Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2712

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
22-002465-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002465-17

Parketnummer: 09-818397-14

Datum uitspraak: 20 september 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 september 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1984,

ter terechtzitting opgegeven [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 september 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Voorts is het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk zou worden aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Namens de verdachte is op 30 september 2014 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 14 september 2015 het vonnis waarvan beroep bevestigd, onder aanvulling van de aangehaalde wetsartikelen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Namens de verdachte is op 21 september 2015 beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 30 mei 2017 het arrest van dit hof van 14 september 2015 vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof teneinde de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Leiden [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] achtervolgd en/of (daarbij) zijn, verdachtes, (stijve) penis in de hand vastgehouden.

2.
hij op of omstreeks 28 mei 2014 te Leiden [benadeelde partij 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Laat me los, kankerlijer, ik ben nog niet klaar met je. Jij komt nog wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard en dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt – kort en zakelijk weergegeven – dat de aangeefsters [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op 28 mei 2014 – afzonderlijk van elkaar – hun hond aan het uitlaten waren in het park Cronesteyn te Leiden. Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte een bosschage in het park inliep en dat hij met zijn hand over zijn broek zijn (zo te zien stijve) geslachtsdeel vast had. Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de verdachte haar passeerde op het moment dat zij het park inliep, en dat zij kort daarna zag dat de verdachte achter haar aanliep terwijl hij zijn hand ter hoogte van zijn stijve geslachtdeel hield. Beide aangeefsters hebben verklaard dat zij vervolgens - naar het hof begrijpt: steun zoekend bij elkaar - samen zijn opgelopen, en dat de verdachte enige tijd achter hen aan is blijven lopen, terwijl hij een erectie had en zijn geslachtsdeel met broek en al vast had.

Het hof overweegt dat uit de inhoud van het dossier voldoende naar voren komt dat de verdachte door zijn gedrag de beide aangeefsters behoorlijke schrik heeft aangejaagd en dat de aangeefsters de situatie als bedreigend hebben ervaren. Naar het oordeel van het hof kan uit het dossier echter niet worden afgeleid dat de dreiging voor de aangeefsters van dien aard is geweest en onder zodanige omstandigheden is geschied dat gezegd kan worden dat deze was gericht op de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de aangeefsters. Uit de gedragingen van verdachte – het zich in de nabije omgeving van de aangeefsters begeven terwijl hij zijn stijve geslachtsdeel over zijn broek heen vasthield – volgt een bedreiging van dien aard niet zonder meer. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat de dreiging was gericht op zware mishandeling dan wel op enig misdrijf tegen het leven gericht. Geen van beide aangeefsters heeft ook verklaard bang te zijn geweest dat de verdachte zich aan één van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven jegens hen schuldig zou maken.

De verdachte dient derhalve van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het dossier blijkt – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte op 28 mei 2014 naar aanleiding van de gebeurtenissen waarop het onder 1 ten laste gelegde ziet is aangehouden. In het proces-verbaal van aanhouding wordt vermeld dat er handboeien bij de verdachte werden aangelegd en dat hij in een politievoertuig werd geplaatst. Ondanks het feit dat hij geboeid was en een veiligheidsgordel om had bewoog hij zich hevig heen en weer en protesteerde schreeuwend tegen zijn aanhouding. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding nam de verdachte in het politievoertuig vervolgens een dreigende houding aan tegen verbalisant [benadeelde partij 3]. Zij had het idee dat hij haar elk moment een kopstoot kon geven. Het politievoertuig werd hierop stop gezet. Nadat haar collega de verdachte onder controle had gekregen, hoorden [benadeelde partij 3] en haar collega de verdachte zeggen: "Laat me los kankerlijer, ik ben nog niet klaar met je. Jij komt nog wel”. [benadeelde partij 3] voelde zich door deze woorden bedreigd. Zij stelde serieus het idee te hebben dat de verdachte deze bedreiging ten uitvoer zou brengen.

Naar het oordeel van het hof waren de ten laste gelegde woorden: "Laat me los kankerlijer, ik ben nog niet klaar met je. Jij komt nog wel” in de gegeven omstandigheden en mede gelet op de context waarin zij werden uitgesproken niet van dien aard dat bij [benadeelde partij 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij bij een volgende confrontatie met de verdachte daadwerkelijk zou worden mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De verdachte dient daarom eveneens van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk, mr. H. van den Heuvel en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. H. Hafti.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 september 2017.