Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2793

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
02-10-2017
Zaaknummer
200.204.515/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Onder curatele gestelde heeft feitelijke verblijfplaats in Spanje. Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in het kader van een verzoek tot opheffing van de onder curatele stelling? Op basis van het Haags verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen is in beginsel de rechter van de feitelijke verblijfplaats van de onder curatele gestelde bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot opheffing van de onder curatele stelling. In casu heeft het hof rechtsmacht aangenomen op basis van artikel 9 van het verdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 6 september 2017

Zaaknummer : 200.204.515/01

Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 16-87363

Zaaknummer rechtbank : 5077709

[curator] ,

kantoor houdende te [vestigingsplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de curator,

advocaat mr. A.J.M. Knoef te Weesp.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] , Spanje,

hierna te noemen, de betrokkene.

Als informant is aangemerkt:

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de zwager van de betrokkene.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De curator is op 29 november 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 september 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de curator:

- op 23 december 2016 een brief van 22 december 2016 met bijlagen;

- op 11 juli 2017 een brief van 6 juli 2017 met bijlagen;

van de zijde van de betrokkene:

- op 3 februari 2017 een brief van 27 januari 2017, mede ondertekend door [naam] ;

- op 14 mei 2017, 31 mei 2017, 8 juni 2017 en 17 juni 2017 emails.

De zaak is op 13 juli 2017 mondeling behandeld, tezamen met het hoger beroep betreffende de ondercuratelestelling van [naam] , de echtgenoot van de betrokkene, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.204.517/01.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de curator, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de zwager van de betrokkene.

De betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij en met ingang van de datum van die beschikking is de ondercuratelestelling van de betrokkene opgeheven.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de opheffing van de ondercuratelestelling.

2. De curator verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de curatele op te heffen en het bewind uit te spreken over de goederen van de betrokkene, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren.

3. Blijkens de brief van de betrokkene die zij gezamenlijk met haar echtgenoot heeft ingediend, alsmede uit een aantal brieven die aan het hof zijn gestuurd, verzet de betrokkene zich tegen het verzoek van de curator.

4. De curator stelt dat de betrokkene zwakbegaafd is en dat sprake is van bijkomende psychiatrische problematiek, waardoor de grond waarop zij onder curatele is gesteld nog altijd aanwezig is. De betrokkene heeft een relatie met [naam] die ook onder curatele stond. Zij zijn naar Spanje verhuisd en leven allebei van een WAO-uitkering. De curator betwist dat hij niets doet. Hij zorgt er voor dat de betrokkene en haar partner leefgeld krijgen en dat de vaste lasten betaald worden. Aankopen waar geen geld voor is worden door hem teruggedraaid. De betrokkene krijgt steun van [naam] maar als zij wegvalt voorziet de curator weer problemen. Vast staat dat de betrokkene onvoorspelbaar is en niet altijd stabiel. Voorts staat vast dat de betrokkene en haar partner al eerder naar Spanje zijn verhuisd en berooid en zonder spullen zijn teruggekomen naar Nederland. Voorkomen moet worden dat dit nog een keer gebeurt. Ondanks een negatief advies van de zwager van de betrokkene en de curator heeft de betrokkene in Spanje een gehoorapparaat aangeschaft. Achteraf bleek dat de betrokkene in 2014 reeds twee hoortoestellen in Nederland heeft gekocht waar nog vijf jaar garantie op zat. Volgens de curator behoeft de betrokkene nog steeds vermogensrechtelijke bescherming. De curator meent dat de ondercuratelestelling opgeheven kan worden maar dat de betrokkene nog wel onder bewind moet blijven om te voorkomen dat het geld niet aan andere zaken op gaat.

Ter terechtzitting van het hof heeft de curator gesteld dat de ondercuratelestelling ten onrechte is opgeheven en dat de betrokkene absoluut bescherming nodig heeft, ook in de toekomst. Weliswaar heeft de curator onderbewindstelling met registratie verzocht in plaats van ondercuratelestelling vanwege het tarief dat de betrokkene aan hem verschuldigd is, maar de curator heeft ter terechtzitting medegedeeld niet te weten of een onderbewindstelling met registratie ook in Spanje voldoende bescherming biedt, noch hoe de Spaanse rechter daarmee om zal gaan. De curator erkent dat de curatele zoals die in Nederland geldt ook in Spanje in ieder geval de meest vergaande bescherming biedt. Indien het hof de bestreden beschikking vernietigt en de ondercuratelestelling handhaaft is de curator bereid om voor zijn diensten het tarief van een onderbewindstelling te hanteren.

5. De zwager van de betrokkene stelt dat hij maandelijks rekeningafschriften van de betrokkene en zijn broer ontvangt en heeft de wetenschap dat zij momenteel geen schulden opbouwen. De zwager van de betrokkene heeft telefonisch contact met de betrokkene en zijn broer. Het gaat momenteel goed met hen maar zij hebben op dit moment geen hulp bij hun financiën in Spanje zodat er geen contactpersoon meer is als het fout gaat. Ook de zwager van de betrokkene erkent dat de betrokkene en zijn broer hulp nodig hebben, zodat de ondercuratelestelling gehandhaafd moet blijven dan wel dat een onderbewindstelling wordt uitgesproken.

Rechtsmacht

6. Zoals ter terechtzitting van het hof is besproken dient, gelet op het internationale karakter van de zaak, allereerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te worden beoordeeld.

6.1

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter in verzoekschriftprocedures rechtsmacht indien de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, één van hen, dan wel één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Naar het oordeel van het hof kleven in deze zaak evenwel bezwaren aan het zonder meer aannemen van rechtsmacht op grond van de woonplaats van slechts één belanghebbende, te weten de curator, terwijl de betrokkene en haar echtgenoot, [naam] , zelf in Spanje verblijven en de bescherming daar geboden moet worden.

6.2

Vaststaat dat de betrokkene en haar echtgenoot hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben, daar al eerder langdurig hebben verbleven en niet de intentie hebben naar Nederland terug te keren.

6.3

Nu de betrokkene en [naam] hun gewone verblijfplaats in Spanje hebben, is naar het oordeel van het hof een onverkorte toepassing van artikel 3, aanhef en sub a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv., in de onderhavige zaak onwenselijk. In kwesties van volwassenenbescherming gaat het in de eerste plaats om de belangen van de te beschermen volwassene en niet om die van de verzoekende familieleden en/of andere belanghebbenden. In het Haags Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000 (Tractatenblad 2000, nr. 10) is als hoofdregel dan ook verankerd dat de gerechtelijke of administratieve autoriteiten van het land waar de betrokken volwassene zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen die strekken tot de bescherming van diens persoon of vermogen. Deze autoriteiten worden geacht het best in staat te zijn om in het belang van de betrokken volwassene beschermingsmaatregelen te nemen. Daarnaast kent artikel 9 van dit verdrag evenwel (ook) bevoegdheid toe aan de autoriteiten van het land waar vermogen van de betrokken volwassene is gelegen om ten aanzien van dat vermogen beschermende maatregelen te nemen voor zover deze maatregelen verenigbaar zijn met, kort gezegd, eerdere door de autoriteiten van het land van de gewone verblijfplaats van de betrokkene getroffen maatregelen.

6.4

Het hof zoekt aansluiting bij de internationale rechtsontwikkeling zoals vastgelegd in voornoemd Haags Volwassenenbeschermingsverdrag. Nederland heeft dit verdrag ondertekend. Dit verdrag is door Nederland nog niet geratificeerd, maar het verdrag is inmiddels wel door diverse andere Europese landen geratificeerd. Nu vast staat dat de betrokkene op een Nederlandse bank een WAO-uitkering ontvangt, vanuit Nederland haar vaste lasten worden betaald en de curator in Nederland voor haar de belastingaangifte doet, komt het aannemen van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet in strijd met deze internationale ontwikkeling en acht het hof geen reden aanwezig om de bevoegdheidsregeling van artikel 3, aanhef en sub a, Rv buiten toepassing te laten.

6.5

Aansluiting zoekend bij artikel 13 lid 1 Haags Volwassenenbeschermingsverdrag acht het hof het Nederlandse recht toepasselijk, zijnde het eigen recht van het bevoegde forum.

Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

7. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de ondercuratelestelling van de betrokkene gehandhaafd moet blijven. De curator heeft brieven van verschillende hulpverleners overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat bij de betrokkene sprake is van een verstandelijke beperking en bijkomende psychiatrische problematiek. Betrokkene is bij beschikking van 19 juli 2011 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. Gesteld noch gebleken is dat deze problematiek niet meer aanwezig is. Naar het oordeel van het hof zal er een uiterst zorgelijke situatie ontstaan indien de ondercuratelestelling van de betrokkene wordt opgeheven, aangezien (ook in het verleden) gebleken is dat de betrokkene haar eigen belangen als gevolg van een geestelijke toestand niet behoorlijk kan waarnemen indien zij geen hulp heeft. Ook de inhoud van de vele correspondentie die de betrokkene al dan niet samen met haar echtgenoot aan het hof heeft doen toekomen en de vele telefoongesprekken die met de medewerkers van de griffie zijn gevoerd zijn naar het oordeel van het hof zorgelijk te noemen. Zowel de curator als de zwager van de betrokkene hebben ter zitting van het hof bevestigd dat het beeld zorgelijk is. Het hof leidt daaruit af dat beiden vinden dat de betrokkene bescherming nodig heeft. Voor het hof is vast komen te staan dat de curator er voor zorgt dat in Spanje de huur, de kosten van telefoon, satelliet tv, auto en de zorgverzekering voor de betrokkene worden betaald en dat de betrokkene leefgeld krijgt. Bovendien verzorgt de curator de jaarlijkse belastingaangifte voor de betrokkene en zorgt hij er voor dat niet verantwoorde aankopen van de betrokkene ongedaan worden gemaakt, zodat vast staat dat de curator nog steeds veel werkzaamheden verricht. Ter terechtzitting van het hof heeft de curator medegedeeld dat zijn verzoek tot opheffing van de curatele en in plaats daarvan het bewind uit te spreken over de goederen van de betrokkene uitsluitend was ingegeven uit financiële overwegingen. De curator heeft zich bereid verklaard om bij handhaving van de ondercuratelestelling het tarief van onderbewindstelling te rekenen. Er zijn naar het oordeel van het hof dan ook geen gegronde redenen aangevoerd om te oordelen dat met een minder vergaande bescherming kan worden volstaan, te meer nu niet bekend is hoe de Spaanse rechter met een minder vergaande bescherming om zal gaan. Nu de grond voor een ondercuratelestelling naar het oordeel van het hof nog altijd aanwezig is, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek tot opheffing van de ondercuratelestelling alsnog afwijzen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de betrokkene tot opheffing van de ondercuratelestelling alsnog af;

bepaalt dat deze uitspraak tot ondercuratelestelling, binnen tien dagen nadat deze ten uitvoer kan worden gelegd, op de voet van artikel 1:390 BW door de griffier bekend wordt gemaakt in de Staatscourant;

draagt de griffier op om op de voet van artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de rechtbank Den Haag, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en J.M. van Baardewijk, leden, bijgestaan door A.J. Suderée als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2017.