Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2727

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
200.194.835/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nederlandse rechter bevoegd? Incoterm CPT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.194.835/01

Rolnummer rechtbank : C/09/502823/HA ZA 16-23

arrest van 3 oktober 2017

in de zaak van

Rhoonse Recycling & Service B.V.,

gevestigd te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

appellante,

hierna te noemen: RRS,

advocaat: mr. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel,

tegen

BSS Heavy Machinery GMBH,

gevestigd te Finowfurt, gemeente Schorfheide, Bondsrepubliek Duitsland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BSS,

advocaat: mr. M.P.J. Kik te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 29 juni 2016 is RSS in hoger beroep gekomen tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3307). Bij memorie van grieven heeft RSS twee grieven aangevoerd die door BSS bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. RSS heeft arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank in r.o. 2.1 tot en met 2.4 van het vonnis vermelde feiten. Onderhavige zaak betreft een incidentele vordering. Daarbij gaat het om het volgende.

1.1

De hoofdzaak heeft betrekking op een geschil tussen partijen over de in augustus 2014 door RRS van BSS gekochte rupsgraafmachine. RRS vordert schadevergoeding op grond van wanprestatie onder de koopovereenkomst.

1.2

Dit geschil heeft RRS aanvankelijk voorgelegd aan de rechtbank Rotterdam. Deze rechtbank heeft zich bij vonnis in incident van 15 juli 2015 onbevoegd verklaard om van de vorderingen van RRS kennis te nemen. Hierna heeft RRS het geschil voorgelegd aan de rechtbank Den Haag.

1.3

BSS heeft in het incident in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van RRS kennis te nemen.

1.4

Hieraan heeft BSS, samengevat, de volgende stellingen ten grondslag gelegd. Tot de koopovereenkomst, die tot stand is gekomen op 5 augustus 2014, behoren de algemene voorwaarden van BSS met de daarin opgenomen forumkeuze voor de rechter in Eberswalde, Duitsland, zodat de Nederlandse rechter onbevoegd is. Ook indien deze forumkeuze niet is overeengekomen, is de rechtbank onbevoegd aangezien BSS geen woonplaats heeft in Nederland en partijen in de koopovereenkomst levering zijn overeengekomen onder de Incoterm “CPT” (dit staat voor: carriage paid to), wat betekent dat de levering plaatsvindt doordat de verkoper het verkochte aan de vervoerder afgeeft, in dit geval te Finowfurt, Duitsland. Daarom is op grond van artikel 7 lid 1 onder b, eerste streepje, van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: EEX-II Vo) niet de Nederlandse, maar de Duitse rechter exclusief bevoegd.

1.5

De rechtbank heeft – in de kern samengevat – geoordeeld dat uit het overeenkomen van de Incoterm CPT volgt dat op grond van art. 7 aanhef en lid 1 onder b, eerste streepje EEX-II Vo de rechter te Duitsland exclusief bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaard om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen en RSS in de proceskosten veroordeeld.

2. In hoger beroep vordert RRS vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende BSS in haar incidentele vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering af te wijzen, en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Den Haag om te beslissen in de hoofdzaak, een en ander met veroordeling van BSS in de proceskosten van beide instanties.

3. Met de twee grieven komt RRS op tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechter te Duitsland exclusief bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De rechtbank heeft ter zake van de exclusieve bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en lid 1 onder b, eerste streepje EEX-II Vo als volgt overwogen en geoordeeld:

“3.17. Bij de toepassing van deze bepaling is van belang de uitleg van de voorganger van deze bepaling, artikel 5 sub 1 EEX Vo, gegeven in de arresten van het Hof van Justitie EU in de zaken Electrosteel (HvJ EU 9 juni 2011, zaak C-87/10, ECLI:EU:C:2011:375) en Car Trim (HvJ EU 25 februari 2010, zaak C-381/08, ECLI:EU:C:2010:90). Samengevat komt deze uitleg erop neer dat bij een verzendingskoop - de koop waarbij de overeenkomst ook het vervoer van de verkochte goederen omvat - de ‘plaats waar de goederen volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden’ op basis van de bepalingen van de overeenkomst moet worden bepaald. Daartoe moet de rechter alle relevante voorwaarden en clausules van de overeenkomst op basis waarvan deze plaats duidelijk kan worden aangewezen in beschouwing nemen. Dit omvat de voorwaarden en clausules die algemeen erkend en in de internationale handel gebruikelijk zijn, zoals de door de Internationale Kamer van Koophandel uitgewerkte en gepubliceerde Incoterms, indien zij van dien aard zijn dat deze plaats op basis ervan duidelijk kan worden bepaald. Indien de overeenkomst zulke voorwaarden en clausules bevat kan het noodzakelijk blijken te onderzoeken of deze voorwaarden uitsluitend zien op de verdeling van het transportrisico of van de kosten dan wel of zij ook de plaats van levering van de verkochte goederen vastleggen.

Indien de plaats van levering niet kan worden bepaald op grond van de bepalingen van de overeenkomst zonder het op de overeenkomst toepasselijke materiële recht toe te passen, is deze plaats de plaats van de materiële overdracht van de goederen waarmee de koper op de eindbestemming van de verkooptransactie de feitelijke macht om over deze goederen te beschikken heeft verkregen of had moeten verkrijgen.

3.18

Partijen zijn het er in zoverre over eens dat zij de Incoterm CPT zijn overeengekomen, zoals vermeld in de hiervoor bedoelde opdrachtbevestiging, waarvan RRS op zichzelf niet heeft betwist dat daarin de afspraken tussen partijen zijn vastgelegd. Anders dan BSS merkt RRS het beding echter niet aan als

een leveringsbeding maar uitsluitend als een kostenbeding, inhoudende dat de verkoper een vervoerder regelt en betaalt, welke vervoerder de goederen vervolgens op de afgesproken plaats van bestemming aflevert.

3.19

In de hiervoor bedoelde opdrachtbevestiging is voor zover thans van belang het volgende bepaald:

“Preisstellung ab Werk : CPT Rotterdamm

Lieferzeit : ca. 2 Wochen, Lieferung erfolgt nach vollständiger Zahlung”

De bij de opdrachtbevestiging behorende factuur van 30 juli 2014 houdt onder meer het volgende in:

“Lieferbedingung:

CPT Rotterdam”

Er zijn geen andere bepalingen gesteld of gebleken die relevant kunnen zijn voor de bepaling van de plaats van levering. Wat betreft de Incoterm CPT stelt de rechtbank vast dat deze clausule niet alleen de bepalingen van de punten A5 en B5 met als opschrift “Transfer of risks” inzake de risico-overdracht en die van de punten A6 en B6 met als opschrift “Divisions of costs” inzake de kostenverdeling bevat, maar tevens, afzonderlijk, de bepalingen van de punten A4 en B4 met als opschrift “Delivery”

respectievelijk “Taking Delivery”, die als volgt luiden:

“A4.Delivery

The seller must deliver the goods to the carrier contracted in accordance with A3 or, if there are subsequent carriers to the first carrier, for the transport to the agreed point at the named place on the date or within the agreed period.

B4.Taking delivery

The buyer must accept delivery of the goods when they have been delivered in accordance with A4 and receive them from the carrier at the named place.”

In deze punten A4 en B4 is bepaald dat de verkoper de goederen levert aan een door hem in te schakelen vervoerder en dat deze vervoerder zorg draagt voor het vervoer van deze goederen naar de bestemming die is overeengekomen met de koper. Uit het voorgaande volgt dat CPT niet uitsluitend een kosten- en risicobeding omvat, maar tevens een leveringsbeding, waarbij de levering dus plaats vindt waar de goederen ter vervoer worden overhandigd, in dit geval te Finowfurt. Uit de vermelding

van Rotterdam na de term CPT maakt de rechtbank op dat als plaats van bestemming Rotterdam is overeengekomen.

De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat niet gesteld of gebleken is dat RRS niet bekend is met de betekenis van de Incoterms. Daarom brengt de enkele omstandigheid dat het beding is opgenomen na de vermelding “Preisstellung ab Werk” niet mee dat partijen, in afwijking van de punten A4 en B4, uitsluitend een kostenbeding zijn overeengekomen.

3.20

Nu de goederen volgens de overeenkomst werden of hadden moeten worden geleverd te Finowfurt, Duitsland, is op grond van artikel 7 aanhef en lid 1 EEX-II Vo de rechter te Duitsland bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. […]”

5. RRS stelt dat de rechtbank ten onrechte bepalende betekenis toekent aan de factuur boven de opdrachtbevestiging en de CMR-vrachtbrieven. In de opdrachtbevestiging van 5 augustus 2014 staat CPT Rotterdam niet als Lieferbedingung maar als Preisstellung vermeld. Dat laatste ziet op een kostenbeding. In het kader van een kostenbeding doen de afzonderlijke bepalingen A5, B5, A6, B6, A4 en B4 van de Incoterms niet ter zake. De clausule CPT is door partijen zonder enige context in de opdrachtbevestiging opgenomen en ook zonder context bedoeld. Uit de bepalingen behorende bij de Incoterm CPT zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de aanname dat partijen door enkel het gebruik van die Incoterm een bepaalde plaats van levering overeen wilde komen. Uit het Car Trim-arrest (HvJ EU 25 februari 2010, C-381/08) volgt daarom dat de plaats van levering is de plaats waar de fysieke overdracht van de zaak aan de ontvanger plaatsvindt en dat is Waddinxveen. Dat staat ook op de vrachtbrieven, nu daarop als Auslieferungsort, wat plaats van levering betekent, Waddinxveen is vermeld. De rechter te Nederland is dus bevoegd, aldus nog steeds RRS.

6. Deze grieven falen. Het hof verenigt zich met het geciteerde oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust. Wat met de grieven wordt aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, om de volgende redenen.

6.1

RRS stelt dat de clausule CPT “zonder context” is bedoeld en in de opdrachtbevestiging is opgenomen. Voor zover daarmee wordt beoogd op te komen tegen het oordeel dat partijen de Incoterm CPT zijn overeengekomen, is dat onvoldoende onderbouwd. RRS stelt zelf dat de clausule CPT regelt dat de koper vanaf de overdracht van de zaken aan de transporteur het risico draagt, maar dat de verkoper het transport tot de definitieve bestemming moet organiseren en bekostigen (memorie van grieven sub 26). Deze regeling staat in de Incoterm CPT, wat RRS ook erkent (memorie van grieven sub 27).

6.2

Het is niet juist dat de rechtbank bepalende betekenis toekent aan de factuur boven de opdrachtbevestiging. Dat is in het vonnis niet te lezen. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op een juiste uitleg van de Incoterm CPT, namelijk dat deze “niet uitsluitend een kosten- en risicobeding omvat, maar tevens een leveringsbeding”. Voor zover RRS met een beroep op de aanduiding Preisstellung en het vermelden van Waddinxveen als feitelijke afleverplaats op de vrachtbrieven, beoogt te stellen dat partijen uitsluitend het kosten- en risicobeding van de Incoterm CPT zijn overeengekomen, is dat ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd.

7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en RRS zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De proceskostenveroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.

8. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen in hoger beroep nu deze onvoldoende concreet zijn dan wel niet ter zake dienend.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van
    30 maart 2016;

  • -

    veroordeelt RRS in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BSS tot op heden begroot op € 5.213,-- aan griffierecht en € 2.632,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, M.J. van Cleef-Metsaars en L. Reurich en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.