Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2811

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
03-10-2017
Zaaknummer
BK-17/00337
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:534, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof neemt in aanmerking dat de beschikbare gegevens uitwijzen dat het belanghebbende is die de auto, die ontegenzeggelijk als nieuw - er is sprake van een personenauto (met een tellerstand van 225, 245, 280 dan wel 342 kilometer) die na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt, in goede staat verkeert en geen sporen van gebruik of beschadigingen vertoont - aan haar is geleverd, in termen van de BPM voor het eerst in gebruik heeft genomen en dat de auto in Nederland is geregistreerd op 6 november 2015, welke datum tevens heeft te gelden als datum van eerste toelating van de auto op de weg (HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-10-2017
FutD 2017-2503

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00337

Uitspraak van 22 september 2017

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 januari 2017, nr. SGR 16/6180.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk Cadillac CTS 2.0T aangifte voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) gedaan en op 28 oktober 2015 € 6.756 aan BPM voldaan.

1.2.

Met betrekking tot de auto heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de BPM van € 13.595 en bij beschikking een boete van € 1.358 opgelegd. Daarbij is bij beschikking € 34 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 334 is geheven.

1.5.

De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking alsmede de boetebeschikking vernietigd, de overige uitspraken op bezwaar in stand gelaten, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.482 en de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

1.6.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 501 is geheven.

1.7.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 september 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal gemaakt.

Feiten

Met inachtneming van de vaststelling door de rechtbank gaat het Hof uit van de volgende feiten:

2.1.

Belanghebbende heeft de auto van het bedrijf [A] te [B] gekocht en op 12 februari 2014 afgeleverd gekregen door dat bedrijf. De auto is een voormalige demonstratieauto. Bij de Dienst Wegverkeer (RDW) zijn geen gegevens bekend betreffende een eerste toelating of gereden kilometers van vóór de registratie op 6 november 2015.

2.2.

Met het uitgangspunt van een eerste toelating van de auto op 5 februari 2014 heeft belanghebbende bij de berekening van de BPM de bruto BPM (tarief 2014) in aanmerking genomen en met gebruikmaking van de koerslijstwaarde van Autotelex Pro de afschrijving berekend. Bij de bepaling van de BPM is belanghebbende voorts uitgegaan van de status van gebruikte personenauto in de zin van artikel 9, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992). Op grond van een taxatierapport van [C] is de BPM berekend op € 6.756.

2.3.

Aan de naheffingsaanslag ligt de opvatting ten grondslag dat sprake is van een nieuwe personenauto als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Wet BPM 1992.

2.4.

Ter zitting bij de rechtbank heeft belanghebbende verklaard zich aan te sluiten bij de door de Inspecteur genoemde datum van 6 november 2015 als eerste toelating van de auto. Voorts heeft belanghebbende toen verklaard dat hij niet langer het standpunt inneemt dat de auto schade heeft.

2.5.

Ten tijde van de registratie in Nederland heeft de auto een tellerstand van 225, 245, 280 dan wel 342 kilometer. De auto verkeert ten tijde van het doen van de aangifte in goede staat en vertoont geen benoemde sporen van gebruik of beschadigingen.

De rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Nieuw of gebruikt?

6. Voor de berekening van de verschuldigde Bpm maakt de Wet Bpm onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto’s (artikel 9, vijfde en zesde lid, van de Wet Bpm). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 januari 2016, nr. 14/01502, ECLI:NL:HR:2016:119 en HR 14 september 2012, nr. 12/00848, ECLI:NL:HR:2012:BX7199).

7. Gelet op de systematiek van de wet, waarbij de catalogusprijs als heffingsgrondslag de hoofdregel is en een vermindering van de aldus berekende BPM de uitzondering, rust op [belanghebbende] de bewijslast aannemelijk te maken dat op het tijdstip waarop de auto in Nederland is geregistreerd sprake was van een gebruikte auto. De rechtbank acht [belanghebbende] niet in voormelde bewijslast geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. In het rapport staat, voor zover hier van belang, het volgende:

'(. . .)

Afgelezen km stand 280

(. . .)

Algemene opmerking:

Het onderhavige voertuig is recentelijk geïmporteerd vanuit Nederland. Het betreft hier een demonstratie auto van de Cadillac CTS waar slechts 225 km is gereden. Deze auto kan niet als nieuw worden aangemerkt (…), om reden dat er diverse gebruikerssporen aanwezig zijn aan deze auto. Tevens betreft het hier een overjarig model voertuig.

Beschadigde delen: € 0,00 (…)'

In het aangifteformulier Bpm is bij tellerstand ingevuld: 342 km. Gelet op de hiervoor vermelde kilometerstanden en de omstandigheid dat, behoudens de algemene opmerking van diverse gebruikerssporen, in het rapport daaromtrent verder niets is vermeld acht de rechtbank sprake van een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Met [de Inspecteur] acht de rechtbank hierbij van belang dat van een toelating op de weg voor 6 november 2015 in Nederland of in enig ander land geen sprake is. Er is dus sprake van een nieuwe auto. Het gelijk is aan de zijde van [de Inspecteur].

Schenden verdedigingsbeginsel

8. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat zij niet is gehoord. Volgens [belanghebbende] had horen vóór het opleggen van de naheffingsaanslag tot een andere uitkomst kunnen leiden. Deze stelling wordt door de rechtbank aangemerkt als een beroep van [belanghebbende] op het unierechtelijke verdedigingsbeginsel.

9. De rechtbank is van oordeel dat het unierechtelijke verdedigingsbeginsel hier niet is geschonden. Het verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat [de Inspecteur] als geadresseerde van het besluit zijn opmerkingen kenbaar kan maken over het hem voordien kenbaar gemaakte voornemen van [de Inspecteur] (vergelijk Hoge Raad 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467). Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] daaraan voldaan door toezending van de vooraankondiging naheffingsaanslag BPM met dagtekening 23 december 2015 naar [belanghebbende] waarbij aan [belanghebbende] de gelegenheid is geboden om vóór 31 januari 2016 schriftelijk te reageren. Anders dan [belanghebbende] meent is er geen rechtsregel die [de Inspecteur] verplicht [belanghebbende] expliciet voor een gesprek – een mondeling onderhoud – uit te nodigen.

Verzuimboete

10. [ De Inspecteur] heeft op grond van artikel 67c van de Awr in samenhang met paragraaf 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) een verzuimboete opgelegd van 10% van de nageheven Bpm ofwel € 1.358. Voor het opleggen van een verzuimboete is geen opzet of grove schuld vereist. Wel behoort het opleggen van zo’n boete achterwege te blijven als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van avas. [Belanghebbende] heeft een derde, een taxateur, ingeschakeld voor het opstellen van het taxatierapport. De taxateur heeft onder meer de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald en aan de hand van die gegevens uit het taxatierapport heeft [belanghebbende] aangifte Bpm gedaan. Het taxatierapport is ook bij de aangifte overgelegd. In dat geval heeft naar het oordeel van de rechtbank [belanghebbende] erop mogen vertrouwen dat de bij aangifte afgedragen Bpm ook de verschuldigde Bpm was. [Belanghebbende] heeft in dat geval al het mogelijke gedaan om de verschuldigde Bpm bij aangifte te voldoen; zij heeft geen schuld dat uiteindelijk te weinig Bpm bij aangifte is voldaan. De verzuimboete moet worden vernietigd.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de boetebeschikking."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de naheffingsaanslag terecht en, zo dat het geval is, niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. In het bijzonder houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de auto voor de heffing van de BPM als een nieuwe personenauto is aan te merken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3.

Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat, als het Hof oordeelt dat sprake is van een gebruikte personenauto, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Beoordeling

5.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel met juistheid geoordeeld dat de in geding zijnde auto voor de heffing van BPM is aan te merken als een nieuwe personenauto.

5.2.

Het Hof neemt in aanmerking dat de beschikbare gegevens uitwijzen dat het belanghebbende is die de auto, die ontegenzeggelijk als nieuw - er is sprake van een personenauto (met een tellerstand van 225, 245, 280 dan wel 342 kilometer) die na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt, in goede staat verkeert en geen sporen van gebruik of beschadigingen vertoont - aan haar is geleverd, in termen van de BPM voor het eerst in gebruik heeft genomen en dat de auto in Nederland is geregistreerd op 6 november 2015, welke datum tevens heeft te gelden als datum van eerste toelating van de auto op de weg (HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78).

5.3.

De stelling van belanghebbende dat geen BPM kan worden nageheven nadat het feit ter zake waarvan de BPM is verschuldigd heeft plaatsgehad, faalt. De BPM ter zake van de registratie van een personenauto behoort op aangifte te worden voldaan. Alsdan gelden de bepalingen van Hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat de registratie ter zake waarvan aangifte is gedaan, eerst na de aangifte of de voldoening of beide plaatsheeft, maakt dat niet anders. Dat brengt mee dat, ingeval ter zake van een registratie van een personenauto in het kentekenregister te weinig BPM op aangifte is voldaan, de inspecteur de meer verschuldigde belasting kan naheffen.

5.4.

In geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd - ook de stellingen die raakvlakken vertonen met het Unierecht, waaronder vooral artikel 110 VWEU, en ook zijn gegrond op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - noch anderszins ziet het Hof een grond de naheffingsaanslag te verminderen of te vernietigen.

5.5.

Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Daarbij heeft het Hof ook overwogen dat het geen reden ziet aan te nemen dat de belastingrente, waartegen geen afzonderlijke grief is ingebracht, tot een onjuist bedrag is berekend.

Proceskosten

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier M.C.M. Boutier-Warmenhoven. De beslissing is op 22 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.