Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2717

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
22-003833-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het gemeten promillage was zeer hoog.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003833-16

Parketnummer: 96-078432-16

Datum uitspraak: 8 september 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op

[geboortejaar] 1954,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 25 augustus 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 april 2016 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,82 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, waarvan zes maanden voorwaarde-lijk met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 4 april 2016 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,82 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat door het ontbreken van de identiteitszegel op het proces-verbaal, artikel 6 van de Regeling bloed- en urineonderzoek is geschonden en derhalve een strikte waarborg van het bloedonderzoek niet is nageleefd.

De uitslag van het bloedonderzoek dient om die reden te worden uitgesloten van het bewijs en de verdachte behoort te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tijdstip van de bloedafname in het proces-verbaal niet overeen-komt met het tijdstip vermeld in het aanvullend proces-verbaal en de processen-verbaal verschillen op het punt van degene die het bloedblok verpakt en verzegeld zou hebben. Ook hierom heeft het bloedonderzoek niet op de juiste wijze plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal d.d. 5 april 2016 blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte heeft gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een bloedonderzoek. Vervolgens werd op 4 april 2016 om 23.47 uur door een arts bloed afgenomen bij de verdachte en daarbij was verbalisant [verbalisant 2] aanwezig.

In het onderhavige geval gaat het erom, dat op het ten behoeve van de verdachte opgemaakte proces-verbaal niet een zegel, waarvan het nummer correspondeert met het zegel op de aanvraag van het bloedonderzoek (namelijk TAAN9658NL en TAAN9659NL) is geplakt, maar handgeschreven een daarvan iets afwijkend nummer, namelijk TAAN9657NL, is geschreven. Dit is niet conform hetgeen bepaald is in (het destijds geldende) artikel 6, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek.

De maatregelen die er op betrekking hebben dat het bloed, dat wordt onderzocht ook werkelijk het bloed is van deze verdachte, behoren tot het stelsel van strikte waarborgen rond het onderzoek naar het bloedalcoholgehalte.

Telkens wanneer inbreuk op zo’n maatregel de kans oplevert dat de identiteit van de verdachte en het opgestuurde bloed minder vaststaan dan wanneer de maatregel wel strikt was nageleefd, kan gezegd worden dat geen onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegen-verkeerswet 1994 heeft plaatsgehad.

Het hof heeft geconstateerd dat de ‘Aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed’ die zich in het dossier bevindt, onder meer de personalia van de verdachte vermeldt, en de datum (4 april 2016) en het tijdstip van de staandehouding (22:30). Op deze aanvraag, die ondertekend is door de arts en verbalisant [verbalisant 2], zijn twee identiteitszegels aangebracht, die blijkens het NFI rapport overeenstemmen met de zegelnummers van het door het NFI onderzochte bloedmonster.

Het hof heeft bovendien gelet op het aanvullend proces-verbaal d.d. 27 september 2016 van de verbalisant [verbalisant 2]. Hij relateert hierin, dat het zegel bestemd voor het proces-verbaal in het bloedblok was achtergebleven. De verbalisant heeft het bloedbloknummer vervolgens met pen op het proces-verbaal genoteerd.

Dat dit nummer één cijfer lager ligt dan het onderzochte bloedmonster is, zo relateert hij, te verklaren aan de hand van het bijgevoegde voorbeeldstickervel van het NFI. Hieruit blijkt dat de twee bloedmonsters (onderzoek en tegenonderzoek) opeenvolgende nummers hebben. In het onderhavige geval is TAAN9657NL het bloedbloknummer, TAAN9658NL het bloedmonster bedoeld voor analyse en TAAN9659NL het bloedmonster bedoeld voor tegenonderzoek. De laatste twee nummers worden genoemd in de uitslag van het NFI. Verbalisant heeft abusievelijk het nummer van het bloedblok opgeschreven in plaats van het nummer dat hoort bij de analyse, zo begrijpt het hof.

Uit het voorgaande volgt dat het bij de verdachte afgenomen bloed het bij het NFI ingeleverde en onderzochte bloed is. Er is geen vergissing mogelijk omtrent de herkomst van het bloed. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het niet strikt naleven van één van de waarborgen rond het onderzoek naar het bloedalcoholgehalte in dit geval zonder gevolg kan blijven.

Voorts heeft het hof vastgesteld dat de bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] met betrekking tot wie het bloedmonster heeft verpakt en verzegeld, niet onverenigbaar zijn met de bevindingen van de verbalisant [verbalisant 2].

Ten slotte is het hof van oordeel dat in het aanvullend proces-verbaal sprake is van een kennelijke schrijffout, nu daarin staat vermeld dat een arts op 4 april 2016 om 23.37 uur bloed heeft afgenomen, terwijl uit het oorspronkelijke proces-verbaal van de politie blijkt dat bij de verdachte om 23.47 uur bloed is afgenomen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde. Het gemeten promillage was zeer hoog. De verdachte heeft hiermee de verkeersveilig-heid ernstig in gevaar gebracht. Het hof heeft gelet op de bij dit alcoholpromillage volgens de zogenaamde oriëntatiepunten gebruikelijk op te leggen straf. Omdat de verdachte first offender is, en de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom een strafbaar feit te begaan, ziet het hof aanleiding onder meer een voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof zal, gelet op de ernst van het feit en genoemde oriëntatiepunten, een hogere onvoorwaardelijke rijontzegging opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. H.J.M. Smid-Verhage,

mr. L.C. van Walree en mr. J.J.H.M. van Gennip, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2017.

Mr. J.J.H.M. van Gennip is buiten staat dit arrest te ondertekenen.