Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2854

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
22-000953-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het middelen en inlichtingen (trachten te) verschaffen, om het begaan van misdrijven met een terroristisch oogmerk voor te bereiden en te bevorderen, deelneming aan een terroristische organisatie en financiering van terrorisme. Art. 96 lid 2 Sr, art. 140a Sr, art. 421 Sr. Gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren, met bijzondere voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar), te weten een meldplicht, medewerking verlenen aan gesprekken met een deskundige over zijn geloof, contactverboden en locatieverboden met elektronisch toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000953-16

Parketnummer: 10-960147-14

Datum uitspraak: 6 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

zitting houdende in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Noord-Holland te Badhoevedorp.

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Inhoudsopgave

1. Het onderzoek ter terechtzitting

2. Procesgang

3. Tenlastelegging

4. Het vonnis waarvan beroep

5. Geldigheid van de dagvaarding

5.1 Standpunt van de verdediging

5.2 Standpunt van het openbaar ministerie

5.3 Oordeel van het hof

6. Achtergrond en algemene bewijsoverwegingen

6.1 Strijdende partijen in het conflict in Syrië

6.2 Terroristische misdrijven

7. Beoordeling van de tenlastelegging

7.1 Feiten 1 en 2 primair I: Voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1 Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven, artikel 96, lid 2, Sr (feit 1, feit 2 primair I)

7.1.2 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.1.3 De door het hof vastgestelde feiten

7.1.4. Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1 en 2 in relatie tot art. 96, lid 2, Sr

7.1.5 Slotsom ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten

7.2 Feit 2 primair II

7.2.1 Vrijspraak

7.3 Feit 4: Financiering van terrorisme

7.3.1 Juridisch kader financieren van terrorisme

7.3.2 Bestanddelen van art. 421 Sr

7.3.3 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.3.4 De door het hof vastgestelde feiten

7.3.5 Overwegingen van het hof met betrekking de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 in relatie tot art. 421 Sr

7.3.6 Slotsom ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

7.4 Feit 3: deelname aan een criminele organisatie

7.4.1 Juridisch kader inzake art. 140a Sr

7.4.2 Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.4.3 De door het hof vastgestelde feiten

7.4.4 Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 in relatie tot art. 140a Sr en bespreking van de verweren

7.4.5 Slotsom ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

8. De bewezenverklaring

9. Bewijsvoering

10. Strafbaarheid van het feit

11. Strafbaarheid van de verdachte

12. De strafoplegging

12.1 Vordering van de advocaat-generaal

12.2 Het standpunt van de verdediging

12.3 Het oordeel van het hof

12.3.1 De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

12.3.2 De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden

12.3.3 De op te leggen straf

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

BESLISSING

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

30 januari, 7 februari, 30 augustus, 4 september en

6 oktober 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde (medeplegen van handelingen ter voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven), het onder 2 ten laste gelegde (deelneming aan een terroristische organisatie en het medeplegen van het financieren van terrorisme), het onder 3 ten laste gelegde (deelneming aan een terroristische organisatie) en het onder 4 primair ten laste gelegde (het medeplegen van handelingen ter voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep. Deze bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

3 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep,

- kort samengevat – het volgende ten laste gelegd:

1. (voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven door zelf te willen afreizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra)

dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met

25 november 2014 in Arnhem en/of Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië (tezamen en in vereniging) de onder A tot en met G vermelde handelingen heeft verricht met het oogmerk om een brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing, moord en/of doodslag - telkens begaan met een terroristisch oogmerk - voor te bereiden en/of te bevorderen;

2. primair (toevoeging hof: I) (voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven door een ander te helpen zich aan te sluiten bij IS)

dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met

31 oktober 2014 in Arnhem en/of Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië (tezamen en in vereniging) de onder A tot en met D vermelde handelingen heeft verricht met het oogmerk om een brandstichting, het teweeg brengen van een ontploffing, moord en/of doodslag – telkens begaan met een terroristisch oogmerk – voor te bereiden en of te bevorderen;

2. primair (toevoeging hof: II) (medeplichtigheid aan deelname van een ander aan een terroristische organisatie)

dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met

31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië medeplichtig is geweest aan de deelname van [betrokkene 1] aan een terroristische organisatie (IS) door de handelingen te verrichten als vermeld onder A tot en met D.

2. subsidiair (medeplichtigheid aan poging tot deelname van een ander aan een terroristische organisatie):

dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met

31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië medeplichtig is geweest aan de poging tot deelname van [betrokkene 1] aan een terroristische organisatie (IS) door de handelingen te verrichten als vermeld onder A tot en met D.

3 (deelname aan een terroristische organisatie)

dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met

25 november 2014 in Arnhem en/of Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.

4 (financieren van terrorisme)

dat hij zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014 in Arnhem en/of Doesburg, in elk geval in Nederland en/of Syrië (tezamen en in vereniging) heeft schuldig gemaakt aan het financieren van terrorisme door de handelingen te verrichten als vermeld onder A tot en met E.

De volledige tenlastelegging is als bijlage bij dit arrest gevoegd.

4 Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5 Geldigheid van de dagvaarding

5.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota en na aanvulling in hoger beroep - op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is wat betreft het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

A. Niet duidelijk is of de tenlastelegging cumulatief of alternatief is bedoeld. Het gaat in de onderhavige zaak om een en/of-tenlastelegging, waarin onder één feit twee verschillende misdrijven zijn ten laste gelegd, te weten voorbereiding/bevordering van opzettelijk brandstichten en/of een ontploffing teweeg brengen met een terroristisch oogmerk (artikel 176b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)) en voorbereiding/bevordering van moord en/of doodslag begaan met een terroristisch oogmerk (artikel 289a lid 2 Sr). De verbinding ‘en/of’ duidt in de eerste instantie op een combinatie van een alternatieve (‘of’) en een cumulatieve (‘en’) tenlastelegging. Wil het openbaar ministerie de rechter vrijlaten in de bewezenverklaring voor beide uiteenlopende delicten gegrond op hetzelfde feitencomplex of wil het openbaar ministerie juist slechts een veroordeling voor uiteindelijk één feit? Dit is aan de hand van de tenlastelegging niet duidelijk, waardoor het dus de strekking heeft dat de stafbare feiten cumulatief en tegelijkertijd alternatief aan het hof worden voorgelegd. Dit maakt de tenlastelegging innerlijk tegenstijdig.

Daarnaast is het zo dat slechts één opsomming van feiten ten grondslag ligt aan twee kwalificaties (artikelen 176b en 289a Sr). Hierdoor is het onduidelijk op grond van welke feiten tot welke kwalificatie gekomen wordt. Dit betekent dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), waardoor de dagvaarding eveneens nietig is.

5.2

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is en dat het verweer dient te worden verworpen.

5.3

Oordeel van het hof

1. Ten aanzien van het onder A gevoerde verweer overweegt het hof dat het vaste rechtspraak is dat een ‘en/of’ tenlastelegging dient te worden beschouwd primair als een cumulatieve tenlastelegging (‘en’) en subsidiair als een alternatieve tenlastelegging (‘of’). De uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en deze heeft daarbij een grote vrijheid. Het hof overweegt dat de tenlastelegging onder de feiten 1 en 2 in dit opzicht voldoen aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake is.

2. Met betrekking tot het onder B gevoerde verweer overweegt het hof dat de onder 1 en 2 opgenomen opsomming van feiten - indien bewezen verklaard – tot de voorbereiding of bevordering van de misdrijven als bedoeld in artikel 157 juncto 176b en 289a Sr kunnen leiden. Van onduidelijkheid in dit verband is het hof dan ook niet gebleken, zodat ook in dit opzicht wordt voldaan aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

3. De verweren met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding voor wat betreft het onder 1 en 2 ten laste gelegde worden derhalve door het hof verworpen.

6. Achtergrond en algemene bewijsoverwegingen 1

6.1

Strijdende partijen in het conflict in Syrië

1. Het is een feit van algemene bekendheid, zoals daarvan (tevens) blijkt uit de door het hof geraadpleegde – en zonder noemenswaardige moeite te raadplegen – algemeen toegankelijke bronnen2 dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.3

2. Wat begon als een vreedzaam protest ontwikkelde zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan 3 miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,6 miljoen.4

3. In de loop van 2012 werd duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken waren bij de opstand in Syrië tegen het regime van Assad.5

4. In de strijd tegen het regime van Assad hebben zich ook twee belangrijke aan Al-Qa’ida gelieerde jihadistische organisaties gemengd: Jabhat al-Nusra (per 28 juli 2016: Jabhat Fatah al-Sham) en de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS, ook wel bekend als IS, ISI, ISIL, AQI of DAESH).

ISIS/IS

5. ISI wijzigde op 8 april 2013 haar naam in de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL), onder meer om de uitbreiding van haar activiteiten naar Syrië te benadrukken. Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat (IS).6 Abu Bakr al-Baghdadi, de emir van de organisatie, werd aangesteld als ‘kalief’ van IS.7

6. De Islamitische Staat is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en is daarmee een in Nederland verboden terroristische organisatie. Op 30 mei 2013 wordt het toenmalige ISIL aan de VN Sanctielijst toegevoegd. Op 1 juli 2013 is het toenmalige ISIL op de financiële sanctielijst van de Europese Unie geplaatst.8

7. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitisch kalifaat dat de landsgrenzen van in ieder geval Syrië en Irak overstijgt. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.9

8. ISIS/IS hanteert tijdens militaire operaties en de uitoefening van de macht in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies, ontvoeringen, gijzelingen en martelingen. De organisatie doodt tegenstanders door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd, zo wordt gemeld uit de door ISIS bezette of bevochten gebieden.10

Jabhat al-Nusra

9. Jabhat al-Nusra maakte op 24 januari 2012 zijn oprichting bekend.11

10. Jabhat al-Nusra is in internationaal verband aangemerkt als een terroristische organisatie en daarmee een in Nederland verboden (terroristische) organisatie. Op 30 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN Sanctielijst geplaatst als een van de aliassen van Al-Qa’ida in Iraq. Jabhat al-Nusra is op 29 mei 2014 op de (financiële) sanctielijst van de EU geplaatst.12

11. De organisatie heeft als doel het vestigen van een islamitische staat. Om dit te bewerkstelligen voert zij een gewapende strijd.13

12. Jabhat al-Nusra bedient zich tijdens haar (militaire) operaties van de volgende werkwijzen: (zelfmoord)aanslagen, executies en beschietingen van burgers, ontvoeringen, martelingen en het onthouden van humanitaire hulp.14 Veel van de aanslagen die in 2012 in Syrië zijn gepleegd werden door Jabhat al-Nusra opgeëist. De claims van Jabhat al-Nusra worden op het internet bekend gemaakt op jihadistische websites als www.shamikh1.info en www.as-ansar.com en bijvoorbeeld ook via haar eigen Twitteraccount.15

13. Eind juli 2014 zou de aanwezigheid en de invloed van Jabhat al-Nusra zich hebben beperkt tot de rurale gebieden van Aleppo, Idlib en Hama. Jabhat al-Nusra concentreert zich in de maanden na het uitroepen van het Kalifaat door IS veel meer op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrische grensgebied in het Noord-Westen van Syrië. In oktober 2014 boekt Jabhat al-Nusra wederom militaire successen in de provincie Idlib.16

14.Zowel IS als Jabhat al-Nusra zijn organisaties in de zin van artikel 140a Sr zoals door de Hoge Raad in zijn vaste rechtspraak nader ingevuld. De hierboven beschreven misdrijven worden gepleegd door deze uit grote aantallen personen bestaande samenwerkingsverbanden die zich kenmerken door een zekere duurzaamheid en structuur. Dat komt – gelet op het bovenstaande – onder andere naar voren in de bestendigheid van de organisaties die reeds sinds 2012 bestaat, hun hiërarchische structuur en de wijze van naar buiten treden door de organisatie.

Rapport ‘Bestemming Syrië’ 17

15. In het rapport ‘Bestemming Syrië’ wordt ingegaan op de vraag of een uitreis naar Syrië in 2014 gelijk stond aan een bestaan als strijder of dat er ook andere opties waren. In dit rapport is hierover onder meer het volgende vermeld.

16. Sinds 2012 zijn velen uit het westen, waaronder naar schatting 220 Nederlanders naar het conflictgebied in Syrië (en Irak) getrokken. Het overgrote deel van de Nederlandse uitreizigers heeft zich aangesloten bij salafi-jihadistische strijdorganisaties: ISIS en (aan) Jabhat al-Nusra (gelieerde groepen).18

17. De mannen worden – aangekomen in Syrië - naar trainingskampen gebracht. Nadat deze training is doorlopen, kunnen buitenlanders in verschillende functies terechtkomen. De meesten – waaronder Nederlanders - zullen worden ingezet als strijder, maar er zijn ook voorbeelden dat personen andere rollen vervullen.19

18. Over de mogelijkheden tot het vervullen van een functie achter de frontlinie bij Jabhat al-Nusra is minder informatie beschikbaar dan bij ISIS. Jabhat al-Nusra controleert aanzienlijke gebieden waardoor ook hier bepaalde niet-militaire functies moeten worden vervuld. Ook personen die in dergelijke andere functies belanden blijven overigens, door de eerder afgelegde eed, wel reservist: zij kunnen te allen tijde door hun emir worden opgeroepen om mee te komen strijden. Weigeren lijkt niet tot de opties te behoren. Het is dan ook niet mogelijk te stellen dat personen met een rol achter de frontlinies zich volledig aan de gewelddadige strijd kunnen onttrekken.20

19. Buitenlandse strijders kunnen op verschillende manieren worden ingezet. Bijvoorbeeld om grensbieden of checkpoints te bewaken (ribaat) of om na verloop van tijd aan de frontlinies te strijden. Anderen bewaken gevangenissen of zijn (in-)direct betrokken bij martelingen of executies. Er is vastgesteld dat strijders periodes aan het front afwisselen met periodes achter de frontlinies. Eenmaal teruggekeerd van het slagveld voeren strijders ook andere taken uit, bijvoorbeeld administratieve werkzaamheden, da’wa (missie, zending), bijeenkomsten of het wachtlopen binnen steden.21

Deskundige Weggemans

20. Ter terechtzitting in hoger beroep is een van de opstellers van het rapport ‘Bestemming Syrië’, dhr. Weggemans, als deskundige gehoord. Hij heeft onder meer aangegeven dat Jabhat al-Nusra primair een strijdorganisatie is. De deskundige heeft voorts verklaard dat in geval van aansluiting bij Jabhat al-Nusra, de kans groot is dat de persoon bij de strijd betrokken raakt.22 Er zijn ook andere functies binnen Jabhat al-Nusra. Weggemans acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de personen die deze functies vervullen geen banden met Jabhat al-Nusra hebben.23 Hij acht het voorts hoogst onwaarschijnlijk dat er in Jabhat al-Nusra gebied civiele functies kunnen worden vervuld zonder daadwerkelijke aansluiting bij Jabhat al-Nusra.24

6.2

Terroristische misdrijven

1. Artikel 83 Sr bepaalt welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

2. Artikel 83a Sr omschrijft het terroristisch oogmerk als:

‘het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

3. Aan de verdachte worden gedragingen verweten die zouden zijn gepleegd in de periode vanaf 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014.

4. Het is een feit van algemene bekendheid dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten maar ook al ver voor die periode jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden.

5. Deze jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in art. 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in art. 83a Sr. De Jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en - om hun doel te bereiken - dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic ( verder: IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”25

6. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.26

7 Beoordeling van de tenlastelegging

7.1

Feiten 1 en 2 primair I: Voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven

7.1.1

Juridisch kader voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven, artikel 96, lid 2, Sr (feit 1, feit 2 primair I)

1. De toepasselijke strafbepalingen luiden als volgt:

– art. 96 Sr:

1. De samenspanning tot een der in de artikelen 92-95a

omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, met het oogmerk om een der in de artikelen 92-95a omschreven misdrijven voor te bereiden of te bevorderen:

1°. een ander tracht te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

2°. gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen tracht te verschaffen;

3°. voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4°. plannen voor de uitvoering van het misdrijf, welke bestemd zijn om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid brengt of onder zich heeft;

5°. enige maatregel van regeringswege genomen om de uitvoering van het misdrijf te voorkomen of te onderdrukken, tracht te beletten, te belemmeren of te verijdelen.

– art. 288a Sr:

Doodslag, gepleegd met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

– art. 289 Sr:

Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

– art. 289a Sr:

  1. De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

– art. 157 Sr:

Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

art. 176b Sr:

  1. De samenspanning tot de in de artikelen 157, 161, onderdelen 2° en 3°, 161bis, onderdelen 3° en 4°, 161quater, 161 sexies, onderdelen 3° en 4°, 162, 164, 166, 168, 170, 172, 173a en 174 omschreven misdrijven, te begaan met een terroristisch oogmerk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

  2. Artikel 96, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr27 omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat gelet op de wetsgeschiedenis de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, NbSr 2002/244 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NbSr 2014/95).28

7.1.2

Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.1.2.1 Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

7.1.2.2 Standpunt van de verdediging

1. De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

2. Met betrekking tot feit 1 heeft de verdachte gesteld dat hij naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde reizen om een transportonderneming op te zetten.

3. De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte zich weliswaar heeft laten informeren over afreizen en de route naar Syrië, maar niet naar het strijdgebied. Hij heeft daartoe ook geen informatie verschaft. Hij heeft geen gegevens voorhanden gehad over het jihadistisch gedachtengoed. Aldus zijn de overgemaakte bedragen ook niet relevant. Hij heeft zich ook niet geuit over de wens zich aan te sluiten bij de gewapende strijd. Gelet hierop ontbreekt bij de verdachte het vereiste oogmerk om met de ten laste gelegde gedragingen een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.

4. Ten aanzien van feit 2 primair I heeft de verdediging aangevoerd dat, nu de verdachte niet wist dat [betrokkene 1] deel wilde nemen aan de gewapende strijd, het vereiste oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden, ontbreekt.

5. Daarnaast is de verdediging zowel ten aanzien van feit 1 als van feit 2 primair I van mening dat de gedragingen van de verdachte niet met voldoende bepaaldheid zijn gericht op de terroristische misdrijven waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen, zodat niet is voldaan aan het concreetheidsvereiste.

7.1.3

De door het hof vastgestelde feiten

1. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast, waarbij het hof de volgorde van de tenlastelegging volgt.

Onderdelen 1. A, B, C en G van de tenlastelegging

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in Syrië is geweest en in december 2013 in Nederland is teruggekeerd.29 Hij wilde vervolgens met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) met de auto afreizen naar Syrië.30 De verdachte wilde zich daar vestigen31. [Medeverdachte 1] wilde ook afreizen naar Syrië en heeft de verdachte gevraagd daarover mee te denken.32 Zowel de verdachte33 als [medeverdachte 1]34 spraken versluierd over hun uitreisplannen.

3. Op 5 april 2014 heeft de verdachte WhatsApp contact met ‘[betrokkene 7]’, die gebruik maakt van een Syrisch telefoonnummer, over de te volgen route.35 In september en oktober 2014 heeft de verdachte via Skype of Facebook daarover contact met [betrokkene 2]36, die zich van de skypenaam ‘[skypenaam van betrokkene 2]’ bediende.37 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij aan [betrokkene 2] – die op dat moment in Syrië deelnam aan de gewapende strijd aan de zijde van IS38 – naar routes gevraagd van Nederland naar Turkije.39 [Betrokkene 2] gaf de verdachte opties.40 Volgens de verdachte is het voor een moslimman gemakkelijk om Syrië binnen te komen.41

4. De verdachte wilde vervolgens gaan naar een gebied van Jabhat al-Nusra, gelegen rond Aleppo (Kaffr Hamra) en Atme42 (beide in het Noord-Westen van Syrië). Uit de kennisbijlage 140a van dr. Jolen volgt verder dat de door de verdachte aangeduide plaatsen in Syrië na juli 2014 strijdgebied waren. Jabhat al-Nusra concentreerde zich toen op het verkrijgen van de controle op het Turks-Syrisch grensgebied in het Noord-Westen van Syrië. Zo boekte Jabhat al-Nusra in oktober 2014 militaire successen in de provincie Idlib43, waarin ook Atme ligt. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van de verdachte dat [betrokkene 3] zich bevond in een gebied waar bombardementen plaatsvonden en dat [betrokkene 3] wilde dat de verdachte – die in november 2013 al in Kaffr Hamra in Noord West Syrië was geweest44 – terug zou keren.45

5. In chatverkeer op 30 juli 2014 tussen de verdachte en een vermoedelijk in Syrië verblijvend persoon met een Syrisch telefoonnummer vraagt de verdachte hoe het leven daar is en of er nog een nieuw front geopend wordt. De ander laat de verdachte weten dat hij gemist wordt en doet vervolgens kort verslag van de ontwikkelingen van de strijd in Syrië.46

6. Verder blijkt uit een chat van 12 oktober 2014 met [betrokkene 2] dat hij de verdachte adviseert via Griekenland te reizen en Syriër te spelen en in het Arabisch te zeggen dat hij naar Syrië wil gaan. De verdachte heeft verklaard dat hij in Arnhem aan Arabische lessen heeft deelgenomen omdat dat handig is als je naar Syrië gaat.47 In dezelfde chat zegt de verdachte dat hij naar Jabhat al-Nusra gaat.48 Op 30 mei 2013 was Jabhat al-Nusra op de VN sanctielijst geplaatst.49

7. [ Medeverdachte 1] – met wie de verdachte naar Syrië zou reizen – heeft tegenover [betrokkene 4] op 7 september 2014 verklaard dat hij zich gaat aansluiten “daar”, waarop [betrokkene 4] antwoordt dat hij zich gaat aansluiten “bij hun”, waarop [medeverdachte 1] zegt: “dan zie ik je op het slagveld, we ontmoeten elkaar.”50

Onderdelen 1. D en E van de tenlastelegging

8. [ Medeverdachte 1] beschikte op 30 oktober 2014 over een lijst met ‘tien (10) punten van waaraan te houden’. Daarop staan onder meer de punten: 1. Spreek met niemand via social media als die persoon in Syrië is; 2. Bespreek dit niet met zelfs jouw dichtstbijzijnde vrienden of familie. 3. Iedereen is hierover op de hoogte dus haast je met het oversteken van de grens. 4. Eet zoveel je kunt (…). (…). 8. Doe een medische test voordat je hier komt. (…). 9. Maak veel gebeden????. 10 Doe het alleen in de naam van Allah!51

9. Tussen [medeverdachte 1] en de verdachte vonden WhatsApp-gesprekken plaats op onder andere 30 augustus 2014 waarin gesproken wordt over "een boodschappenlijst". [Medeverdachte 1] ontvangt vervolgens op 3 oktober 2014 via WhatsApp van de verdachte een bestand.52 Dit betreft een afbeelding van de boodschappenlijst waarop staat: facebook aanmaken, skype aanmaken, WhatsApp hebben, paspoort/ID kaart verlengen opnieuw aanvragen als smoes gestolen/kwijt, uitschrijven bij gemeente “studeren bij familie of zo”, ziekenfonds en die dingen stopzetten, diarree-pillen meenemen, stevige winterjas, boots, broeken, smartphone, ibuprofen, paracetamol, Nivea crème, thermokleding, veel geld.53

10. Het hof stelt vast dat de genoemde ‘10 punten’ en ‘boodschappenlijst’ betrekkingen hebben op aanwijzingen en dingen die te doen staan alvorens af te reizen naar Syrië en/of Irak met het oog op het zich aansluiten bij de gewapende strijd.

11. Op de bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in beslag genomen mobiele telefoon IPhone 5C wordt aangetroffen een hadieth, een overlevering met regels voor oorlogsvoering, opgesteld door Abu Bakr, de eerste kalief.54

12. De verdachte is op 25 november 2014 aangehouden.55

Onderdelen 2. A en B van de tenlastelegging

13. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor [betrokkene 1] ten behoeve van zijn reis naar Syrië heeft bemiddeld. Hij heeft gesteld dat [betrokkene 1] wist dat hij in Syrië was geweest en hem vroeg om hem in contact te brengen met mensen in Syrië, zodat hij naar het gebied van IS zou kunnen komen. De verdachte zou hebben aangegeven dat hij iemand kende, te weten [betrokkene 2], een goede vriend uit Arnhem, die in Syrië bij IS zit.56

14. Tussen 30 september en 24 oktober 2014 voert de verdachte, gebruik makend van de naam ‘[nickname verdachte]’ via Facebook chatgesprekken met [betrokkene 2]. Op 30 september 2014 geeft de verdachte te kennen dat “een broeder met vakantie wil”. [Betrokkene 2] geeft aan dat deze broeder, wanneer hij arriveert in Kasienteb, met hem contact moet zoeken via Facebook.57 Het hof begrijpt dat met Kasienteb wordt bedoeld de stad Gazientep/Gaziantep, een stad in Zuid-Oost Turkije dichtbij de Syrische grens. Op 21 oktober 2014 zegt de verdachte dat het om [betrokkene 1] gaat, een “1.90m grote jonge kast, Somal”. [Betrokkene 2] geeft aan dat hij hem teskiaa58 wil geven.59

15. Uit het dossier blijkt dat [moeder van betrokkene 1] op zaterdag 18 oktober 2014 een melding van vermissing heeft gedaan van haar zoon [betrokkene 1], geboren [geboortedatum betrokkene 1] te Somalië.60 Volgens de gemeentelijke basisadministratie is het laatste paspoort van [betrokkene 1] afgegeven te Arnhem op [datum] en blijkt uit dit paspoort dat hij 1.88 m lang is.61

16. Op 19 oktober 2014 vindt er een gesprek plaats tussen de verdachte en [betrokkene 2], waarin deze laatste zegt dat “soma” niet online is. De verdachte reageert door te zeggen dat “hij er al bijna is”, via “[betrokkene 5], die hem gaat helpen over te steken”. [betrokkene 2] zegt dat hij de broeder (Soma) gaat proberen te bereiken in Jarabulus.62 Het hof berijpt dat het gaat om Jarabulus, een stad gelegen in Syrië aan de Turkse grens op ongeveer 90 kilometer van Gazienteb.

17. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de verdachte over het gesprek met [betrokkene 2] van 21 oktober 2014 dat [betrokkene 2] bereid was [betrokkene 1] teskiaa te geven. Dat betekent dat hij garant voor hem wilde staan. Door garant te staan kon iemand in het gebied komen zonder een procedure te ondergaan. De verdachte verklaart eveneens dat hij [betrokkene 5] had gevraagd [betrokkene 1] te helpen, indien [betrokkene 2] hem niet kon helpen.63 Uit een chatgesprek tussen de verdachte en [betrokkene 5] van 17 oktober 2014 antwoordt de verdachte desgevraagd dat [betrokkene 1] zich wil aansluiten bij IS (“Ja bij IS”).64 Op de computer van de verdachte is een afbeelding (screenshot) van een kranten artikel aangetroffen, dat als kop heeft: “[betrokkene 5] ronselt moslimjongeren voor ISIS”.65

Vrijspraken

Onderdelen 1. F van de tenlastelegging

18. Nu de onder F ten laste gelegde handelingen niet dienen ter voorbereiding van de eigen uitreis van de verdachte en zijn aansluiting bij Jabhat al-Nusra, wordt de verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Onderdelen 2. C en D van de tenlastelegging

19. Nu in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden zijn, waaruit blijkt dat de verdachte rechtstreeks aan [betrokkene 1] een reisroute en een contactpersoon heeft doorgegeven, wordt de verdachte vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging.

Bespreking van het verweer van de verdachte inzake het alternatief scenario met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

20. De verdachte heeft aangevoerd dat hij naar het gebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde reizen om een transportonderneming op te zetten. Daartoe zou de verdachte eerst enquêtes afnemen om er achter te komen wat het aanbod en de vraag was en welke prijzen hij zou kunnen vragen.

21. Het hof stelt voorop dat het dossier (bijvoorbeeld afgeluisterde telefoongesprekken of chats) geen aanknopingspunten voor de juistheid van het scenario van de verdachte biedt. De verdachte heeft zijn voornemen om aldaar een transportbedrijf op te zetten ook desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep geen handen en voeten gegeven.

22. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de deskundige Weggemans leidt het hof af dat het hoogst onwaarschijnlijk – maar niet uitgesloten – is dat men in het gebied van Jabhat al-Nusra civiele functies kan uitoefenen zonder je daadwerkelijk aan te sluiten. Hij acht het onwaarschijnlijk dat iemand naar Jabhat al-Nusra gebied gaat om iets anders te doen dan strijden, maar het is niet uitgesloten. De kans is volgens de deskundige groot dat je bij de strijd betrokken raakt. Dat is naar het oordeel van het hof eens te meer aannemelijk nu het hiervoor uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte naar het strijdgebied van Jabhat al-Nusra in Syrië wilde vertrekken.

23. Bij die stand van zaken acht het hof het alternatieve scenario, dat de verdachte eerst marktonderzoek ter plaatse zou verrichten en vervolgens een transportonderneming zou opzetten, niet aannemelijk geworden. Het had op de weg van de verdachte gelegen concretere aanknopingspunten hierover te verschaffen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de verdachte op 25 november 2014 is aangehouden, vervolgens is verhoord en hoofdzakelijk heeft gezwegen, maar pas op 12 mei 2015 heeft verklaard dat hij in Syrië “samen met [betrokkene 6], die net is omgekomen bij een bombardement,” een transportonderneming wilde opzetten in het vervoeren van mensen en aardappelen, groenten en fruit. Ter terechtzitting van 14 februari 2016 heeft de verdachte aangevoerd dat hij in gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra een transportbedrijfje wilde opzetten.

7.1.4.

Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1 en 2 in relatie tot art. 96, lid 2, Sr

7.1.4.1 Oogmerk en concretisering

1. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij samen met [medeverdachte 1] wilde afreizen naar Syrië en zich wilde aansluiten bij Jabhat al-Nusra.

2. Ten aanzien van het onder 2 primair I ten laste gelegde feit leidt het hof uit de vastgestelde feiten met betrekking tot de gedragingen van de verdachte af dat hij [betrokkene 2] en [betrokkene 5] heeft trachten te bewegen behulpzaam te zijn en om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen om [betrokkene 1] te helpen bij zijn aansluiting bij IS na zijn uitreis vanuit Nederland naar Syrië.

3. Het oogmerk om een van de terroristische misdrijven voor te bereiden volgt uit deze vaststellingen, aangezien deelname aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt.

4. Uit de vooropstelling van het hof zoals hiervoor in hoofdstuk 6 is vermeld volgt dat in de gewapende strijd dagelijks – samengevat weergegeven – wordt gemoord, brand wordt gesticht en explosies teweeg worden gebracht. De beoogde aansluiting van de verdachte, [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] bij de gewapende strijd levert aldus een voldoende nadere bepaling op van de in de artikelen 157 junto 176b en/of 289(a) en/of 288a Sr beschreven terroristische misdrijven.

7.1.5

Slotsom ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten

Feit 1

1. Op grond van hetgeen door het hof wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het met het oogmerk om het plegen van de in de artikelen 157 juncto 176b, 289(a) en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, door inlichtingen tot het plegen van misdrijven aan zich en/of anderen te verschaffen.

Feit 2 primair I

2. Op grond van hetgeen door het hof wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het met het oogmerk om het plegen van de in artikelen 157 juncto 176b, 289 en 288a Sr genoemde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen, meerdere personen heeft trachten te bewegen daartoe behulpzaam te zijn of om gelegenheid of inlichtingen te verschaffen.

7.2

Feit 2 primair II

7.2.1

Vrijspraak

1. Onder feit 2 primair II wordt de verdachte cumulatief dan wel alternatief verweten dat hij medeplichtig is aan de deelname van een ander, te weten [betrokkene 1], aan een terroristische organisatie.

2. Hiervoor heeft het hof bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding/bevordering van terroristische misdrijven door deze [betrokkene 1] behulpzaam te zijn bij het afreizen naar Syrië en zich aansluiten bij IS.

3. Het hof kan echter op basis van het dossier niet vaststellen dat [betrokkene 1] zich daadwerkelijk heeft aangesloten bij IS.

4. Het hof zal de verdachte derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

7.3

Feit 4: Financiering van terrorisme

7.3.1

Juridisch kader financieren van terrorisme

1. Het ten laste gelegde onder 4 is toegesneden op art. 421 Sr, waarin het financieren van terrorisme strafbaar is gesteld.

2. Art. 421 Sr luidt als volgt:

1. Als schuldig aan het financieren van terrorisme wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie:

a. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf;

b. hij die zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelt, verwerft, voorhanden heeft of aan een ander verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een van de misdrijven omschreven in:

- de artikelen 117 tot en met 117b alsmede artikel 285, indien dat misdrijf is gericht tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen;

- de artikelen 79 en 80 van de Kernenergiewet, de artikelen 161quater, 173a en 284a alsmede de artikelen 140, 157, 225, 310 tot en met 312, 317, 318, 321, 322 en 326, indien het feit opzettelijk wederrechtelijk handelen betreft met betrekking tot kernmateriaal;

- de artikelen 162, 162a, 166, 168, 282a, 352, 385a tot en met 385d;

- de artikelen 92 tot en met 96, 108, 115, 121 tot en met 123, 140, 157, 161, 161bis, 161sexies, 164, 170, 172, 287, 288 en 289, indien het feiten betreft die worden gepleegd door middel van het opzettelijk wederrechtelijk tot ontlading of ontploffing brengen van een springstof of ander voorwerp, of het laten vrijkomen, verspreiden of inwerken van een voorwerp, waardoor levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of aanzienlijke materiële schade te duchten is.

2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

3. Art. 421 Sr is op 1 september 2013 in werking getreden.

4. Art. 421 Sr geeft uitvoering aan art. 2 jo. art. 4 van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (verder: het Verdrag).66 Dit Verdrag is op 10 april 2002 voor Nederland in werking getreden.67

5. Art. 2 van het Verdrag luidt als volgt:

1. Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:

a. een gedraging/handeling die een strafbaar feit vormt binnen het toepassingsgebied van en als omschreven in een van de verdragen vermeld in de bijlage; of

b. enige andere gedraging/handeling bedoeld om de dood van of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken bij een burger, of een ander persoon die niet actief deelneemt aan de vijandelijkheden in een situatie van gewapend conflict, wanneer het doel van die gedraging/handeling, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;

[…]

3. Om een gedraging/handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a. of b.

4. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.

5. Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

a. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel;

b. het plegen van een strafbaar feit als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft tot het plegen daarvan;

c. bijdraagt tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in het eerste of vierde lid van dit artikel door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en te worden geleverd:

i. hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in het eerste lid van dit artikel; of

ii. hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in het eerste lid van dit artikel te plegen.

6. Op grond van art. 4 van het Verdrag zijn de staten partij bij het Verdrag gehouden de in art. 2 omschreven strafbare feiten strafbaar te stellen in hun respectievelijke nationale wetgeving en daarop passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst van de feiten.

7. Uit de Memorie van Toelichting bij de goedkeuring en uitvoering van het Verdrag in 2001 volgt dat de wetgever indertijd het standpunt innam dat aan de verplichting tot strafbaarstelling ingevolge het bepaalde in art. 2 jo. art. 4 van het Verdrag kon worden voldaan op grond van de reeds bestaande in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen, waaronder in het bijzonder de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in art. 46 en de strafbaar gestelde deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft om misdrijven te plegen in art. 140 Sr.68

8. De wetgever is inmiddels tot de slotsom gekomen dat de indertijd gekozen benadering op een enkel punt niet helemaal sluitend was. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 421 Sr wordt dat als volgt toegelicht:

‘Enkele van de zeer vele bij de ratificatie van de afzonderlijke verdragen aangewezen strafbare feiten als zijnde nodig voor uitvoering van die verdragen, werden niet bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren of hoger; nochtans een vereiste voor toepassing van artikel 46 Sr.’ 69

9. Het voorgaande liet echter onverlet dat in de visie van de wetgever de Nederlandse wetgeving ook met de keuze om terrorismefinanciering niet apart strafbaar te stellen, voldeed aan de Speciale Aanbeveling II van de Financial Action Task Force (verder: FATF) uit 200470 (thans Aanbeveling 5)71, gelezen in samenhang met de door de FATF opgestelde Interpretative Note (een verbindende uitleg), waarin een elftal eisen zijn geformuleerd waaraan de strafbaarstelling van terrorismefinanciering dient te voldoen.72

10. In 2011 heeft de FATF naar aanleiding van de evaluatie van het Nederlandse beleid en de wetgeving inzake de bestrijding van witwassen en de terrorismefinanciering aan Nederland de aanbeveling gedaan voor de bestrijding van het financieren van terrorisme toch te komen tot een autonome strafbaarstelling van terrorismefinanciering.73 Met de invoering van art. 421 Sr is uitvoering gegeven aan de genoemde aanbeveling.74 Een zelfstandige strafbaarstelling werd gezegd toch een meerwaarde te kunnen hebben in termen van eenvoudige toepassing en herkenbaarheid. Voorts bood het opstellen van een autonome strafbaarstelling de gelegenheid om inhoud en bereik van de strafbaarstelling te verduidelijken.75

7.3.2

Bestanddelen van art. 421 Sr

7.3.2.1 Het opzet op het financieren van terrorisme

1. De wetgever heeft ervoor gekozen het vereiste opzet bij de dader tot uitdrukking te laten komen in de delictsomschrijving door opneming van de term ‘opzettelijk’ in art. 421 Sr. Op deze wijze wordt uitvoering gegeven aan art. 2 van het Verdrag, waarin wordt verplicht tot strafbaarstelling van verstrekking van financiële middelen als dit geschiedt

‘met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden’.

2. De wetgever heeft met de term ‘opzettelijk’ beoogd zowel het oogmerk als het voorwaardelijk opzet in de strafbaarstelling tot uitdrukking te laten komen. Ter toelichting merkt de Minister van Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 421 Sr heeft geleid, hierover op:

‘Het in artikel 2 van het VN Verdrag opgenomen «met de bedoeling dat» komt overeen met de uitleg die in het Nederlandse strafrecht doorgaans wordt gegeven aan handelen «met het oogmerk om». Het oogmerk veronderstelt een sterke wil bij de dader van het beoogde resultaat van zijn handelen. Het vaststellen van voorwaardelijk opzet is daarvoor onvoldoende.

In de Nederlandse strafrechtsleer wordt de tweede opzetmodaliteit die artikel 2 van het VN Verdrag vermeldt, «met de wetenschap dat», beschouwd als een meer algemene uitdrukking van het opzet van de dader. Hiervoor is in beginsel het vaststellen van voorwaardelijk opzet – bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat het handelen het vermelde resultaat heeft – voldoende (J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, blz. 245-249). (…) Hieruit volgt ook dat telkens voorwaardelijk opzet bij de dader voldoende is voor strafbaarheid: dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van daden van terrorisme.’ 76

3. De dader behoeft niet het oog te hebben op het financieren van een specifiek misdrijf. Bewezen moet worden dat het opzet van de dader is gericht op het financieren van een misdrijf dat valt binnen de in artikel 421 Sr genoemde verzameling misdrijven, zonder dat daarbij van belang is om welk misdrijf het exact gaat.77

4. Evenmin is van belang of

‘het na de verstrekte geldelijke steun uiteindelijk komt tot het plegen van een daad van terrorisme.’ 78

5. Van strafbaarheid is verder ook sprake wanneer bij het plegen van een daad van terrorisme daarbij de verleende geldelijke steun niet is gebruikt.79

6. Het is niet van belang hoe het gefinancierde terroristische misdrijf na voltooiing uiteindelijk strafrechtelijk wordt gekwalificeerd.

‘(W)ordt het feit slechts aangemerkt als eenvoudige zaaksvernieling (artikel 350 Sr), dan doet dit niet af aan de strafbaarheid van de financiering als deze zag op een gekwalificeerde vorm van vernieling – bijvoorbeeld vernieling met een terroristisch oogmerk (artikel 354a Sr) of de vernieling van een luchtvaartuig (artikel 168 Sr) genoemd in onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 421 Sr.’ 80

7. Op grond van punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 van de FATF is de wetgever voorts ook gehouden de financiering van (individuele) terroristen en terroristische organisaties strafbaar te stellen. Deze Interpretative note houdt op dit punt in:

2. Terrorist financing offences should extend to any person who wilfully provides or collects funds or other assets by any means, directly or indirectly, with the unlawful intention that they should be used, or in the knowledge that they are to be used, in full or in part: (a) to carry out a terrorist act(s); (b) by a terrorist organisation; or (c) by an individual terrorist. 81

8. De wetgever heeft daar uitvoering aan gegeven via de band van het voorwaardelijk opzet. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 421 Sr heeft geleid wordt daarover het volgende opgemerkt:

Ten slotte merk ik op dat op basis van het hiervoor uiteengezette opzetverband, de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. 82

9. In de hiervoor reeds genoemde Nota naar aanleiding van het Verslag stelt de Minister van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk dat het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is, strafbaar is. De verstrekker van de geldelijke steun moet wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun. De Minister van Veiligheid en Justitie zegt hierover het volgende:

Verder verheft de autonome strafbaarstelling boven elke twijfel dat de poging tot het plegen van het misdrijf financieren van terrorisme in alle omstandigheden strafbaar is. Hetzelfde geldt voor het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bekend is: [onderstreping van het hof] op basis van de voorgestelde strafbaarstelling is het verschaffen van geldelijke steun aan een dergelijk persoon strafbaar via de band van (voorwaardelijk) opzet.83

10. Samengevat houdt het voorgaande in dat op grond van het bepaalde in artikel 421 Sr met het verstrekken van geldelijke steun aan een persoon wiens betrokkenheid bij terrorisme bij de verdachte bekend is, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat deze gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische misdrijven.

11. Voor de bewijsbaarheid van een op art. 421 Sr toegesneden tenlastelegging speelt geen rol of de verdachte heeft gehandeld uit loyaliteitsgevoelens jegens een familielid of (goede) vriend dan wel uit ideologische overtuiging.

7.3.2.2 Misdrijven waarop de financiering ziet

1. In de eerste plaats zijn de daden van terrorisme waarop de financiering kan zien, die welke op grond van artikel 421, lid 1, Sr als terroristisch misdrijf zijn aangemerkt door de Wet terroristische misdrijven84 ter implementatie van het Kaderbesluit terrorismefinanciering.85 Verwezen zij naar art. 83 Sr.

2.
In de tweede plaats wordt in art. 421, lid 1, Sr strafbaar gesteld de financiering van de misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. Deze misdrijven zijn in art. 83b Sr als misdrijven ter voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf aangemerkt door de Wet van 12 j uni 2009.86 Dit heeft mede plaatsgevonden naar aanleiding van de uitvoering van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme van de Raad van Europa.87

3. De Memorie van Toelichting bij de wet die tot invoering van art. 421 Sr heeft geleid, biedt enkele voorbeelden:

Deze is denkbaar, bijvoorbeeld in de vorm van geldelijke ondersteuning van een opruiingscampagne (artikel 131 Sr) of van een netwerk gericht op rekrutering van personen voor de gewapende strijd in het buitenland (artikel 205 Sr). 88

4. In de derde plaats wordt in art. 421, lid 2, Sr een opsomming gegeven van Nederlandse strafbepalingen die uitvoering geven aan de verplichting tot strafbaarstelling van het financieren van bepaalde gedragingen uit negen verdragen van de Verenigde Naties zoals in het Verdrag omschreven.89

5. Tot slot is ook de financiering van individuele terroristen en van terroristische organisaties strafbaar. Die strafbaarheid is een uitwerking van de in punt 2 van de Interpretative note bij Aanbeveling 5 opgenomen verplichting. In de Memorie van Toelichting wordt uitgelegd dat aan deze verplichting uitvoering wordt gegeven langs de weg van het voorwaardelijk opzet zoals ook hiervoor reeds is opgemerkt.

De geldelijke ondersteuning van een persoon die volgens de FATF-terminologie dient te worden aangeduid als «terrorist» (zijnde een persoon die terroristische daden pleegt, dan wel aan het plegen daarvan als medeplichtige, of als leider van of deelnemer aan een organisatie acteert die tot oogmerk heeft het plegen terroristische misdrijven) is via de band van voorwaardelijk opzet strafbaar: de dader aanvaardt bewust de aanmerkelijke kans dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van terroristische daden. 90

6. De achterliggende gedachte, zo begrijpt het hof, is dat met de – al dan niet individuele - financiering de terroristen en de terroristische organisaties in staat worden gesteld hun misdrijven te blijven plegen.

7.3.2.3 De financieringshandelingen

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat het financieren van terrorisme een veelvoud van verschijningsvormen kan aannemen. Het gaat om ‘alle wijzen waarop in financieel en economisch opzicht steun wordt geboden aan het plegen van daden van terrorisme of feiten die daarmee direct verband houden.’91 In de delictsomschrijving wordt dit samengevat als het ‘verlenen van geldelijke steun’, hetgeen inhoudt het verlenen van enig in geld waardeerbaar voordeel. Het is niet van belang om welke voorwerpen het gaat waarmee het voordeel wordt verleend, noch of deze een legale of illegale herkomst hebben. De zinsneden ‘geheel of gedeeltelijk’ en ‘onmiddellijk of middellijk’ leiden ertoe dat ook financiering van slechts een deel van een terroristische daad of financiering die plaatsvindt via andere personen of rechtspersonen, onder de werking van de strafbepaling valt. 92

7.3.3

Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.3.3.1 Standpunten van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld - kort en zakelijk weergegeven, nader toegelicht in het overgelegde op schrift gestelde requisitoir – dat op grond van de in het requisitoir vervatte bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

7.3.3.2 Standpunten van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van het hof.

7.3.4

De door het hof vastgestelde feiten

1. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Het hof volgt de volgorde van de tenlastelegging bij de beoordeling van de vaststelling van de feiten.

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in het verleden, ook in 2014, betrokken is geweest bij het sturen van geld naar Syrië.93

3. De verdachte maakte gebruik van WhatsApp, Facebook en Skype voor het onderhouden van contacten met personen in Syrië.94

Onderdeel A van de tenlastelegging

4. De verdachte is volgens zijn eigen verklaring in november 2013 in Syrië geweest. Hij is begin december naar Nederland teruggekeerd.95 Via chatgesprekken onderhield de verdachte – toen hij weer terug was in Nederland - contacten met o.a. [bijnaam betrokkene 6] en [betrokkene 3]. De verdachte is tijdens zijn verblijf in Syrië met hen opgetrokken. De officiële naam van [bijnaam betrokkene 6] is [betrokkene 6].96 Die van [betrokkene 3] is volgens een krantenbericht waar de verdachte en [betrokkene 3] over chatten [geboortenaam betrokkene 3]. [Betrokkene 3] wordt in dat krachtenbericht aangeduid als ‘[titel krantenbericht]’. [Betrokkene 3] zegt in dat chatgesprek tegen de verdachte “Did u see me on the news bruvv (…) Type in google [zoekterm]”. De verdachte zoekt klaarblijkelijk het krachtenbericht op en reageert dan met “hahahaja (…) I saw it”.97

5. Uit een door de verdachte gevoerd WhatsApp-gesprek op 6 januari 2014 met [betrokkene 6] en later met [betrokkene 3] volgt dat de verdachte tijdens zijn verblijf in Syrië spullen in de stad Kafr Hamrah heeft achtergelaten waaronder een heuptasje met geld.98 In het voornoemde chatgesprek met [betrokkene 6] zegt de verdachte tegen [bijnaam betrokkene 6] “Er zit ook een heuptasje bij daar zit doekoes enzo in, hou dat bij je.” In een later gesprek via WhatsApp op 25 januari 2014 tussen de verdachte en [betrokkene 3] bevestigt deze laatste dat [bijnaam betrokkene 6] de tas heeft ontvangen. [Betrokkene 3] zegt hierover: “[bijnaam betrokkene 6] recievied ur bag.” De verdachte geeft dan aan dat hij dat al wist.99 De verdachte heeft [betrokkene 6] ([bijnaam betrokkene 6]) derhalve geld gegeven.

6. De verdachte bespreekt in een WhatsApp-gesprek dat [betrokkene 6] is omgekomen in Syrië op 23 september 2014. De verdachte geeft aan dat het Amerikaanse raketten waren en desgevraagd geeft hij ook aan dat [betrokkene 6] op dat moment niet op missie was maar aan het rusten.100 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep hierover gezegd dat het is gebeurd tijdens een bombardement van de coalitie.101 In een WhatsApp-gesprek ook op die dag vraagt de verdachte aan [betrokkene 3] of [bijnaam betrokkene 6] ([betrokkene 6]) als martelaar is gestorven (“Did [bijnaam betrokkene 6] go shaheed”). [Betrokkene 3] beantwoordt die vraag bevestigend. Hij beschrijft ook dat hij [betrokkene 6] in zijn armen had toen hij nog leefde en dat “he was in soo much peace”.102 Over de functie van [bijnaam betrokkene 6] heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gezegd dat [bijnaam betrokkene 6] een soort politieman was en zich bezig hield met het bewaken en bevestigen van de orde.103

7. [ Betrokkene 6] was uit Nederland afkomstig. Het hof komt tot die slotsom op basis van de volgende feiten en omstandigheden. [Betrokkene 6] sprak Nederlands in zijn gesprekken met de verdachte. Na het overlijden van [betrokkene 6] neemt de verdachte contact op met de zus van [betrokkene 6] die gebruikt maakt van een Nederlands telefoonnummer ([zus betrokkene 6]).104 De verdachte blijkt de pinpas behorende bij de bankrekening bij de ING van [betrokkene 6] in zijn bezit te hebben.105

8. [ Betrokkene 6] was een uit Nederland afkomstige jihadstrijder. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het eerder genoemde rapport ‘Bestemming Syrië’ blijkt dat “de overgrote meerderheid van buitenlandse mannen naar Syrië afreist om als strijder een bijdrage te leveren aan de gewapende strijd, (…) dat dit zeker het geval is voor personen die zich bewust aan willen sluiten bij kleinere strijdgroepen”106, over welke vaststelling door één van de opstellers van het rapport, D.J. Weggemans, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard: “Begin 2013 waren de beelden van wat er in die regio gebeurde anders dan in 2014. In 2013 was het beeld dat men hulp ging verlenen in de regio. Naarmate de tijd vorderde, werd voor de meeste mensen wel duidelijk dat strijden het kernelement zou worden”.107 Meer in het bijzonder heeft het hof met betrekking [betrokkene 6] gelet op de verwijzing door de verdachte naar de functie van [betrokkene 6] als politieman, de opmerking dat hij op (andere momenten) op missie ging in samenhang met de vraag van de verdachte of [betrokkene 6] als martelaar is gestorven. Deze vraag van de verdachte en het instemmende antwoord bevestigt het beeld dat [betrokkene 6] een jihadstrijder was waarbij het sterven als martelaar wordt gepresenteerd als een van de vooruitzichten binnen de context van de gewapende jihadstrijd.108

9. Op grond van het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwd, stelt het hof vast dat [betrokkene 6] in Syrië deelnam aan de gewapende jihadstrijd en dat de verdachte daar wetenschap van had.

Onderdeel B van de tenlastelegging

10. De verdachte heeft via WhatsApp op zijn Wolfgang telefoon gesprekken met een persoon die zich [betrokkene 7] noemt in de maand februari en maart 2014. Deze persoon maakt gebruik van het Syrische telefoonnummer [telefoonnummer betrokkene 7].109

11. De verdachte zegt in een gesprek met [betrokkene 7] via WhatsApp op 25 maart 2014 dat hij geld heeft verzameld voor broeders.110 Hij zegt al “2 doezoe”111 te hebben. De verdachte voegt daar aan toe: “Loopt nog meer op.”112 [Betrokkene 7] zegt dat [bijnaam betrokkene 6] ([betrokkene 6]) het zal gaan verdelen.113 In een gesprek van 5 april 2014 meldt de verdachte dat er (inmiddels) geld is gestuurd, dat het onderweg is en dat er een deel voor [betrokkene 7] bij zit.114

12. Op 31 januari 2014 vraagt de verdachte in een chatgesprek met [betrokkene 7] om gruwelijke foto’s van hemzelf en de broeders.115 Op 6 februari 2014 zegt [betrokkene 7] desgevraagd tegen de verdachte dat de broeders op ribaat zijn. Ribaat duidt in deze context op deelname aan de gewapende strijd door het bewaken van grensgebieden en/of checkpoints.116 [Betrokkene 7] vertelt verder ook over een jongen die als martelaar is gestorven, omdat een mast op hem was gevallen door een schietactie van een tank.117 Het hof gaat op grond van het voorgaande ervan uit [betrokkene 7] ook betrokken is bij de gewapende strijd in Syrië. Nu de verdachte met [betrokkene 7] over deze zaken spreekt en zijn ervaringen met de verdachte deelt en tevens blijk geeft dat [betrokkene 7] en de andere broeders in gruwelijke situaties gefotografeerd kunnen worden, leidt het hof daaruit af dat de verdachte bekend was met deze achtergrond van jihadstrijder van [betrokkene 7].

Onderdeel C van de tenlastelegging

13. De verdachte heeft op zijn Samsung telefoon via WhatsApp contact onderhouden met de hiervoor genoemde [betrokkene 6].118 Op 5 juni 2014 vraagt de verdachte aan [betrokkene 6] - die nog in Atmeh zegt te zijn - of de spullen al binnen zijn. Uit WhatsApp-gesprekken tussen beiden van latere datum volgt dat met ‘spullen’ wordt gedoeld op (mini)laptops en geld.119 Op 15 juni 2014 zegt de verdachte dat de HP laptop van hem komt en 650 euro.120

Onderdeel D van de tenlastelegging

14. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven betrokken te zijn geweest, samen met [medeverdachte 2], bij het overmaken van geld naar een drietal personen in Syrië, te weten [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 9].121

15. Uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte met [medeverdachte 2] geld ter beschikking heeft gesteld aan (bevriende) jihadstrijders die in Syrië verbleven. [Medeverdachte 2] kende [betrokkene 9] uit de periode dat [betrokkene 9] nog in Nederland woonde.122 De verdachte was in ieder geval toen hij in Syrië verbleef eind 2013 met [betrokkene 6] bevriend geraakt.123

16. De verdachte heeft aangegeven dat 600 van die 1000 euro van hem zelf afkomstig was. Volgens de verdachte was het de bedoeling dat deze 600 euro zou worden verdeeld onder [betrokkene 6], [betrokkene 8] en [betrokkene 9].124 Dat volgt ook uit het Skype gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9], waarin [medeverdachte 2] aangeeft dat 330 euro voor [betrokkene 9] bestemd is en 500 euro voor [bijnaam betrokkene 8], waarvan 270 voor [voornaam betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6]).125 Het hof begrijpt dat met [bijnaam betrokkene 8] de persoon [betrokkene 8] wordt bedoeld, gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over voor wie het geld bedoeld was en het hierboven weergegeven Skypegesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] over de geadresseerden van het geld. Op 29 september 2014 volgt uit een gesprek van [medeverdachte 2] met [betrokkene 9] dat de verdeling van het geld nu 50-50 % voor respectievelijk [betrokkene 9] en [betrokkene 8] wordt aangezien [betrokkene 6] was overleden. Tot slot volgt uit een gesprek op 8 oktober 2014 dat [betrokkene 9] het geld heeft ontvangen en hij [betrokkene 8] 500 euro heeft gegeven.126

17. De verdachte voert een WhatsApp-gesprek met [betrokkene 10] die gebruik maakt van een Syrisch telefoonnummer. Op 7 maart 2014 vraagt de verdachte waar [bijnaam betrokkene 8] ([betrokkene 8]) is. [Betrokkene 10] antwoordt dat [bijnaam betrokkene 8] “ribat” is. Op 9 april 2014 zegt de verdachte dat [bijnaam betrokkene 8] nog iemand kent met een Western Union code en als hij die heeft, kan de verdachte nog een inzameling houden en geld opsturen. Daarop antwoordt [betrokkene 10] dat [bijnaam betrokkene 8] op ribat is en over 5 dagen weer terug is.

18. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [betrokkene 8] een jihadstrijder was die aan de gewapende strijd deelnam en voorts dat de verdachte wetenschap gelet op de gevoerde gesprekken met [betrokkene 10].127

19. Op grond van de Skype gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] stelt het hof vast dat [betrokkene 9] aan de gewapende strijd deelneemt als jihadstrijder. [Betrokkene 9] vertelt [medeverdachte 2] dat hij veel heeft meegemaakt. Hij noemt: “ribaat, sniperen op leger, aanval, tegenaanval, van alles”.128 Hij geeft ook aan dat hij wil overstappen naar IS.129 Op de onder de verdachte inbeslaggenomen Hewlett Packard laptop is een afbeelding (een screenshot) aangetroffen van een chatgesprek tussen NN en [naam 1]130, waaruit blijkt dat deze laatste “morgen naar zijn plek gaat, kga met dawla131 mee vechten”.132

20. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte met [medeverdachte 2] bezig was met het inzamelen van geld voor de jihadstrijders in Syrië ([betrokkene 6] en [betrokkene 8]), de omstandigheid dat op de telefoon van de verdachte een tekstbericht aanwezig is, waarop vermeld staat dat [betrokkene 9] daags erna gaat vechten bij IS, kan het niet anders zijn dat de verdachte ook ermee bekend was – net als [medeverdachte 2] – dat [betrokkene 9] een jihadstrijder was.

Onderdeel E van de tenlastelegging

21. De verdachte maakte gebruik van de nickname [nickname verdachte].133 De verdachte heeft onder de naam [nickname verdachte]134 via Facebook contact met [betrokkene 2] die voorts ook gebruikt maakt van het skype account [skypenaam van betrokkene 2].135

22. In hun gesprekken via Facebook vraagt [betrokkene 2] aan de verdachte op 30 september 2014 of hij ‘floes’ kan sturen.136 Het hof heeft vastgesteld dat in de straattaal met ‘floes’ geld wordt bedoeld.137 De verdachte antwoordt hierop dat hij de week ervoor geld heeft gestuurd en dat hij het zal proberen.138 [Betrokkene 2] geeft vervolgens aan dat het “via western jonion binnen 24 uur en komt in zaak in turk” kan.139 Op 4 oktober 2014 antwoordt de verdachte op de vraag van [betrokkene 2] of hij wat geld heeft kunnen regelen bevestigend. De verdachte geeft aan dat hij het geld nog moet ophalen en dat [betrokkene 2] geduldig moet zijn.140

23. Via Skype hebben [betrokkene 2] onder de naam [skypenaam betrokkene 2] en de verdachte ook contact onderhouden. De verdachte vertelt [betrokkene 2] op 11 oktober 2014 dat hij een broeder heeft gevonden die geld wil doneren en dat de broeder degene is die naar [betrokkene 2] toekomt op een termijn van 2 weken.141 Deze broeder zal dan geld meenemen.142 [Betrokkene 2] geeft aan dat hij niet op ribat zal gaan, totdat deze broeder aankomt.143 Op 17 oktober 2014 deelt de verdachte aan [betrokkene 2] mee dat de dag erop de ‘broeder’ zal vertrekken en dat hij voor [betrokkene 2] geld meeneemt.144 Op 24 oktober 2014 herhaalt de verdachte tegenover [betrokkene 2] dat geld naar hem onderweg is via de broeder die vanuit Nederland naar Syrië is vertrokken. Deze broeder zou [betrokkene 2] het geld geven en hij zou veel bij zich hebben.145 [Betrokkene 2] geeft aan dat hij de broeder aan het zoeken is.

24. [ Betrokkene 2] was een goede vriend van de verdachte. [Betrokkene 2] zat ten tijde van de ten laste gelegde feiten in Syrië bij IS. De verdachte was hiermee bekend. Dat heeft hij desgevraagd verklaard ter terechtzitting in hoger beroep.

Slotsom

25. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder de onderdelen A t/m E van de tenlastelegging is verweten zoals in de bewezenverklaring nader is aangegeven.

7.3.5

Overwegingen van het hof met betrekking de tenlastelegging ten aanzien van feit 4 in relatie tot art. 421 Sr

7.3.5.1 Inleiding

Het hof ziet zich in het kader van de tenlastelegging van feit 4 voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het al dan niet medeplegen van het zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen verschaffen dan wel opzettelijk voorwerpen verzamelen, verwerven, voorhanden hebben of aan een ander verschaffen, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienen om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 421, lid 1 Sr.

7.3.5.2 Het opzet op het financieren van terrorisme en de misdrijven waarop de financiering ziet

1. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzet gehad op het in artikel 421, lid 1, Sr strafbaar gestelde misdrijf van het een ander opzettelijk middelen verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf.

2. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ter zake van de feiten is vastgesteld, is het hof van oordeel dat de verdachte, al dan niet samen met [medeverdachte 2], met het (meermalen) sturen en/of ter beschikking stellen van geld naar/aan [betrokkene 6], [betrokkene 9], [betrokkene 8], [betrokkene 2] en/of [betrokkene 7] van wie de verdachte wist dat zij jihadstrijders waren en daarmee betrokken bij terrorisme, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem aan deze in Syrië verblijvende personen ter beschikking gestelde gelden zouden worden aangewend voor het plegen van een terroristische misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijken van een terroristisch misdrijf.

3. In dat verband acht het hof de navolgende feiten en omstandigheden zoals die op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren zijn genomen, van belang.

4. De verdachte heeft geld ter beschikking gesteld aan de hiervoor onder 2 genoemde personen die deelnamen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Deze Jihadistisch strijdgroepen plegen ernstige misdrijven waarmee ze grote delen van de bevolking van Syrië ernstige vrees aan jagen in de zin van art. 83a Sr. Het hof verwijst hiervoor naar het hoofdstuk 6.2 inzake de achtergrond van de strijd in Syrië. De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d., worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus in het plegen van terroristische misdrijven.

5. Door het bieden van individuele financiële ondersteuning aan deze Jihadstrijders worden zij in staat gesteld hun gewapende strijd te blijven voeren.

6. De slotsom is derhalve dat de verdachte naar het oordeel van het hof opzet heeft gehad op het in artikel 421 Sr strafbaar gestelde misdrijf van het financieren van terrorisme.

7.3.5.3 De financieringshandelingen

1. De verdachte heeft (in vereniging met een ander) vier maal geld gestuurd vanuit Nederland naar jihadstrijders in Syrië en één maal alleen geld ter beschikking gesteld aan een jihadstrijder in Syrië.

2. De verdachte heeft derhalve middelen ter beschikking gesteld aan iemand die als terrorist kan worden aangeduid.

7.3.6

Slotsom ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit

Samenvattend is het hof van oordeel dat de verdachte op grond van de wettig en overtuigend bewezen verklaarde feiten zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) het financieren van terrorisme door [betrokkene 6], [betrokkene 9], [betrokkene 8], [betrokkene 2] en [betrokkene 7] opzettelijk middelen te verschaffen die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

7.4

Feit 3: deelname aan een criminele organisatie

7.4.1

Juridisch kader inzake art. 140a Sr

1. Het onder 3 ten laste gelegde is toegesneden op de strafbaarstelling van art. 140a Sr.

2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Voorts is ook lid 4 van art. 140 Sr in dit verband van belang. Deze strafbepalingen luiden als volgt:

– art. 140a Sr:

1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Oprichters, leiders of bestuurders worden gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

3. Het vierde lid van artikel 140 is van overeenkomstige toepassing.

– art. 140 Sr:

(…)

4. Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

3. Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad over deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 en 140a Sr volgt dat daarvan slechts dan sprake kan zijn, indien aan de volgende twee vereisten is voldaan.

  1. De betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband.

  2. De betrokkene heeft een aandeel in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.

4. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hiervoor in overweging 3 genoemde eerste vereiste (het behoren tot het samenwerkingsverband) ook geldt voor de in art. 140, lid 4 Sr en art. 140a, lid 3, Sr omschreven gedraging van het verlenen van geldelijke steun. De opvatting dat reeds het verlenen van geldelijke steun aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr deelneming aan die organisatie oplevert, is derhalve onjuist. Nu het bij de invoering van art. 140, lid 4, en art. 140a, lid 3, Sr vooral ging om de verduidelijking van de rechtspraak ten aanzien van twee specifieke handelingen, volgt daar redelijkerwijs uit dat die verduidelijking betrekking heeft op het tweede vereiste in de rechtspraak over deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr (het vereiste van een aandeel in of het ondersteunen van bepaalde gedragingen) welk vereiste immers de handelingen betreft.146 Het eerste vereiste, te weten het behoren tot het samenwerkingsverband, geldt daarnaast derhalve onverkort.

5. Het hierboven overwogene geldt - op grond van een wet- systematische uitleg - ook voor de overige in art. 140, vierde lid Sr en art. 140a, derde lid, Sr genoemde handelingen, te weten het verlenen van stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van een organisatie als bedoeld in voornoemde bepalingen.

6. Met betrekking tot het in overweging 3 onder 2. genoemde kan elke bijdrage aan de bedoelde organisatie strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van het enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.147

7. Voor deelneming aan vorenbedoelde organisatie dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.148 Daarbij is echter niet vereist dat de verdachte wetenschap of enige vorm van opzet heeft gehad ten aanzien van één of meerdere door de organisatie beoogde concrete misdrijven of dat hij heeft deelgenomen aan (reeds binnen de organisatie door andere deelnemers gepleegde) misdrijven. Een persoon is strafbaar vanwege alleen maar zijn deelneming aan voornoemde organisatie.

8. Hieraan vooraf gaat vanzelfsprekend dat sprake dient te zijn van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het hof zal hier niet verder ingaan op de juridische merites van de bestanddelen van een organisatie als bedoeld in art. 140 en 140a Sr, nu ter zake hiervan geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen en het hof ook anderszins geen reden ziet deze hier verder te bespreken anders dan hetgeen daarover reeds is overwogen ter zake in hoofdstuk 6 inzake enkele algemene bewijsoverwegingen.149

7.4.2

Standpunten van het openbaar ministerie en van de verdediging

7.4.2.1 Standpunten van het openbaar ministerie

In de visie van het openbaar ministerie staat vast dat de verdachte eind 2013/begin 2014 in Syrië is geweest en na terugkomst plannen heeft gemaakt om opnieuw uit te reizen, dit alles met het enkele doel om in Syrië in gebied dat in handen was van Jabhat al-Nusra deel te nemen aan de gewapende strijd. Ook heeft de verdachte veelvuldig geldelijke en andere stoffelijke steun verleend en personen als ook geld geworven ten behoeve van jihadstrijders in het strijdgebied in Syrië.

Het openbaar ministerie stelt dat de verdachte door dit gedrag een aandeel heeft gehad in en gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de aldaar vechtende jihadistische strijdgroepen. De verdachte behoorde daarnaast tot een van de in Syrië vechtende Jihadistische strijdgroepen.

7.4.2.2 Standpunten van de verdediging

De verdediging heeft in de eerste plaats betoogd – zakelijk en verkort weergeven - dat de verdachte geen aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van een terroristisch oogmerk. De verdachte heeft enkel geld gestuurd naar personen die mogelijk streden.

In de tweede plaats heeft de verdediging ontkend dat de verdachte opzet heeft gehad op het steunen van de organisatie. In dat verband stelt de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat het geld ten goede is gekomen aan de terroristische organisatie in de zin dat die organisatie er profijt van heeft gehad en dat derhalve geen sprake is van het verlenen van geldelijke steun als bedoeld in art. 140, lid 4, Sr en art. 140a, lid 3, Sr. De verdediging heeft aangegeven dat het geld is verstrekt voor levensonderhoud en het onderhouden van telefonische contacten met het thuisfront.

7.4.3

De door het hof vastgestelde feiten

1. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. Het hof gaat daarbij uit van feiten en omstandigheden die reeds hiervoor bij de bespreking van de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 4 zijn vastgesteld. Het hof verwijst voor de vindplaatsen in het dossier van die feiten en omstandigheden naar de desbetreffende paragrafen inzake de feitenvaststelling met betrekking tot die genoemde feiten.

2. De verdachte heeft twee maal een geldbedrag (feit 4 onder A en C) en 2 computers ter beschikking gesteld aan [betrokkene 6]. [Betrokkene 6] en de verdachte spreken over de (verwachte) aankomst van de laptops in Syrië in een aantal gesprekken via WhatsApp waarbij op 5 juni 2014 de verdachte vraagt of de spullen al binnen zijn en op 15 juni 2014 [betrokkene 6] zegt dat de 2 ‘lapies’ zijn gearriveerd.150 De verdachte heeft ook [betrokkene 7], een telefoon toegestuurd. Dat blijkt uit een WhatsApp gesprek tussen beiden van 31 januari 2014 waarin [betrokkene 7] bevestigend antwoordt op de vraag of hij de telefoon heeft ontvangen.151

3. De verdachte heeft fondsen voor jihadstrijders in Syrië geworven. Voor [betrokkene 6] heeft hij samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] geld ingezameld en laten sturen naar Syrië (feit 4 onder D). Daarnaast heeft hij voor [betrokkene 7] (feit 4 onder B), voor [betrokkene 9] en [betrokkene 8] (feit 4 onder D) en voor [betrokkene 2], (feit 4 onder E), geld ingezameld.

4. Het hof heeft eerder vastgesteld dat [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 9], [betrokkene 8] en [betrokkene 2] jihadstrijders zijn.

5. De verdachte heeft voor [betrokkene 1] bemiddeld ten behoeve van zijn reis naar Syrië (feit 2 primair onder I en II). Hij heeft via een kennis informatie ingewonnen met betrekking tot wat [betrokkene 1] moest doen en met wie contact op te nemen, zodra hij in Syrië zou aankomen. De verdachte heeft desgevraagd ter terechtzitting over [betrokkene 1] gezegd dat die zich indertijd wilde aansluiten bij IS. Dat blijkt ook uit een gesprek dat de verdachte voert met [betrokkene 2] op 30 september 2014 via Facebook, waarin verdachte zegt dat hij een persoon heeft “die op vakantie wil”.152 In een gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 11] vraagt deze laatste of de persoon waar verdachte het over heeft “wil zsm op vakantie of?”.153 Deze uitdrukking wordt meermalen in het dossier gebruikt. Het hof begrijpt dat hiermee in versluierd taalgebruik wordt gedoeld op het uitreizen naar Syrië om zich aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd.154

6. Ook de verdachte geeft aan dat hij wil uitreizen en in dat verband een vrouw zoekt om het samen te doen.155 Hij zegt tegen [betrokkene 2] ([skypenaam van betrokkene 2]) “ma k ga na jabz”.156 Het hof begrijpt dat de verdachte hier aangeeft dat hij zich bij de organisatie Jabhat al-Nusra wil aansluiten. De uitleg die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gegeven dat hij alleen het gebied van Jabhat al-Nusra bedoelde157, acht het hof ongeloofwaardig. Bovendien heeft de verdachte ook bij een eerdere gelegenheid reeds gezegd “ik ben niet alleen pro maar meer dan dat”.158 De verdachte heeft ook de medeverdachte [medeverdachte 1] van wie de verdachte wist dat hij ‘pro J’159 was – het hof begrijpt: pro Jabhat al-Nusra - van praktische informatie voorzien met het oog op het samen uitreizen naar Syrië (feit 1 onder D). De verdachte onderhoudt daarnaast contact met [betrokkene 5] (feit 2 onder I en II). Op de Hewlett Packard laptop van de verdachte is een afbeelding aangetroffen waarop een krantenartikel staat met als koptekst ‘[betrokkene 5] ronselt moslimjongeren voor ISIS’.

7. De verdachte is eind 2013 in Syrië geweest. Uit de gesprekken via social media waaraan de verdachte deelnam, volgt dat verdachte met jihadstrijders die hij bij zijn verblijf in Syrië had ontmoet, na terugkeer in Nederland contacten blijft onderhouden waarbij de gesprekken gaan over het verloop van de strijd en het bieden van hulp (geld, spullen) vanuit Nederland. De verdachte onderhield in dat verband onder meer contacten met [betrokkene 6]. De verdachte heeft verklaard dat hij een goede band met [betrokkene 6] had en dat deze laatste wilde dat hij terugkwam naar Syrië.160 Dat geldt ook voor [betrokkene 3] en de verdachte. Zij geven meermalen aan in WhatsApp-gesprekken elkaar te missen.161 [Betrokkene 3] is een vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Syrië afgereisde jihadstrijder.162 De verdachte heeft aangegeven dat [betrokkene 3] en hij vrienden waren.163 Met [betrokkene 3] deelt verdachte ook nog dat hij naar Birmingham is gereisd met de auto en dat hij door de “through UK border control and the terror control” is gekomen.164

8. In een gesprek met een persoon wiens identiteit niet is vastgesteld, via WhatsApp op 14 april 2014 zegt de verdachte “Ik ben een voorstander van Jih*d en dus ook iedereen die onder Al Qa*da valt” Ook geeft de verdachte aan in dat gesprek niets van democratie te moeten hebben.165

9. De verdachte neemt deel aan Facebook met onder meer de naam [bijnaam verdachte]. Dat staat voor ‘[betekenis bijnaam verdachte]’.166 Op voornoemde laptop van de verdachte is een foto van de verdachte aangetroffen waarop hij staat afgebeeld met een zwaard in zijn hand met op de achtergrond een vlag van Jabhat al-Nusra.167 Ook is er een afbeelding aangetroffen met alleen de vlag van Jabhat al-Nusra.168 De laptop bevat daarnaast meerdere andere afbeeldingen met de vlag die ook en vooral door IS wordt gebruikt; soms is alleen de vlag zichtbaar169, in een ander geval is het symbool van IS geplaatst naast een vuurwapen of op een militair voertuig.170

10. Op de Hewlett Packard laptop van de verdachte zijn verscheidene afbeeldingen aangetroffen waarop geweld centraal staat. Er is een afbeelding waarop een man geknield zit met de wijsvinger omhoog bij een vijftal afgehakte hoofden.171 Er zijn daarnaast vele afbeeldingen met gewapende mensen.172

11. Op voornoemde laptop is een opruiende tekst aangetroffen waarin wordt opgeroepen tot het doden van gevangen ‘whom you do not have a treaty’ met het doel om ‘to strike fear into your enemies and the enemies of Allah’ waarbij een afbeelding van een geknielde gevangene in een oranje pak met daarnaast een man gekleed in het zwart met een bivakmuts op.

12. Op een telefoon van de verdachte is een in het Arabisch gezongen lied aangetroffen.173 De vertaling ervan luidt als volgt:

Het gerommel der zwaarden vormt het lied voor de dappere strijders

Het pad van de strijd is de weg naar het leven

Met een oeverval die de onderdrukkers vernietigt

En een geluidsdemper met een mooi geluid

Overwint mijn geloof en worden onrechtdoeners vernederd

Komt op o mijn mensen, neemt het pad van de dapperen

Ga voor een vrolijk leven

Of een dood die de vijanden doet schrik

O broeder, sta op voor het pad van de verlossing

Wij gaan samen tegen de veroveraars.

13. Op de laptop is een afbeelding aangetroffen met het opschrift ‘Strijder voor in Syrie (…) Solliciteer direct op ikwilnaarSyrie.’174

7.4.4

Overwegingen van het hof met betrekking tot de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 in relatie tot art. 140a Sr en bespreking van de verweren

1. Dat Jabhat al-Nusra een organisatie is en welke terroristische misdrijven deze organisatie tot oogmerk had, heeft het hof reeds vastgesteld in hoofdstuk 6.

2. Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de door het hof vastgestelde feiten, in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn aan te merken als het door de verdachte deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven.

Gedragsvereiste (aandeel of ondersteuning)

3. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een aandeel gehad in en gedragingen ondersteund die rechtstreeks strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. art. 140a Sr bedoelde oogmerk.

4. Het hof acht daarbij het volgende van belang.

5. De verdachte is meermalen opgetreden als een fondsenwerver voor strijders van de gewapende Jihadstrijd.

6. Hij heeft verder ook geldelijke steun verleend aan jihadstrijders in Syrië. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat met het ter beschikking stellen van geld aan individuele jihadstrijders van een organisatie daarmee geldelijke steun wordt verleend ten behoeve van die organisatie als bedoeld in art. 140a, lid 3, Sr jo. art. 140, lid 4, Sr.

7. De verdachte verleende voorts stoffelijke steun ten behoeve van de organisatie door spullen, zoals laptops en een telefoon, naar strijders van de gewapende jihadstrijd toe te zenden.

8. Ook heeft de verdachte bemiddeld bij een strijder van IS om een persoon uit Nederland die wilde uitreizen naar Syrië, te laten aansluiten bij IS. De verdachte bereidde ten tijde van zijn aanhouding al geruime tijd samen met [medeverdachte 1] hun uitreis naar Syrië voor en voorzag [medeverdachte 1] daarbij ook van praktisch advies ten behoeve van deze uitreis naar Syrië.

9. Deze in de vorige paragraaf vastgestelde gedragingen van de verdachte vallen met uitzondering van het faciliteren van de aansluiting bij IS, onder het bepaalde in artikel 140a, lid 3, Sr jo artikel 140, lid 4, Sr. Het betreft het verlenen van geldelijke, stoffelijke steun alsmede het werven van gelden ten behoeve in de in art.140a, lid 1, bedoelde organisatie. Het faciliteren van de aansluiting door [betrokkene 1] bij IS is voorts ook een vorm van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140a Sr.

Vereiste van betrokkenheid bij samenwerkingsverband

10. De verdachte was betrokken bij het samenwerkings- verband van Jabhat al-Nusra. Hij was geen buitenstaander of een sympathisant. Het hof kent daarbij veel gewicht toe aan de actieve steun die de verdachte bood aan de Jihadstrijd in Syrië vanuit Nederland. Dat blijkt uit de wijze waarop verdachte het gedachtegoed en de doelstelling(en) van Jabhat al-Nusra aanhing in woorden en daden zoals hiervoor is gebleken uit de vastgestelde feiten.

11. Het hof acht daarnaast voor de betrokkenheid van de verdachte bij het samenwerkingsverband nog het volgende van belang.

12. De verdachte is na zijn terugkeer eind 2013 nauw in contact gebleven met leden van de gewapende jihadstrijd in Syrië. Hij besprak openlijk in chatgesprekken hoe hij zich verhield tot Jabhat al-Nusra (‘meer dan pro-Jabhat al-Nusra’). De verdachte had beeldmateriaal op zijn computer en telefoon waarop gewelddadige jihad werd gepropagandeerd. Voorts gaf de verdachte in chatgesprekken aan weer terug te willen keren.

Verweer inzake het opzet

13. De verdachte was er mee bekend dat Jabhat al-Nusra en ook IS ten tijde van de aan de verdachte verweten gedragingen tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde eis dat voor het bewijs van het opzet voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – dat de organisatie het oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven.

14. Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

7.4.5

Slotsom ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit

1. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voorgoederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen en gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot en verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

2. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 3.

8 De bewezenverklaring

Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014,

te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het de misdrijfven aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra en/of

B. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied en/of

C. deelgenomen aan Arabische lessen en/of

D. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en/of praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

E. een of meerdere (documenten of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij de

gewapende jihadistische strijd/de oorlogsvoering en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

F. geldbedrag(en) ingezameld en/of overgemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of achtergelaten (in Kafr Hamra, Syrië) ten behoeve van een of meer personen die zich in het strijdgebied in Syrië en/of Irak bevinden en/of

G. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrië of Irak en/of zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld). en/of

2 primair

I

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. contacten onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of

B. met deze [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en) gesproken over door [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling (“tazkiyya”) ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of

C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of

D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven/ inlichtingen verschaft over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk geval met een of meer perso(o)n(en) die zich daar bevind(t)(en),

en/of

II

[betrokkene 1], althans een onbekend gebleven persoon,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, in Nederland en/of Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) zich aangesloten bij de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk

behulpzaam is geweest door

A. contacten te onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of

B. met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en) te spreken over door deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gazianteb) naar het strijdgebied en/of te spreken over het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling ("tazkiyya") ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of

C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of

D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven/inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk geval met een of meer perso(o)n(en) die zich daar bevind(t)(en),

en derhalve te faciliteren bij de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven;

3

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014,

te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk;

4

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014,

te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans dan wel alleen,

zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft

verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of en aan een ander heeft verschaft,

die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het

plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. in of omstreeks januari 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld (in een heuptasje) achter gelaten en/of ter beschikking gesteld aan de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied, in Kafr Hamra (Syrië) en/of

B. in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 1 mei 2014 enkele duizenden euro's, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid geld ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van jihadstrijders in het strijdgebied en/of

C. in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met

1 juli 2014 EUR 650,-, althans een hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied en/of

D. in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 8 oktober 2014 EUR 1.000,-, althans een aanzienlijke) hoeveelheid geld, ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijders [betrokkene 9] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 8], althans naar een (of meer) jihadstrijder(s) in het strijdgebied en/of

E. in of omstreeks oktober 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 2], althans een jihadstrijder in het strijdgebied;

welke hoeveelheid geld (deels) (telkens) bestemd was om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of aan strijders van die gewapende jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, (althans) in elk geval om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9 Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - in de voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

10 Strafbaarheid van het feit

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

het medeplegen van het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen;

en

het medeplegen van het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen.

Het onder 2 primair I bewezen verklaarde levert op:

het met het oogmerk om een in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen;

en

het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 289a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen;

en

het met het oogmerk om een misdrijf als omschreven in artikel 288a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid of inlichtingen te verschaffen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

en

het medeplegen van het financieren van terrorisme.

11 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12 De strafoplegging

12.1

Vordering van de advocaat-generaal

1. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

  • -

    zich verplicht onder toezicht stelt van de reclassering (met meldplicht), waarbij de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof;

  • -

    geen contact zal (doen) zoeken en/of (doen) onderhouden met de navolgende personen:

 zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en voorts met [betrokkene 12] en [betrokkene 13];

 met strijders in een strijdgebied (met name Syrië en Irak) of daarbuiten;

 met voormalige strijders en/of personen die in het (voormalige) strijdgebied hebben verbleven, dit gelet op de actuele ontwikkelingen in het strijdgebied;

 met personen en/of organisaties die op de sanctielijst Terrorisme staan vermeld;

 met personen van wie de reclassering dit noodzakelijk acht in het kader van zijn begeleiding en re-integratie.

 [personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling]

 [betrokkene 12], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 12]

 [betrokkene 14], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 14]

 [betrokkene 15], geboortedatum [geboortedatum betrokkene 15]

  • -

    zich niet zal bevinden op en binnen een straal van 2 kilometer van de luchthavens Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht-Aachen Airport;

  • -

    zich niet zal bevinden binnen een straal van twee kilometer van de grenzen van België en Duitsland;

  • -

    zich zal bevinden in Nederland;

  • -

    desgevraagd zal meewerken aan een onderzoek door het NIFP;

  • -

    actief zal meewerken aan het verkrijgen van een dagbesteding;

  • -

    zal meewerken aan een re-integratietraject van de gemeente Arnhem.

2. Ter zake van bovengenoemde bijzondere voorwaarden is gevorderd dat de reclassering de opdracht krijgt om elektronisch toezicht te houden, voor zolang als de reclassering dat noodzakelijk acht, en voorts is gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

12.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft het onvoorwaardelijke deel van de in eerste aanleg opgelegde straf volledig uitgezeten en hij heeft een lange tijd op de terroristenafdeling in voorlopige hechtenis verbleven. Indien de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de advocaat-generaal zullen worden opgelegd, dan zal de verdachte nog 3 jaar worden gestraft. De verdachte wordt in zijn dagelijks leven erg beperkt door de enkelband. Hij kan bijvoorbeeld geen familieleden ophalen van het vliegveld en hij kan geen inkopen doen in Duitsland. Daarnaast bemoeilijken de locatieverboden een baan in de transportsector. De gevorderde contactverboden, met name ten aanzien van de personen die de verdachte als goede vrienden beschouwt

([betrokkene 12], [betrokkene 14] en [betrokkene 15]) leveren een onredelijke inbreuk op zijn privacy op. De verdediging verzoekt het hof om geen contactverboden op te leggen. De verdediging verzoekt het hof voorts een kortere proeftijd dan de gevorderde proeftijd voor de duur van 3 jaar op te leggen.

12.3

Het oordeel van het hof

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

12.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

1. De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014 schuldig gemaakt aan deelname aan een terroristische organisatie, het (medeplegen van het) voorbereiden en/of bevorderen van terroristische misdrijven en het (medeplegen van het) financieren van terrorisme.

2. De verdachte heeft samen met een medeverdachte plannen gemaakt om uit te reizen naar het strijdgebied in Syrië, om zich aldaar aan te sluiten bij de gewapende jihadstrijd. De verdachte heeft zich daartoe middelen en inlichtingen verschaft. Hij heeft hiertoe onder meer contact gehad met Jihadstrijders in het strijdgebied in Syrië. De verdachte heeft voorts [medeverdachte 1] geholpen met informatie over de uitreis naar Syrië met het oog op aansluiting bij een jihadistische groepering. De verdachte heeft tevens de aansluiting bij IS van [betrokkene 1] gefaciliteerd, onder andere door informatie in te winnen en door te geven over de te volgen routes naar het strijdgebied in Syrië. Ook heeft de verdachte een telefoon en laptops verstuurd naar in het strijdgebied in Syrië aanwezige jihadstrijders. Daarnaast heeft de verdachte geldbedragen ingezameld en verstuurd ten behoeve van jihadstrijders in Syrië.

3. Aldus handelende heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd dan wel beoogd te leveren aan de gewelddadige jihadstrijd in Syrië en aldus aan de (verdergaande) destabilisering en onveiligheid in (de regio van) Syrië. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat jihadistische groeperingen, in het bijzonder IS en Jabhat al-Nusra, zich in Syrië op grote schaal schuldig maken aan grove mensenrechtenschendingen. Gelet op het bloedige en angstaanjagende geweld waaraan deze terroristische groeperingen zich structureel bezondigen en in het recente verleden hebben bezondigd, moet het afreizen naar Syrië met het doel om daaraan deel te nemen op krachtige wijze worden tegengegaan. Daarom dienen in zaken als die van de verdachte de strafdoelen van vergelding en afschrikking bij de keuze van de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf naar het oordeel van het hof een bepalende rol te spelen, ook indien degene die voornemens is uit te reizen – zoals hier – er niet in is geslaagd de plaats van bestemming te bereiken.

12.3.2

De persoon van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden

Justitiële documentatie

1. Het hof heeft bij de op te leggen straf acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Verklaring van de verdachte

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 verklaard dat het goed met hem gaat sinds de opheffing van de voorlopige hechtenis. Hij staat niet meer op de Sanctielijst. Hij heeft een fulltime baan en hij heeft zich bij de Islamitische Universiteit in Rotterdam ingeschreven voor een studie. Hij is nog steeds getrouwd en heeft een stabiele relatie.

Verklaring van de deskundige [reclasseringswerker]

3. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2017 is [reclasseringswerker] als deskundige gehoord. [Reclasseringswerker] is een van de twee reclasseringswerkers met wie de verdachte contact heeft gehad na de opheffing van de voorlopige hechtenis. De deskundige heeft het volgende over het contact met de verdachte verklaard.

4. De reclassering voert wekelijks gesprekken met de verdachte en deze gesprekken verlopen in goede sfeer.

5. Op 30 juni 2017 is de verdachte van de Sanctielijst afgehaald.

6. De in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden zien op controle. Deze controle acht de deskundige thans nog nodig. De reclassering heeft nog geen inhoudelijke gesprekken met de verdachte gevoerd nu de behandeling van de strafzaak in hoger beroep nog niet was afgerond. De gesprekken zijn tot nu toe oppervlakkig geweest en er is met name gesproken over de omstandigheid dat de verdachte op de Sanctielijst stond, zijn financiën, zijn werk en de praktische invulling van zaken. De reclassering heeft niet met de verdachte over het geloof gesproken. De reclassering kan gesprekken met een Imam regelen als de verdachte dat wil.

7. De deskundige adviseert de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de straf die hij thans reeds heeft uitgezeten. De deskundige adviseert de verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen die zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 6 april 2017 en daaraan toe te voegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof.

Rapportages

8. Het hof heeft acht geslagen op de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 6 april 2017. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld.

9. De reclassering ziet een discrepantie tussen de uitkomsten van het NIFP onderzoek en hoe de verdachte zichzelf ervaart en/of presenteert. De verdachte schetst een louter positief zelfbeeld en geeft aan dat hij altijd uit goede intenties handelt en bereid is om aan zichzelf te werken. Tot op heden lijkt hij niet de noodzaak te voelen om iets aan zichzelf of zijn opvattingen te veranderen. De problemen die hij ervaart zijn voornamelijk van externe aard, zoals een verkeerd beeld dat door justitie van hem geschetst wordt.

10. De reclassering merkt op dat de verdachte geen sympathie lijkt te hebben voor IS, maar dat hij zich daarentegen lovend uitsprak over Jabhat al-Nusra. Zij zouden niet de daden plegen van IS en in tegenstelling tot IS opkomen voor de bevolking en zich inzetten voor hun bescherming, aldus de verdachte. Het feit dat Jabhat al-Nusra wordt aangeduid als een terroristische organisatie lijkt zijn mening niet te beïnvloeden. De verdachte heeft verklaard nooit de intentie te hebben gehad om zich aan te sluiten of mee te vechten. Doch hij heeft vrienden die bij deze groepering zouden zitten wel altijd gesteund. Hij heeft nooit de noodzaak gezien om afstand te nemen van deze groep of van deze personen.

11. De reclassering kan geen uitspraken doen over het recidiverisico en het risico op letselschade, omdat de verdachte het ten laste gelegde ontkent. De reclassering merkt op dat het echter een feit van algemene bekendheid is dat terroristische misdrijven [zo begrijp het hof] wel degelijk een risico op dat vlak met zich meebrengen. De reclassering kan geen uitspraak doen over de kans op onttrekking aan de voorwaarden, omdat zij de verdachte enkel in een gesloten setting hebben gesproken.

12. De reclassering adviseert, indien de verdachte schuldig wordt bevonden en indien aan hem een deels voorwaardelijke straf zal worden opgelegd, aan de verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, een contactverbod ten aanzien van een groot aantal personen (medeverdachten, personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling, personen die genoemd worden in het proces-verbaal en personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan), alsmede locatieverboden ten aanzien van een aantal internationale luchthavens en de grenzen met België en Duitsland. Het locatieverbod dient te worden gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel met GPS.

13. Het hof heeft voorts kennis genomen van de overige zich in het dossier bevindende stukken van Reclassering Nederland van 13 juli 2016, 19 augustus 2015 en 9 maart 2015.

14. In de rapportage van 13 juli 2016 is onder meer het volgende vermeld.

De reclassering kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de positieve verandering in het gedrag van de verdachte vooral door externe motivatie komt, namelijk het verkrijgen van privileges, en dat de verdachte nauwelijks intrinsieke motivatie heeft voor gedragsverandering. Ook zijn probleembesef is laag. Hij ervaart geen noodzaak om zichzelf te veranderen.

15. Risicofactoren zijn op dit moment dat er nog onvoldoende zicht is op het netwerk van de verdachte in Syrië. Daarnaast is hij tot op heden onderdeel van een netwerk van mensen die de strijd steunen.

16. In de rapportages van 19 augustus 2015 en 9 maart 2015 is onder meer het volgende vermeld. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft op generlei wijze afstand genomen van de gedragingen die tot zijn huidige detentie hebben geleid.

17. Tenslotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage betreffende de verdachte, opgemaakt door J.P.M. van der Leeuw, psycholoog,

F. Nhass, psychiater, en M. Elghalbzouri, milieuonderzoeker, d.d. 13 januari 2016. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.

18. Er zijn aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een narcistische en antisociale persoonlijkheidsdynamiek. Echter, als gevolg van de beperkingen en de context van het onderzoek, is het niet mogelijk gebleken een diagnose persoonlijkheidsstoornis vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Aanwijzingen voor het bestaan van een psychiatrische stoornis in engere zin zijn niet naar voren gekomen.

12.3.3

De op te leggen straf

1. Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

2. Het hof zal daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Het hof zal aan dit voorwaardelijke deel, in verband met het recidiverisico en de aard en de omvang van de thans bewezen verklaarde feiten, een proeftijd voor de duur van drie jaren verbinden.

3. Gelet op de inhoud van de deskundigenrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn opgenomen in het reclasseringsrapport van 6 april 2017 en hieraan toevoegen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof. Het hof zal de reclassering de opdracht geven om elektronisch toezicht te houden op de naleving van de locatieverboden.

4. Ten aanzien van de op te leggen contactverboden overweegt het hof het volgende. Het hof acht het noodzakelijk om de in het reclasseringsadvies van 6 april 2017 geadviseerde contactverboden op te leggen, te weten ten aanzien van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling, de personen [betrokkene 12], [betrokkene 14] en [betrokkene 15] en de personen die op de Sanctielijst terrorisme staan. Over de op te leggen contactverboden met [betrokkene 12], [betrokkene 14] en [betrokkene 15] overweegt het hof dat zich in het dossier aanwijzingen bevinden waaruit blijkt dat zij sympathiseren met de gewapende jihadstrijd in Syrië.

5. In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om van de door de advocaat-generaal gevorderde straf af te wijken. Hierbij overweegt het hof nog dat de deskundige [reclasseringswerker] ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat de reclassering ook avondspreekuren heeft en dat er soepel met de beperkingen zou kunnen worden omgegaan, indien de verdachte met de reclassering de problemen die de beperkingen in concrete gevallen met zich brengen, bespreekt.

6. Alles afwegende is het hof van oordeel van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals hieronder vermeld, een passende en geboden reactie vormt.

Dadelijke uitvoerbaarheid

7. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten deelname aan een terroristische organisatie, het (medeplegen van) voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven en het (medeplegen van het) financieren van terrorisme.

8. Uit de hiervoor genoemde deskundigenrapporten blijkt onder meer dat de verdachte zich haast lovend uitsprak over Jabhat al-Nusra, dat hij vrienden heeft die jihadstrijders zijn en dat hij nooit de noodzaak heeft gezien om afstand te nemen van deze groep of deze personen. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte in 2013 reeds in Syrië is geweest en, zoals in de onderhavige zaak bewezen is verklaard, in 2014 heeft getracht naar het gebied van Jabhat al-Nusra uit te reizen. In 2015 beoordeelde de reclassering de kans op recidive hoog. Ten slotte heeft het hof nog gelet op het gegeven dat Jabhat al-Nusra terroristische misdrijven pleegt en dat terroristische misdrijven een zeer groot risico op letselschade met zich meebrengen.

9. Op grond van het voorgaande en in samenhang bezien moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

10.
Daarom zal het hof bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

13 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 96, 140a, 157, 176b, 288a, 289a en 421 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair II ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair I, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair I, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de verdachte verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, [adres reclassering], zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de verdachte gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan het voeren van gesprekken met een deskundige over zijn geloof, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. dat het de verdachte gedurende de proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met:

  • -

    [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2],

  • -

    [betrokkene 12], [betrokkene 14] en [betrokkene 15],

  • -

    personen die op de Sanctielijst Terrorisme staan,

  • -

    personen met wie de verdachte gedetineerd heeft gezeten op de Terroristen Afdeling in de penitentiaire inrichting Vught,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat het de verdachte gedurende de proeftijd verboden is zich te bevinden op de volgende internationale luchthavens in Nederland:

5. Amsterdam Airport Schiphol,

6. Rotterdam The Hague Airport,

7. Groningen Airport Eelde,

8. Eindhoven Airport,

9. Maastricht Aachen Airport,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat het de verdachte gedurende de proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 2 kilometer van de grenzen met België en Duitsland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. dat de verdachte gedurende de proeftijd ter controle van de onder 4 en 5 genoemde voorwaarden gebruik zal maken van het door Reclassering Nederland aangewezen technische hulpmiddel ter ondersteuning van het elektronisch toezicht, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 oktober 2017.

Bijlage

Tenlastelegging, na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.

1. (voorbereiden/ bevorderen van terroristische misdrijven door zelf te willen afreizen naar Syrië en zich aansluiten bij Jabhat al Nusra)

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014,

te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans

alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. zich (via chatberichten) laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of hoe aan te sluiten bij Jabhat al Nusra en/of

B. zich (via chatberichten) laten informeren over een te volgen reisroute naar het strijdgebied en/of

C. deelgenomen aan Arabische lessen en/of

D. informatie ingewonnen en/of verkregen en/of verstrekt voor een reisuitrusting en/of praktische maatregelen die getroffen moeten worden voor het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

E. een of meerdere (documenten of afbeeldingen op) gegevens/informatiedragers voorhanden gehad met daarop informatie betreffende het Jihadistisch gedachtegoed en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij de gewapende jihadistische strijd/de oorlogsvoering en/of aanwijzingen om zich aan te houden bij het voorbereiden van het vertrek naar het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of

F. geldbedrag(en) ingezameld en/of overgemaakt en/of voorhanden heeft gehad en/of achtergelaten (in Kafr Hamra, Syrië) ten behoeve van een of meer personen die zich in het strijdgebied in Syrië en/of Irak

bevinden en/of

G. zich geuit over zijn/hun wens zich te begeven (via Turkije) naar Syrië of Irak en/of zich aan te aansluiten bij de gewapende strijd en/of gewapende Jihad (door onder meer te spreken over het elkaar ontmoeten op het slagveld) en/of

(art. 47 Sr jo. 96 lid 2 Sr jo.176b lid 2 Sr jo. 157 Sr jo. 288a Sr jo. 289 Sr jo. 289a lid 2 Sr)

2. primair (voorbereiden/ bevorderen van terroristische misdrijven door een ander behulpzaam te zijn bij het afreizen naar Syrië en aansluiten bij IS)

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014,

te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel 157 en/of 289 en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. contacten onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of

B. met deze [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en) gesproken over door [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling (“tazkiyya”) ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of

C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of

D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen gegeven/ inlichtingen verschaft over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk

geval met een of meer perso(o)n(en) die zich daar bevind(t)(en),

(art. 47 Sr jo. 96 lid 2 Srjo.176b lid 2 Sr jo. 157 Sr jo. 288a Sr jo. 289 Sr jo. 289a lid 2 Sr)

en/of (medeplichtigheid aan deelname van een ander aan een terroristische organisatie)

[betrokkene 1], althans een onbekend gebleven persoon,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, in Nederland en/of Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) zich aangesloten bij de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

A. contacten te onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van deze

[betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van

deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of

B. met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en) te spreken over door deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven

persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gazianteb) naar het strijdgebied en/of te spreken over het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling ("tazkiyya") ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of

C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of

D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven/inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in elk geval met een of meer perso(o)n(en) die zich daar bevind(t)(en),

en derhalve te faciliteren bij de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven;

(art. 140a lid 1 Sr jo. 48 ahf/sub 1 Sr jo. 48 ahf/sub 2 Sr)

subsidiair (medeplichtigheid aan poging tot deelname van een ander aan een terroristische organisatie):

[betrokkene 1], althans een onbekend gebleven persoon,

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014, in Nederland en/of Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om deel te nemen aan een Organisatie welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

is uitgereisd naar het strijdgebied in Syrië teneinde zich aan te sluiten bij de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische

misdrijven,

terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij het plegen van welk (gepoogde) misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 31 oktober 2014 in Nederland en/of Syrië,

meermalen, althans eenmaal

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

A. contacten te onderhouden met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en), ten behoeve van de aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, althans ten behoeve van de deelname van

deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon), aan de gewapende jihadstrijd en/of

B. met [betrokkene 2] en/of [betrokkene 5] (althans met een of meer perso(o)nen die zich in het strijdgebied bevind(t)en) te spreken over door deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven

persoon) te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of te spreken over het beschikken over/verschaffen van een persoonlijke garantstelling (“tazkiyya”) ten behoeve van toelating tot het strijdgebied van deze [betrokkene 1] (althans deze onbekend gebleven persoon) en/of

C. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven over te volgen reisroutes (via onder meer Gaziantep) naar het strijdgebied en/of

D. deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) aanwijzingen te geven/inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop in contact te komen in het strijdgebied met [betrokkene 2], in

elk geval met een of meer perso(o)n(en) die zich daar bevind(t)(en),

en derhalve te faciliteren bij de voorgenomen aansluiting van deze [betrokkene 1] (althans een onbekend gebleven persoon) bij Islamitische Staat (IS), in elk geval een organisatie met het oogmerk tot

het plegen van terroristische misdrijven;

(art. 140a lid 1 Sr jo. 45 Sr jo. 48 Sr)

3 (deelname aan een terroristische organisatie):

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen (al dan niet zoals bedoeld in artikel 140 lid 4 Wetboek van Strafrecht) aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

(art. 47 Sr jo. 140a lid 1 en 3 Sr jo 140 lid 4 Sr)

4 (financieren van terrorisme):

Hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 november 2014, te Arnhem en/of te Doesburg, in elk geval in Nederland en/of in Syrië,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

zich of een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad of aan een ander heeft verschaft,

die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten,

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens) ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,

A. in of omstreeks januari 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld (in een heuptasje) achter gelaten en/of ter beschikking gesteld aan de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied, in Kafr Hamra (Syrië) en/of

B. in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 1 mei 2014 enkele duizenden euro's, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid geld ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van jihadstrijders in het strijdgebied en/of

C. in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 EUR 650,-, althans een hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 6], althans een jihadstrijder in het strijdgebied en/of

D. in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 8 oktober 2014 EUR 1.000,-, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid geld, ingezameld en/of verworven voor en/of verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijders [betrokkene 9] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 8], althans naar een (of meer) jihadstrijder(s) in het strijdgebied en/of

E. in of omstreeks oktober 2014 een of meer onbekend gebleven hoeveelheid geld verstuurd naar en/of aan een ander verschaft ten behoeve van de jihadstrijder [betrokkene 2], althans een jihadstrijder in het strijdgebied;

welke hoeveelheid geld (deels) (telkens) bestemd was om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of aan strijders van die gewapende jihadstrijd in Syrië, in welke strijd terroristische misdrijven worden gepleegd, (althans) in elk geval om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven.

(art. 47 Sr jo. 421 Sr)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 26DLR14056, van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche (onderzoek Cumbria).

2 Zie voor verdere achtergronden o.a.: Hof Den Haag, 20 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1733. De uitspraak is inmiddels onherroepelijk.

3 Kennisbijlage 140a PV (Jihadi-)Salafistische Groepen in Syrië van dr. J. Jolen d.d. 29 januari 2015, en de aldaar aangehaalde bronnen (hierna: Kennisbijlage 140a), ZD C02, p. 2-163.

4 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-164.

5 Kennisbijlage 140a, ZD C02, pp. 2-162, p. 2-164 en p. 2-165.

6 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-144 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-177 en p. 2-180.

7 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-180.

8 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-151; Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-183.

9 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-144.

10 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, ZD C02, p. 2-146 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-181 t/m 2-183.

11 Kennisbijlage 140a, p. 22, ZD C02, p. 2-183.

12 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-161 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-186.

13 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-155.

14 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-157 en kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-186 t/m p. 2-188.

15 Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra, ZD C02, p. 2-158.

16 Kennisbijlage 140a, ZD C02, p. 2-173 en p. 2-174.

17 Rapport ‘Bestemming Syrië. Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië van D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, d.d. 3 januari 2016 (verder: Rapport ‘Bestemming Syrië’.

18 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 22, p. 32 en p. 84.

19 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 87, p. 91 en p. 92.

20 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 92.

21 Rapport ‘Bestemming Syrië’, p. 88.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 33 en p. 36.

23 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 37.

24 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 38.

25 Report of the IICISAR, A/HRC/25/65, d.d. 12.02.2014, p. 8.

26 In deze zin ook reeds Hof Den Haag 10 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:642.

27 Het hof is van oordeel dat hetgeen de Hoge Raad hier oordeelt ook geldt voor de in de artikelen 288a en 157 Sr omschreven misdrijven.

28 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416.

29 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 8.

30 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 19.

31 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 en 15 januari 2016 en 18 februari 2016, p. 13.

32 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van de getuige [medeverdachte 1].

33 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 23.

34 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 19-20.

35 ZD C01, Proces-verbaal, p. I-31-32.

36 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-183 t/m 1-202; ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen p. 1-169 en p. 1-170.

37 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 19.

38 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 21 en 24.

39 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 19.

40 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 en 15 januari 2016 en 18 februari 2016, p. 13.

41 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 18.

42 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 21.

43 Kennisbijlage dr. Jolen d.d. 29 januari 2015, p. 12-13 (ZD 02, p 2-173 en p. 2-174).

44 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 en 15 januari 2016 en 18 februari 2016, p. 5.

45 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 9.

46 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-340.

47 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 14 en 15 januari 2016 en 18 februari 2016, p. 7 en 8.

48 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-171.

49 ZD C01, proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al Nusra, p. 1-379.

50 ZD C01, Proces-verbaal, p. 45/48 genummerd onderaan en ZD C01, uitwerking OVC, p. 1-213.

51 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-33 en p. 1-34 (met bijlagen 7 t/m 9 op p. 1-44 t/m p. 1-46).

52 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-206. ZD C01, Proces-verbaal, p. 38/48 en 39/48, onderaan genummerd.

53 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-89 en ZD C01, Proces-verbaal, p. 39/48, onderaan genummerd.

54 ZD C01, proces-verbaal van bevindingen, p. 1-33, en bijlage 6, p. 1-43.

55 ZD B03, Proces-verbaal van aanhouding, p. 6-9.

56 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 23 en 24.

57 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-154 en p. 1-155

58 Ook geschreven als tazkiyya. Zie D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, Bestemming Syrië, Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië, p. 49 en p. 80.

59 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-162 en p. 1-163.

60 ZD C02, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-110.

61 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-166.

62 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-160 en p. 1-161.

63 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 24.

64 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang O206.03.01.001), p. 152 en p. 1-179.

65 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (i.h.b. bijlage 13), p. 1-236 en p. 1-250.

66 Dit Verdrag is op 9 december 1999 gesloten te New York. Zie Trb. 2000, 12 (rectificatie in Trb. 2001, 62 samen met Trb. 2002, 110).

67 Trb. 2002, 110.

68 Kamerstukken II 2001-2002, 28 031, nr. 3, p. 2-4.

69 Kamerstukken II 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 2-3.

70 FATF Standards, FATF IX Special Recommendations, October 2001 (incorporating all subsequent amendments until February 2008. Zie http://www.fatfgafi.org/media/fatf/documents/reports/ FATF%20Standards %20-%20IX%20Special%20Recommendations%20and%20IN%20rc.pdf.

71 Zie The FATF Recommendations, International standards on combating money laundering and the financing of terrorism & proliferation, February 2012, updated 2016, p. 13 voor Aanbeveling 5 inzake het strafbare feit van terrorisme-financiering: 5. ‘Countries should criminalise terrorist financing on the basis of the Terrorist Financing Convention, and should criminalise not only the financing of terrorist acts but also the financing of terrorist organisations and individual terrorists even in the absence of a link to a specific terrorist act or acts. Countries should ensure that such offences are designated as money laundering predicate offences.’ Op p. 4 is de omzettingstabel van de nummering van de aanbevelingen opgenomen. Zie: http://www.fatf-gafi.org/media/fatf/documents/recommendations/pdfs/FATF_Recommendations.pdf.

72 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3.

73 Financial Action Task Force, Mutual Evaluation Report, Anti-Money Laundering and Combating the Financing of Terrorism, The Netherlands, 25 February 2011, p. 66.

74 Brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 4 maart 2011, kenmerk: FM/2011/6465 M betreffende Verslag plenaire vergadering FATF februari 2011. In die zin ook Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 1.

75 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 6, p. 3.

76 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6.

77 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

78 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6. Zie ook: Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

79 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

80 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6, p. 6.

81 The FATF Recommendations, International standards on combating money laundering and the financing of terrorism & proliferation, February 2012, updated 2016, p. 37.

82 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 5.

83 Kamerstukken II, 2012–2013, 33 478, nr. 6 p. 3-4.

84 Wet terroristische misdrijven van 24 juni 2004, Stb. 290 (i.w.tr. op 10 augustus 2004), gewijzigd bij Wet van 20 november 2006, Stb. 580 (inwerkingtreding op 1 februari 2007) en laatstelijk gewijzigd bij Wet van 10 juli 2013, Stb. 292 (inwerkingtreding op 1 september 2013).

85 Kaderbesluit van 13 juni 2002, 2002/475/JBZ. Zie Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

86 Stb. 2009, 245.

87 Trb. 2006, 34. Zie Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

88 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

89 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 6.

90 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 7. De Interpretative note is als bijlage bij dit Kamerstuk gevoegd.

91 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3.

92 Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3-4.

93 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 24-25.

94 ZD C02, Proces-verbaal, p. 10/41 genummerd onderaan; ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (Bevindingen onderzoek beslag Samsung Glaxy TO206.03.01.002), p. 1-281 t/m p. 1-283; ZD C01,Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-152 en p. 1-153.

95 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 8.

96 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 9.

97 ZD C1, Proces-verbaal (Bevindingen onderzoek beslag Samsung Galaxy TO206.03.01.002), p. 1-281, 1-299 en p. 1-300.

98 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-123-124 en p. 1-133 (gesprek 2); ZD C01, Proces-verbaal, p. 13/48 genummerd onderaan.

99 ZD C01, Proces-verbaal, p. 13/48, genummerd onderaan.

100 ZD C02, Proces-verbaal van bevindingen, p. 2-26 en p. 2-29 waarin de verdachte een kennis via een WhatsApp-gesprek op de hoogte brengt van het overlijden van [betrokkene 6].

101 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 26.

102 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-133.

103 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 26.

104 ZD C02, Proces-verbaal van bevindingen, p. 2-9 en p. 2-10 en p. 2-36 en p. 2-37 (gesprek 4).

105 ZD C02, Proces-verbaal van bevindingen, p. p. 2 63 en p. 2-64 en ZD C02, Proces-verbaal, gesprek van 15-6-2014 15:30 ‘Ik kan nog via jou pasje aantal dingen halen’ zegt de verdachte tegen [betrokkene 6], 27/41 genummerd onderaan.

106 D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, Bestemming Syrië, Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië, p. 90.

107 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 38.

108 D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, Bestemming Syrië, Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië, o.a. p. 24.

109 ZD C01, Proces-verbaal, p. 31/48 genummerd onderaan.

110 ZD C02, Proces-verbaal, p. 13/41 genummerd onderaan.

111 In straattaal staat ‘doezoe’ voor duizend.

112 ZD C02, Proces-verbaal, p. 14/41 genummerd onderaan.

113 ZD C02, Proces-verbaal, p. 14/41 genummerd onderaan.

114 ZD C02, Proces-verbaal, p. 16/41 genummerd onderaan.

115 ZD C02, Proces-verbaal, p. 23/41 en ZD C02, proces-verbaal, p. 24/41.

116 Zie D. Weggemans, R. Peters en E. Bakker, Bestemming Syrië, Een exploratieve studie naar de leefsituatie van de Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië, p. 53 en 88.

117 ZD C02, Proces-verbaal, p. 12/41 en ZD C02, proces-verbaal, p. 13/41, genummerd onderaan.

118 ZD C01, Proces-verbaal (Bevindingen onderzoek beslag Samsung Galaxy TO206.03.01.002), p. 1-282 en p. 1-283.

119 ZD C01, Proces-verbaal (Bevindingen onderzoek beslag Samsung Galaxy TO206.03.01.002), p. 1-283 en p. 1-284.

120 ZD C01, Proces-verbaal (Bevindingen onderzoek beslag Samsung Galaxy TO206.03.01.002), p. 1-284.

121 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 25.

122 ZD 03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-31, i.h.b. chatgesprek van 28 oktober 2014 10:50 waarin [medeverdachte 2] refereert aan de stad [stad] waar [betrokkene 9] op school zat. ZD 03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-29 i.h.b. chatgesprek van 27 september 2014 18:27 (2 maal) waarin [medeverdachte 2] zegt tegen [betrokkene 9]: ‘ik loop op oude plekken waar we liepen’ en ‘jou oude huisje’.

123 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 9.

124 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 25.

125 ZD C03, Proces-verbaal, p. 12/24-13/24 nummering onderaan, i.h.b. het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] op 18 september 2014 om 23:39-23:42 en ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-27.

126 ZD C03, Proces-verbaal, p. 15/24, onderaan genummerd; ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-103 t/m p. 3-128.

127 ZD C02, Proces-verbaal, p. 20/41 en p. 21/41 onderaan genummerd.

128 ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-23. Het hof verwijst naar de eerder in deze paragraaf gemaakte opmerking over de term ‘ribaat’.

129 ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-23.

130 Het hof gaat ervan uit dat [naam 1] en [naam 1 andere schrijfwijze] dezelfde persoon ([betrokkene 9]) is.

131 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: “In onze gesprekken betekent Dawla de Islamitische Staat, IS dus”. Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 9.

132 ZD C03 aanvulling, Proces-verbaal, p. 15/24 en p. 16/24 onderaan genummerd.

133 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 8.

134 ZD C02, Proces-verbaal, 12/41 onderaan genummerd.

135 Gesprek via Facebook d.d. 8 oktober 2014, ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-159 en ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-187.

136 ZD C01,Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-156.

137 ZD C01, 36/48 genummerd onderaan. Zie ook op die pagina: ‘Floes’ (fonetisch) is ook het Arabische woord voor geld.

138 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-156.

139 ZD C01,Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-156.

140 ZD C01,Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-157.

141 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-167.

142 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-168.

143 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-168.

144 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-177.

145 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-192 en p. 1-193.

146 HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413.

147 Zie Gerechtshof Den Haag, 8 maart 2016, ECL:NL:GHDHA:2016:586 onder verwijzing naar HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415.

148 HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003, 64, r.o. 3.3.

149 Zie voorts ook het daar vermelde Proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: Jabhat al-Nusra. ZD-C2, p. 2-152 t/m 2-211.

150 ZD C02, Proces-verbaal, p. 25/41 en p. 26/41 genummerd onderaan.

151 ZD C02, Proces-verbaal, p. 23/41 genummerd onderaan.

152 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-154.

153 ZD C01, Proces-verbaal, p. 24/48 genummerd onderaan.

154 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 20.

155 ZD C01, Proces-verbaal, p. 23/48 genummerd onderaan.

156 ZD C01, Proces-verbaal, p. 37/48 genummerd onderaan; ZD C01, Proces-verbaal (Bevindingen onderzoek beslag Wolfgang TO206.03.01.001), p. 1-171.

157 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 21.

158 ZD CO1, Proces-verbaal, p. 23/48 en p. 24/48 genummerd onderaan.

159 ZD C01, Proces-verbaal, p. 25/48 genummerd onderaan.

160 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari, p. 9.

161 ZD C01, Proces-verbaal, p. 13/48 (gesprek van 1 februari 2014 en 20 maart 2014) genummerd onderaan; ZD C01, Proces-verbaal, 34/48 (gesprek van 29 september 2014) genummerd onderaan.

162 ZD C01, Proces-verbaal (bevindingen onderzoek beslag Samsung Galaxy TO206.03.01.002), p. 2-56 en p. 2-57.

163 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 7 en 9.

164 ZD C01, Proces-verbaal, p. 41/48 genummerd onderaan.

165 ZD C01, Proces-verbaal, p. 9/48 genummerd onderaan.

166 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari en 7 februari 2017, p. 8. Zie ook ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-53 en ZD 02, Proces-verbaal van bevindingen, p. 2-17 (gesprek tussen [betrokkene 3] en de verdachte van 5 januari 2014).

167 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 4) p. 1-241; ZD C03, Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], p. 3-285.

168 ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 18), p. 3-219; ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen, p 3-254.

169 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 6 en 7), p. 1-243, p. 1-244.

170 ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 28), p. 3-229.

171 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (bijlagen 8 en 9), p. 1-245 en p. 1-246.

172 ZD C03, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 32), p. 3-233 en p. 3-235; ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 11), p. 1-248.

173 ZD C03, Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], p. 3-285.

174 ZD C01, Proces-verbaal van bevindingen (bijlage 12), p. 1-249.