Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2702

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
2200369016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met [slachtoffer], een meisje van destijds 7 jaar oud. Hij kende het meisje nog maar heel kort en heeft haar meegenomen naar een voor haar vreemde omgeving. Daar heeft hij haar geblinddoekt en vervolgens onder andere pindakaas en hagelslag van zijn penis af laten likken.

De destijds 56-jarige verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren, onder de in het arrest genoemde bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0784

Uitspraak

Rolnummer: 22-003690-16

Parketnummer: 09-808149-15

Datum uitspraak: 21 september 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 augustus 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 september 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 03 juli 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten door

- de arm(en) en/of vagina en/of be(e)n(en) van die [slachtoffer] te strelen en/of

- de wang, althans het gezicht van die [slachtoffer] te kussen en/of (vervolgens)

- ( een deel van) zijn penis in de mond van die [slachtoffer] te brengen/duwen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 03 juli 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het strelen van de arm(en) en/of de vagina en/of be(e)n(en) van die [slachtoffer] en/of

- de wang, althans het gezicht van die [slachtoffer] te kussen en/of

- het spelen van een spel met die [slachtoffer] waarbij zij (geblinddoekt) meermalen, althans een maal (een) produkt(en) van zijn, verdachtes, penis af moest likken, althans het door die [slachtoffer] laten likken van zijn, verdachtes, penis.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en dat voorts aan de verdachte een verbod zal worden opgelegd contact te zoeken of op te nemen met

[slachtoffer], [moeder van het slachtoffer] en [broer van het slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota - integrale vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat haar cliënt ontuchtige handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer zoals is tenlastegelegd.

Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende feitelijke gang van zaken vast. Op 3 juli 2015 waren [slachtoffer], haar moeder en haar broer op bezoek bij de verdachte in zijn stacaravan op een camping in [plaats]. De verdachte is rond 20.10 uur met [slachtoffer] in zijn auto van de camping vertrokken om voor iedereen eten te gaan halen. Hij is toen met [slachtoffer] naar zijn kantoorpand in Sassenheim gegaan, waar hij ongeveer een half uur met haar binnen is geweest. Bijna een uur na vertrek, om 21.02 uur, is hij gebeld door [moeder van het slachtoffer] met de vraag waar hij bleef. De verdachte is kort daarna met [slachtoffer] teruggekomen op de camping. Hij had toen diepvries lasagne van zijn kantoor bij zich.

De volgende dag heeft [slachtoffer] haar moeder na lang aandringen verteld wat er de vorige dag gebeurd was. Hierbij was [slachtoffer] zeer emotioneel. Ze zei dat ze heel bang was en ze begon te beven en heel hard te huilen. [Slachtoffer] heeft verteld dat ze met de verdachte naar een groot huis was gegaan. De verdachte heeft daar een spelletje met haar gespeeld, waarbij zij een blinddoek om moest. De blinddoek was een blauw-wit geblokte theedoek. De verdachte maakte iets voor haar klaar dat ze moest proeven door het ergens vanaf te likken. Hij liet haar vier keer proeven en ze herkende de smaken van pindakaas, hagelslag en suiker. Op de vraag van haar moeder waar ze het van af moest likken heeft [slachtoffer] geantwoord dat ze het niet goed kon beschrijven. Het voelde niet koud en niet warm. Het was niet glad of ruw maar een beetje er tussen in. Het vierde dat ze proefde was heel erg vies. Nadat ze dit laatste geproefd had, heeft [slachtoffer] haar blinddoek afgedaan. Verdachte was toen weg en ze zag licht branden in de keuken, daar is ze naar toe gelopen.

Ze zag toen dat de verdachte in de keuken bij de openstaande kraan stond en iets aan het schoonmaken was. Ze zag dat hij met zijn handen een kommetje water maakte en dat hij het “hier” schoonmaakte, waarbij ze op haar eigen kruis wees. Ze is daarna teruggelopen naar de stoel waarop zij daarvoor zat, waarna verdachte haar heeft aangeraakt en kusjes heeft gegeven. Bij de vriezer waar de lasagne uit was gehaald heeft de verdachte gezegd dat dit iets tussen hun tweeën was.

[Slachtoffer] is door de politie verhoord in een kindvriendelijke studio. In dit verhoor geeft ze aan dat er iets gebeurd is dat ze niet wil vertellen omdat het hartstikke eng is. Wanneer de politie doorvraagt zegt ze dat ze het aan mama en [broer van het slachtoffer] verteld heeft. Ze zegt verder dat mama het allemaal goed weet dus dat ze liever heeft dat zij het zegt. Ze verklaart dat ze een spelletje heeft gespeeld waarbij ze dingetjes moet proeven die ze ergens vanaf moest likken. Het laatste kon ze niet raden want dat had ze nog nooit gegeten. De verdachte had haar met een handdoek geblinddoekt. Ze had gezien dat hij de handdoek uit de keuken had gepakt. Ook heeft ze verklaard en voorgedaan hoe de verdachte haar langs haar arm en benen heeft gestreeld.

Deskundige dr. G. Wolters heeft in opdracht van de rechter-commissaris een rapport d.d. 5 februari 2016 uitgebracht betreffende de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]. Hij concludeert dat de verklaringen van [slachtoffer] die zijn afgelegd in het studioverhoor onvolledig maar verder in hoge mate betrouwbaar zijn.

De politie heeft onderzoek gedaan in het kantoorpand. In de keuken is suiker, hagelslag en pindakaas aangetroffen. Ook is in de keuken een blauw-wit geblokt handdoekje aangetroffen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in zijn kantoor met [slachtoffer] een likspelletje heeft gespeeld nadat hij haar met een theedoek/handdoek had geblinddoekt. Op grond van hetgeen [slachtoffer] tegenover haar moeder heeft verklaard en welke verklaring zij tegenover de politie weliswaar niet volledig herhaalt maar ook in geen enkel opzicht terugneemt, concludeert het hof voorts dat de verdachte [slachtoffer] aan zijn penis heeft laten likken waarop hij achtereenvolgens hagelslag, pindakaas en suiker had gedaan.

De verdachte heeft aldus ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer], hetgeen het hof wettig en overtuigend bewezen acht. Ook acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestreeld over haar arm en benen en dat hij haar een kus heeft gegeven. Gelet op de context waarin deze handelingen hebben plaatsgevonden – het likspelletje - is het hof van oordeel dat ook deze handelingen een ontuchtig karakter hebben.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte zijn penis in de mond van [slachtoffer] heeft geduwd of gebracht zoals is omschreven in het primair tenlastegelegde. Dat dit gebeurd is, blijkt uitsluitend uit hetgeen [moeder van het slachtoffer] later, na het studioverhoor van [slachtoffer], heeft verklaard, waarbij onvoldoende duidelijk is hoe of onder welke omstandigheden zij dit van [slachtoffer] heeft vernomen.

Naar het oordeel van het hof is er voor dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende bewijs. Gelet hierop wordt de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het subsidiair tenlastegelegde acht het hof als reeds overwogen wettig en overtuigend bewezen. In de kern komt het bewezen verklaarde erop neer dat de verdachte onder het mom van een likspelletje met [slachtoffer] ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Het bewijs bestaat uit hetgeen [slachtoffer] hierover aan haar moeder heeft verteld en de verklaring die zij heeft afgelegd in het studioverhoor. De verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd in het studioverhoor wordt door de deskundige Wolters als “in hoge mate betrouwbaar” aangemerkt. Het hof neemt die conclusie over. [Slachtoffer] heeft zowel tegenover haar moeder als in het studioverhoor consequent verklaard. In beide verklaringen komt duidelijk naar voren dat er seksuele handelingen met haar hebben plaatsgevonden onder het mom van een likspelletje. De verklaring van [slachtoffer] over het likspelletje vindt steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin de politie heeft beschreven dat in de keuken van de kantoorruimte suiker, pindakaas, hagelslag en een blauw-wit geblokte handdoek zijn aangetroffen. Ook de erkenning van de verdachte dat hij ruim een half uur met [slachtoffer] in zijn kantoor is geweest, merkt het hof aan als steunbewijs. Het feit dat de verdachte desgevraagd op geen enkel moment - ook niet ter terechtzitting in hoger beroep - heeft kunnen aangeven wat [slachtoffer] al die tijd in het kantoor heeft gedaan, sterkt het hof in de overtuiging dat [slachtoffer] de waarheid spreekt over wat er toen met haar gebeurd is. Ook heeft het hof bij zijn oordeel betrokken de conclusie van eerdergenoemde deskundige, inhoudende dat de verklaringen van de verdachte geen geloofwaardige weerlegging zijn van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard.

Het verweer van de raadsvrouw voor zover dit betrekking heeft op het subsidiair tenlastegelegde wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 juli 2015 te Sassenheim, gemeente Teylingen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het strelen van de arm de vagina en benen van die [slachtoffer] en

- de wang van die [slachtoffer] te kussen en

- het spelen van een spel met die [slachtoffer] waarbij zij geblinddoekt meermalen een product van zijn, verdachtes, penis af moest likken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met [slachtoffer], een meisje van destijds 7 jaar oud. Hij kende het meisje nog maar heel kort en heeft haar meegenomen naar een voor haar vreemde omgeving. Daar heeft hij haar geblinddoekt en vervolgens onder andere pindakaas en hagelslag van zijn penis af laten likken.


De destijds 56-jarige verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en een ernstige inbreuk gemaakt op haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Uit de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer van deze feiten daadwerkelijk ernstige gevolgen heeft ondervonden en ook thans nog ondervindt.

Dit soort delicten veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, bijvoorbeeld bij ouders van jonge kinderen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte, afgezien van andersoortige feiten in een ver verleden, niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft enigermate rekening gehouden met de gevolgen van deze strafzaak en de op te leggen straf voor met name het eenmansbedrijf van de verdachte.

Het hof is, gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, valt het misbruik niet in de door de advocaat-generaal als richtlijn genomen zogenaamde 4e categorie. Het hof komt aldus tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven. Het hof kan daarmee niet uitsluiten dat de verdachte mogelijk in herhaling zal treden. Het hof zal mede om die reden een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.698,38, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat tot een bedrag van € 198,38 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.198,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening aan de Staat aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer], [moeder van het slachtoffer] en [broer van het slachtoffer].

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.198,38 (drieduizend honderdachtennegentig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 198,38 (honderdachtennegentig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.198,38 (drieduizend honderdachtennegentig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 198,38 (honderdachtennegentig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, mr. A.J.M. Kaptein en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. S. Rommen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 september 2017.

mr. G. Knobbout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.