Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2785

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
200.204.176/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De 'doorbrekingsjurisprudentie' geldt echter niet voor het hoger beroep tegen een tussenbeschikking. Hiervoor geldt dat hoger beroep slechts mogelijk is tegelijk met het hoger beroep tegen de eindbeschikking, tenzij rechterlijk verlof is verleend. Het stellen van een doorbrekingsgrond maakt een tussenuitspraak dus niet vatbaar voor hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 juli 2017

Zaaknummer : 200.204.176/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-2987

Zaaknummer rechtbank : C/10/474262

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 25 november 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 augustus 2016 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 16 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 14 december 2016 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 december 2016 een faxbericht van diezelfde datum zonder bijlage, op 28 december 2016 ingekomen als brief met bijlagen;

- op 3 februari 2017 een brief van 1 februari 2017 met bijbehorend V-formulier met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 12 juni 2017 een brief van 9 juni 2017 (kennelijk abusievelijk gedateerd op 9 juni 2016) met bijlagen.

De griffier heeft partijen enkele dagen voor de zitting bericht dat het hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zal stellen.

De zaak is op 23 juni 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [naam] , tolk in de Spaanse taal.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 23 juli 2015 van de rechtbank Rotterdam en de bestreden beschikking.

Bij voornoemde tussenbeschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en verder – voor zover in hoger beroep van belang – de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarige en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden. Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld de rechtbank vóór 1 oktober 2015 respectievelijk 1 november 2015 te berichten over de resultaten van de mediation ten aanzien van de zorgregeling en van hun overleg ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door partijen getroffen zorgregeling als neergelegd in de door partijen op 1 oktober 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst, opgenomen. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bepaald dat de behandeling van de zaak, meer in het bijzonder de beslissing van de verdeling van het bedrijf van de man “ [bedrijf] ”, wordt aangehouden tot 1 november 2016 pro forma, met het verzoek aan de advocaten van partijen om uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten omtrent:

  • -

    de vraag of door de rechtbank voor de waardering van het bedrijf van de man drie deskundigen moeten worden benoemd, dan wel of kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige;

  • -

    een gezamenlijke voordracht van de tot deskundige(n) te benoemen perso(o)n(en), dan wel – indien een gezamenlijke opdracht niet mogelijk blijkt te zijn – van iedere partij een opgave van namen van drie personen, die volgens ieder van partijen door de rechtbank tot deskundige kunnen worden benoemd;

  • -

    de aan de te benoemen deskundige(n) ter beantwoording voor te leggen onderzoeksvragen;

  • -

    de wijze waarop volgens ieders cliënt ten aanzien van de verdeling moet worden voort geprocedeerd.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man tot uiterlijk 1 november 2016 de gelegenheid krijgt om te voldoen aan hetgeen in de bestreden beschikking bij de onderdelen “De bankrekening bij de ING bank op naam van de man met rekeningnummer [rekeningnummer] ” en “De tandartskosten” is overwogen. Alle overige beslissingen zijn aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de eindbeslissing van de rechtbank ten aanzien van de rekening in [locatie] op naam van de vrouw, rekeningnummer [rekeningnummer] .

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen / aan te vullen, en opnieuw beschikkende te bepalen:

primair: dat het gehele bedrag van 3.250,00 miljoen peso, althans de tegenwaarde in euro’s, althans € 75.000,00 aan de man wordt toegescheiden, althans dat voormeld bedrag door de vrouw aan de man wordt betaald;

subsidiair: dat het bedrag van 3.250,00 miljoen peso, omgerekend naar € 75.000,-, bij helfte met de man gedeeld wordt;

meer subsidiair: dat de vrouw afschriften overlegt van de verzochte rekeningen en perioden zoals in het beroepschrift omschreven, dat zij leesbare kopieën van haar stukken overlegt in het Nederlands, zodat tot een redelijke verdeling bij helfte tussen partijen gekomen kan worden;

althans enige verdeling die het hof juist acht. Met compensatie van de kosten.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het verzoek van de man in hoger beroep af te wijzen.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

4. Het hof stelt het volgende voorop. In de bestreden beschikking is door een uitdrukkelijke beslissing in het dictum een einde gemaakt aan het geding voor wat betreft de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige, door opname van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst waarin de afspraken over de zorgregeling zijn opgenomen. In zoverre is sprake van een einduitspraak. Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is echter bepaald dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden. In zoverre is sprake van een tussenuitspraak. De omstandigheid dat in de overwegingen van de rechtbank, waarin de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap afzonderlijk worden besproken, eindbeslissingen zijn opgenomen, leidt niet tot het oordeel dat de beschikking voor wat betreft de verdeling als einduitspraak heeft te gelden. Er is immers in het dictum van de bestreden beschikking nog niet over de verdeling beslist. De bestreden beschikking blijft voor wat betreft dat deel dan ook een tussenuitspraak.

5. Het hoger beroep van de man richt zich uitsluitend tegen het tussenuitspraakdeel van de bestreden beschikking, namelijk tegen de – niet in het dictum van de bestreden beschikking opgenomen – (bindende) eindbeslissing over de verdeling van de op naam van de vrouw staande rekening in [locatie] met nummer [rekeningnummer] .

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, nu de rechtbank niet anders heeft bepaald. Daaraan kan niet afdoen het beroep van de man op het ten onrechte buiten toepassing laten van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW, omdat de vrouw de opbrengst van de verkoop van de woning uit haar eerste huwelijk zou hebben verzwegen, of het buiten toepassing laten van een essentiële vorm, door schending van artikel 1:83 BW. De vrouw had goed leesbare stukken in het geding moeten brengen en inlichtingen moeten verschaffen, aldus de man. Het stellen van dergelijke doorbrekingsgronden – wat daar ook van zij - maakt een tussenuitspraak immers niet vatbaar voor tussentijds hoger beroep (vgl. HR 8 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3664, NJ 2009, 223).

7. Dit brengt mee dat de man niet in zijn beroep kan worden ontvangen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, I. Obbink-Reijngoud en R.M. Troost, bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2017.