 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 37.

24 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 38.

25 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 8.

26 In deze zin ook reeds Hof Den Haag 10 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:642.

27 Het hof is van oordeel dat hetgeen de Hoge Raad hier oordeelt ook geldt voor de in de artikelen 288a en 157 Sr omschreven misdrijven.

28 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416.

29 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 14.

30 ZD C01, proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-171.

31 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 6 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige, p. 4.

32 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 6 januari 2016, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige, p. 2 en 4.

33 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 6 januari 2016, inhoudende de verklaring van [de verdachte] als getuige.

34 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 19-20.

35 ZD C01, proces-verbaal, p. 17/48 en p. 19-23 onderaan genummerd.

36 ZD C01, proces-verbaal, p. 31-32 onderaan genummerd.

37 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-183 t/m p. 1-202; ZD C01, proces-verbaal van bevindingen p. 1-169, p. 1-170.

38 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-158.

39 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-171 en 1-172.

40 ZD C01, proces-verbaal, p. 37/48 onderaan genummerd.

41 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-169.

42 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-340

43 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-169.

44 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-78.

45 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 8.

46 ZD C01, proces-verbaal, p. 22/48 onderaan genummerd.

47 ZD C01, proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al Nusra, p. 1-379.

48 ZD C01, proces-verbaal, p. 45/48 onderaan genummerd.

49 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-33 en 1-34 (met bijlagen 7 t/m 9 op p. 1-44 t/m 1-46).

50 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-206. ZD C01, Proces-verbaal, p. 38/48 en 39/48, onderaan genummerd.

51 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-89. ZD C01, Proces-verbaal, p. 39/48, onderaan genummerd.

52 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-33 en 1-34, en bijlage 6, p. 1-43.

53 ZD B02, proces-verbaal van aanhouding, p. 5-19.