Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2682

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
200.189.641/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking. Schoonmoeder betaalt de restschuld na verkoop gemeenschappelijke woning dochter en schoonzoon. Vordering strekkende tot verhaal op de schoonzoon voor zijn (interne) deel van de restschuld? Stelplicht en bewijslast afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.189.641/01

zaaknummer rechtbank: 4309415 / CV EXPL 15-31932

arrest d.d. 5 september 2017

inzake

[de schoonzoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [de schoonzoon] ,

advocaat: mr. K. el Joghrafi te Hoogvliet, Rotterdam,

tegen

[de schoonmoeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de schoonmoeder] ,

advocaat: mr. L.M. Baltazar de Seixas te Spijkenisse, Nissewaard.

Het geding

Bij dagvaarding van 18 maart 2016 is [de schoonzoon] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 18 december 2015, tussen [de schoonmoeder] als eiseres en [de schoonzoon] als gedaagde gewezen.

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de kantonrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

[de schoonzoon] heeft in de memorie van grieven drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord, met twee producties, heeft [de schoonmoeder] de grieven weersproken.

Op verzoek van [de schoonmoeder] is arrest bepaald. Zij heeft haar procesdossier overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. [de schoonzoon] heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [de schoonmoeder] afwijst met veroordeling van [de schoonmoeder] in de kosten van de procedure in eerste aanleg als ook met veroordeling van [de schoonmoeder] in de kosten van de onderhavige procedure.

3. [de schoonmoeder] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [de schoonzoon] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

4. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis [de schoonzoon] veroordeeld om aan [de schoonmoeder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 4.093,36 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [de schoonzoon] in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De grondslag voor deze veroordeling is gelegen in ongerechtvaardigde verrijking van [de schoonzoon] ten koste van [de schoonmoeder] . Volgens de kantonrechter is daarvan sprake doordat [de schoonmoeder] bij de overdracht van de woning, die gezamenlijk eigendom was van [de schoonzoon] en [naam] , de dochter van [de schoonmoeder] (hierna: [de dochter] ), met wie [de schoonzoon] op dat moment gehuwd was, aan een derde de restant hypotheekschuld waarvoor [de schoonzoon] en [de dochter] hoofdelijk verbonden waren heeft voldaan.

Grief 1: toepassing artikel 25 Rv.

6. [de schoonzoon] voert aan dat de kantonrechter de vordering van [de schoonmoeder] ten onrechte op een andere grondslag dan de door [de schoonmoeder] aangevoerde – een overeenkomst tot geldlening – heeft toegewezen, omdat de in het vonnis opgenomen feiten hiervoor onvoldoende zijn. Feiten mogen niet ambtshalve worden aangevuld.

7. Het wordt het hof uit de toelichting op de grief niet duidelijk welke feiten door de kantonrechter ambtshalve zouden zijn aangevuld. De grief wordt dan ook gepasseerd.

Grief 2: ongerechtvaardigde verrijking

8. [de schoonzoon] stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, gezien de afspraken die [de schoonzoon] en [de dochter] met elkaar hadden gemaakt, geruime tijd voor verkoop van de woning, met betrekking tot de restschuld. De onderwaarde van de woning komt op basis van die afspraken (enkel) voor rekening van [de dochter] , aldus [de schoonzoon] . [de schoonmoeder] heeft – zonder overleg met [de schoonzoon] en zonder aan hem kenbaar te maken dat zij dit voornemen had – een bedrag aan de notaris betaald ter zake de restschuld. Zij heeft hiermee derhalve een schuld van haar dochter [de dochter] voldaan, zodat alleen deze gehouden is tot terugbetaling daarvan.

[de schoonzoon] is voorts op geen enkel moment inhoudelijk betrokken bij de verkoop van de woning. Hij weet dan ook niet of er sprake is geweest van verkoop tegen een marktconforme/redelijke prijs, aldus [de schoonzoon] , en dus een reële restschuld.

9. [de schoonmoeder] weerspreekt de stellingen van [de schoonzoon] en stelt onder verwijzing naar een passage uit een brief van [de schoonzoon] aan haar van 11 april 2015 dat [de schoonzoon] en haar dochter [de dochter] wel degelijk hadden afgesproken dat de onderwaarde van de woning bij helfte moest worden voldaan. Als mede-eigenaar is hij ook betrokken bij de verkoop van de woning en door notaris en bank geïnformeerd. [de schoonzoon] is zelf akkoord gegaan met de onderwaarde door te tekenen voor de overdracht en afrekening.

10. Het hof overweegt als volgt. Vereist voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is dat sprake is van een vermogensvermeerdering van de een ten koste van een ander, waarvoor geen rechtvaardiging aanwezig is. Het bewust betalen van een schuld voor een ander – [de schoonzoon] - door een derde – [de schoonmoeder] - terwijl niet voldaan is aan de vereisten van zaakwaarneming kan daaronder vallen. Vast staat dat [de schoonzoon] en zijn voormalige echtgenote [de dochter] een woning in gezamenlijk eigendom hadden. De woning is verkocht en niet in geschil is dat na levering een restschuld van

€ 8.186,71 zou resteren, waarvoor [de schoonzoon] en [de dochter] beiden jegens de bank voor het geheel en in hun onderlinge verhouding in ieder geval elk voor de helft aansprakelijk waren, behoudens andersluidende afspraken. [de schoonmoeder] heeft de restschuld voldaan. In zoverre is in beginsel sprake van een verrijking tot een bedrag van € 4.093,36 van [de schoonzoon] ten laste van [de schoonmoeder] .

11. [de schoonzoon] beroep zich echter op een afspraak tussen hem en [de dochter] , dat laatstgenoemde de restschuld uit de onderwaarde jegens de bank volledig voor haar rekening zou nemen. Die afspraak betreft de interne draagplicht tussen de hoofdelijk verbonden echtgenoten als bedoeld in artikel 6:10 lid 1 en 2 BW. In dat geval zou [de dochter] , indien zij de restschuld zelf betaald zou hebben, geen verhaal meer toekomen op [de schoonzoon] , nu de schuld haar op grond van de beweerdelijke afspraak in de onderlinge verhouding voor honderd procent aan gaat. Ingevolge artikel 6:145 BW zou [de schoonzoon] deze afspraak ook aan [de schoonmoeder] kunnen tegenwerpen. Naar het oordeel van het hof heeft [de schoonzoon] – in het licht van de betwisting van [de schoonmoeder] - zijn stelling met betrekking tot de totstandkoming van deze afspraak tussen hem en [de dochter] echter onvoldoende feitelijk onderbouwd. [de schoonzoon] stelt slechts dat deze afspraak “geruime tijd” voor de verkoop van de woning is gemaakt en dat partijen “een eindregeling met elkaar hebben afgesproken ter zake de goederengemeenschap (eveneens ter zake de inboedel etc.)” maar stelt verder niets concreets omtrent het tijdstip van totstandkoming van de afspraak, de inhoud van de regeling en de wijze van totstandkoming. Nu [de schoonzoon] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, passeert het hof zijn – overigens ongespecificeerde – bewijsaanbod.

De stelling dat [de schoonzoon] niet betrokken zou zijn bij de verkoop – nog afgezien van de vraag welke gevolgen hieraan verbonden zouden moeten worden – is feitelijk onjuist: als mede-eigenaar heeft [de schoonzoon] ingestemd met verkoop en levering. Anders was de notaris niet tot overdracht overgegaan. De tweede grief faalt.

Grief 3: gift

12. Tot slot voert [de schoonzoon] aan dat de kantonrechter de verrijking had dienen te kwalificeren als een gift.

13. [de schoonmoeder] weerspreekt de stelling en wijst erop dat het aan [de schoonzoon] is bewijs van zijn stelling te leveren.

14. Het hof stelt voorop dat deze stelling van [de schoonzoon] haaks staat op zijn eerder ingenomen stelling dat – kort gezegd – afspraken tussen hem en [de dochter] ten grondslag hebben gelegen aan de betaling van [de schoonmoeder] van de restschuld. Het is mogelijk dat een betaling ten behoeve van een derde als gift wordt gekwalificeerd: vereiste daarvoor is dat bij de gever sprake is van een bevoordelingsbedoeling. Door [de schoonzoon] is niet, althans niet onderbouwd, gesteld dat een dergelijke bedoeling van [de schoonmoeder] jegens hem aanwezig was. Ook deze grief wordt gepasseerd.

Proceskosten

15. Vorenstaande voert tot de slotsom dat het bestreden vonnis, ook ten aanzien van de proceskostenveroordeling, moet worden bekrachtigd. Nu [de schoonzoon] in hoger beroep ook in het ongelijk gesteld is, wordt hij eveneens veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [de schoonmoeder] gevallen, en tot op heden begroot op € 946,-, waarvan € 314,- aan griffierecht en € 632,- aan salaris advocaat.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [de schoonzoon] in de proceskosten aan de zijde van [de schoonmoeder] gevallen en tot op heden begroot op € 946,-;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, J.A. van Kempen en P.B. Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.