Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2668

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
200.219.664/02
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaring. In eerste aanleg geen draagkrachtverweer gevoerd, wel in het schorsingsverzoek. Dat speelt een rol in de belangenafweging. Gebrek aan draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0270

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.219.664/02

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-6707 en FA RK 17-924

zaaknummer rechtbank : C/10/507944 en C/10/519969

beschikking van de meervoudige kamer van 13 september 2017

in het incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking

van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,

Als belanghebbende is aangemerkt:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, en voor zover hier van belang:

- bepaald dat de man € 932,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De beslissing met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

De man is op 18 juli 2017 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.219.664/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking met betrekking tot de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.219.664/02.

2.2

De vrouw heeft op 22 augustus 2017 een verweerschrift verzoek ex artikel 360 lid 2 Rv. ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing heeft, met instemming van partijen, geen doorgang gevonden. Beide partijen hebben er mee ingestemd dat het hof de zaak voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking op de stukken, dus zonder een mondelinge behandeling te bepalen, zal afdoen.

3 De motivering van de beslissing

3.1

In geschil is de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud.

3.2

De man verzoekt het hof de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen voor wat betreft de vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in werking tredende partnerbijdrageverplichting, totdat in het kader van het hoger beroep deze schorsing zal worden opgeheven, kosten rechtens.

3.3

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek van de man om bij beschikking te bevelen dat de werking van de bestreden beschikking zal worden geschorst, af te wijzen.

3.4

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3. Het hof stelt het volgende voorop:

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde.

3.4

Het hof constateert dat in eerste aanleg de beslissing ter zake van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet is voorzien van een motivering. Daarom gaat het hof bij de beoordeling uit van de hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde criteria.

3.5

De man voert met betrekking tot het schorsingsverzoek het volgende aan:

- de schulden van de man lopen op door de betaling van de partneralimentatie, waardoor de man in een noodtoestand verkeert;

- de man kon tot nu toe de partneralimentatie uit een tijdspaarfonds betalen, maar dit fonds is inmiddels leeg;

- de man meent dat zijn belang zwaarder weegt omdat de vrouw aanspraak kan doen op een bijstandsuitkering;

- het is evident dat de man geen draagkracht heeft om de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud te voldoen;

- er is klaarblijkelijk sprake van een juridische misslag omdat geen verdere eisen worden gesteld aan de door de vrouw gestelde behoefte aan een partneralimentatie en de vrouw slechts met een verwijzing naar de hofnorm kon volstaan.

3.6

De vrouw voert verweer, waarop hierna, waar nodig, zal worden ingegaan.

3.7

Het hof overweegt als volgt. De man heeft in eerste aanleg geen draagkrachtverweer gevoerd. De rechtbank heeft daaromtrent overwogen: “Omdat gesteld noch anderszins is gebleken dat de man niet in staat is de door de vrouw verzochte partnerbijdrage te voldoen, zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen”. Het instellen van hoger beroep in de hoofdzaak dient er toe om eventuele verzuimen uit de eerste aanleg te repareren en om, zo nodig, nieuwe gronden aan te voeren. In de procedure tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking speelt de omstandigheid dat de vader de mogelijkheid in eerste aanleg, om zijn draagkracht aan de orde te stellen, onbenut laat, naar het oordeel van het hof wel een rol in de belangenafweging.

3.8

De man stelt in zijn schorsingsverzoek een inkomen te hebben van € 1.927,76 netto per maand, exclusief vakantiegeld. Verder voert hij aan € 400,- per maand te betalen aan de aflossing van de hypothecaire lening en een aflossing van € 10,- per maand te betalen aan een schuld bij [energiebedrijf] . De man legt van zijn inkomen en de gestelde lasten geen bewijsstukken over. Zonder nadere onderbouwing van zijn draagkracht, die eveneens ontbreekt, volgt bovendien uit de stellingen van de man niet zonder meer, dat de man de draagkracht zou missen om de door de rechtbank bepaalde partneralimentatie te voldoen. Van een noodtoestand is daarom niet gebleken. De stellingen van de man over de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud zullen in de bodemprocedure aan de orde komen. De door de man gestelde juridische misslag is evenmin komen vast te staan.

3.9

Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, daarom van oordeel dat niet gebleken is dat de man een groter belang heeft bij de schorsing van de werking van de bestreden beschikking dan de vrouw heeft bij de mogelijkheid die ten uitvoer te leggen. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.

3.5

De behandeling van de hoofdzaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen tijdstip waarvoor partijen nog afzonderlijk een oproep zullen ontvangen.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van de man af;

bepaalt dat de behandeling voor wat betreft de hoofdzaak op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voorgezet; partijen zullen daarvoor nog een oproep ontvangen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, P.B. Kamminga en I. Obbink-Reijngoud, bijgestaan door mr. A.W.M. Verheijen-de Kruijter als griffier, en is op 13 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.