Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2625

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
09-10-2017
Zaaknummer
200.220.980/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:8480, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

kinderontvoeringszaak; ongeoorloofde overbrenging; gezagsrecht ouders naar Iraans recht; geen worteling aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 september 2017

Zaaknummer : 200.220.980/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 17-4654

Zaaknummer rechtbank : C/09/534532

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Iran,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

verblijvende te [woonplaats] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- [bijzondere curator] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2017 benoemd tot bijzondere curator over de na te noemen minderjarige,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats]

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juli 2017 van de rechtbank Den Haag (hierna: de bestreden beschikking).

De vader heeft op 28 augustus 2017 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 24 augustus 2017 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier met bijlagen;

- op 28 augustus 2017 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 28 augustus 2017 een faxbericht.

De zaak is op 29 augustus 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] , tolk in het Farsi;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] , tolk in het Farsi;

  • -

    de bijzondere curator.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaten van de ouders hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] Te [geboorteplaats] , Iran (hierna te noemen: de minderjarige), naar Iran afgewezen. Voorts is het verzoek van de moeder tot betaling door de vader van de door haar gemaakte proceskosten afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd zodat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt. Ook het verzoek van de moeder om de minderjarige gedurende de teruggeleidingsprocedure uit huis te plaatsen, althans in veiligheid te brengen, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn gehuwd geweest;

- tijdens het huwelijk is uit de moeder de minderjarige geboren;

- op 21 januari 2016 is de minderjarige in het kader van een door de Iraanse rechtbank vastgestelde omgangsregeling aan de vader overgedragen, waarbij de vader na afloop daarvan de minderjarige niet naar de moeder heeft teruggebracht;

- op 17 mei 2016 is de vader met de minderjarige en zijn nieuwe partner Nederland ingereisd;

- de vader, de moeder en de minderjarige hebben de Iraanse nationaliteit;

- onmiddellijk vóór de overbrenging van de minderjarige naar Nederland was de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Iran;

- de moeder heeft zich op 16 maart 2017 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (hierna: CA); de zaak is daar geregistreerd onder IKO-nummer [nummer] ;

- de CA heeft bij brief van 11 mei 2017 aan de moeder laten weten dat de vader, ondanks verzoek daartoe, niet meewerkt aan de vrijwillige terugkeer van de minderjarige naar Iran;

- de moeder heeft op 19 juni 2017 een verzoekschrift tot teruggeleiding bij de rechtbank ingediend.

In hoger beroep is komen vast te staan dat het verzoek van de vader te mogen scheiden bij uitspraak van 18 mei 2016 van de Iraanse rechter is toegewezen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJKE INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Iran.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, conform artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de afgifte van de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder te bevelen op 22 september 2017 of op een door het hof te bepalen andere datum in september 2017, waarbij de vader de minderjarige op 22 september 2017 of op een andere datum in september 2017 naar de moeder in [woonplaats] , Iran dient terug te brengen, dan wel indien de vader zulks nalaat, te bepalen op welke datum de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder dient af te geven, zodat zij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats] , Iran, met veroordeling van de vader in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de ontvoering en de teruggeleiding in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder haar reiskosten vanuit Iran ( [woonplaats] ) naar Nederland, haar verblijfskosten in Nederland, de griffierechten van het hof en de kosten van haar proceskostenvertegenwoordiging bij het hof, nader op te maken bij de staat.

3. De vader verweert zich daartegen en heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling van de gronden, en alle verzoeken van de moeder af te wijzen.

4. De moeder verzet zich daartegen.

De feiten

5. De moeder kan zich niet vinden in de feitenopstelling zoals door de rechtbank opgenomen in de bestreden beschikking, aangezien haars inziens deze feitenopstelling niet compleet en/of correct is. Volgens haar dient het hof uit te gaan van de door de moeder in haar beroepschrift gestelde feiten.

6. De vader stelt dat de feiten anders liggen dan door de moeder in het appelschrift opgenomen.

7. Het hof overweegt als volgt. De moeder heeft nagelaten concreet aan te geven welke feiten haars inziens ten onrechte door de rechtbank zijn vastgesteld en waarom zij onjuist zijn. Het hof gaat dan ook uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten die zijn weergegeven onder het kopje “procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten”. Voor zover de moeder aanvullende feiten heeft opgenomen in het appelschrift, zal het hof deze – voor zover van belang en niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist door de vader – meenemen bij de beoordeling van de grieven.

Ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: HKOV)

8. De moeder stelt dat de vader op 21 januari 2016 de minderjarige ongeoorloofd naar het buitenland heeft overgebracht in de zin van artikel 3 HKOV, nu dit in strijd met haar gezagsrecht is geschied. Zij stelt dat de hizanat ziet op de zorg- en opvoedingsaspecten van het ouderlijk gezag en dat degene aan wie de hizanat toekomt, het recht heeft om de woonplaats van de minderjarige te bepalen. Indien ouders door echtscheiding of om een andere reden niet samenwonen, komt de hizanat over een kind tot 7-jarige leeftijd aan een moeder toe. De moeder had aldus op 21 januari 2016, toen zij nog gehuwd was met de vader, (mede) de hizanat over de minderjarige en de vader had haar daarom toestemming moeten vragen om de minderjarige mee te nemen naar het buitenland. Ter onderbouwing van het feit dat de ouders niet meer samenleefden op 21 januari 2016 heeft de moeder twee uitspraken overgelegd, te weten de uitspraken van 2 november 2013 en 17 januari 2015 van Branch 285 of Family Court of [vestigingsplaats] inzake omgang tussen de vader en de minderjarige. Voorts legt de moeder een uitspraak van 9 maart 2016 van Branch 286 of Family Court of [vestigingsplaats] over, waarin de moeder bij uitsluiting van de vader de hizanat heeft verkregen over de minderjarige, en een uitspraak van 18 mei 2016 van Branch 281 of Family Court of [vestigingsplaats] , waarin wordt bevestigd dat de hizanat over de minderjarige aan de moeder wordt toegekend, aldus de moeder. Ook wijst de moeder op de uitspraak van 31 juli 2016 van Branch 1076 of Penal Court 2 of Shahid Modares Judiciary Complex of [vestigingsplaats] (hierna: Branch 1076 of Penal Court), waarin de vader veroordeeld is tot zes maanden gevangenisstraf, onder meer vanwege het niet doen terugkeren van de minderjarige naar de moeder. Het meenemen door de vader van de minderjarige naar het buitenland zonder toestemming van de moeder is haars inziens bovendien in strijd met artikel 42 van de ‘Family Law’ (hierna: artikel 42 Family Law).

9. De vader stelt dat de overbrenging van de minderjarige op 21 januari 2016 naar het buitenland geoorloofd was. Hij licht, onder verwijzing naar het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI), toe dat de wilayat, die op het behartigen van vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige en het toezicht op de opvoeding ziet, de bevoegdheid omvat om de verblijfplaats van de minderjarige te bepalen. De moeder kan zijns inziens op 21 januari 2016 hooguit (mede) met de hizanat belast zijn geweest en niet met de wilayat. De vader is daarentegen bij uitsluiting belast met de wilayat. De vader kon de minderjarige derhalve zonder toestemming van de moeder meenemen naar het buitenland, zodat geen sprake is van schending van het gezagsrecht van de moeder. De vader betwist voorts dat er een artikel 42 Family Law bestaat en naar zijn mening dient de door de moeder geschetste inhoud van dit artikel buiten beschouwing gelaten te worden omdat zij het bestaan ervan onvoldoende heeft aangetoond. De door de moeder overgelegde uitspraken van 9 maart 2016 en 18 mei 2016 van Branche 286 of Family Court of [vestigingsplaats] zijn gewezen na 21 januari 2016 en bewijzen derhalve uitsluitend dat de moeder vanaf 9 maart 2016 ‘custody’ heeft, maar zeggen naar zijn mening niets over de gezagsverhouding op 21 januari 2016. Ter zitting in hoger beroep wordt namens de vader aangevoerd dat het aan de moeder is om te bewijzen dat degene die de hizanat heeft de bevoegdheid heeft om te beslissen over de verblijfplaats van de minderjarige.

10. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 HKOV van de minderjarige vanuit Iran naar het buitenland op 21 januari 2016 door de vader. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder toen (mede) de hizanat bezat en de hizanat mede de bevoegdheid omvat om de verblijfplaats van de minderjarige te bepalen. Op 21 januari 2016 kwam aan de moeder, al dan niet gezamenlijk met de vader, de hizanat toe. Immers, naar Iraans recht hebben ouders, zolang zij gehuwd zijn, gezamenlijk de hizanat. Indien het kind jonger is dan 7 jaar en ouders (feitelijk) gescheiden leven, rust de hizanat alleen bij de moeder, tenzij de ouders hierover geen overeenstemming hebben bereikt, in welk geval dit wordt beslist door de rechter. Indien aangenomen wordt dat de ouders in de onderhavige zaak (feitelijk) gescheiden leefden op 21 januari 2016, rustte de hizanat op die datum alleen bij de moeder. Nu op 7 maart 2016 bovendien bij rechtelijke uitspraak is beslist dat het gezag alleen aan de moeder toekomt, is klaarblijkelijk sprake (geweest) van de uitzondering dat ouders hierover geen overeenstemming konden bereiken. In dit laatste geval rustte de hizanat op grond van genoemde hoofdregel nog steeds bij beide ouders op 21 januari 2016. Omdat in ieder geval bij de moeder op 21 januari 2016 de hizanat rustte, had de vader haar toestemming moeten vragen om de minderjarige naar het buitenland over te brengen. Door deze toestemming niet te vragen, heeft de vader het gezagsrecht van de moeder geschonden.

Artikel 12 lid 2 HKOV

Eénjaarstermijn

11. De moeder stelt dat haar niet kan worden verweten dat er meer dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging door de vader van de minderjarige naar het buitenland en het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep. Nadat de vader de minderjarige niet op 22 januari 2016 bij de moeder had teruggebracht, heeft zij alles in het werk gesteld om de verblijfplaats van de minderjarige te achterhalen, hetgeen door de vader is gefrustreerd. In de periode direct voorafgaande aan en tijdens de overschrijding van de éénjaarstermijn zijn partijen in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van cross border mediation en de vader kreeg de mogelijkheid om tot vrijwillige teruggeleiding van de minderjarige over te gaan. Cross border mediation en het starten van een gerechtelijke procedure tot teruggeleiding zijn niet met elkaar te rijmen, aldus de moeder. De tijd die daarmee is verstreken moet daarom niet meegeteld worden, zo begrijpt het hof het standpunt van de moeder. Daar komt bij dat de duur van de overschrijding slechts gering is, indien ervan wordt uitgegaan dat de éénjaarstermijn aanvangt op 17 mei 2016, de datum waarop de minderjarige in Nederland kwam.

12. De vader stelt dat de éénjaarstermijn ruimschoots is overschreden. De éénjaarstermijn vangt naar zijn mening aan op 21 januari 2016, de datum waarop de vader de minderjarige heeft meegenomen naar het buitenland, en eindigt op 19 juni 2017, de datum waarop de moeder het verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend. Ook indien echter uitgegaan wordt van de door de moeder gestelde aanvangsdatum, te weten 17 mei 2016, geldt dat de moeder vóór 17 mei 2017 een verzoek bij de rechtbank had kunnen indienen. Hij wijst erop dat zij reeds op 16 maart 2017 een verzoek tot teruggeleiding bij de Nederlandse CA heeft ingediend en op 11 mei 2017 van de CA bericht heeft ontvangen dat hij niet zou meewerken aan teruggeleiding. De vader stelt tot slot dat artikel 12 lid 2 HKOV, in geval de éénjaarstermijn is overschreden, niet spreekt van onmiddellijke terugkeer, zodat een terugkeer op termijn ook mogelijk is.

13. Het hof is van oordeel dat de éénjaarstermijn als bedoeld in artikel 12 lid 2 HKOV is overschreden. Het hof gaat daarbij voor de aanvang van de éénjaarstermijn uit van de datum van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar het buitenland door de vader, derhalve van 21 januari 2016, en de datum waarop de moeder het verzoek tot teruggeleiding bij de rechtbank heeft ingediend, derhalve 19 juni 2017. Deze periode beslaat een termijn van één jaar en vijf maanden. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat in die periode tevens geprobeerd is de minderjarige op vrijwillige basis, namelijk zonder het voeren van een gerechtelijke procedure, naar Iran te laten terug gaan.

Worteling

14. De moeder stelt dat geen sprake is van een zodanige fysieke en emotionele band van de minderjarige met Nederland, dat hieruit worteling kan worden afgeleid. Zij voert aan dat de minderjarige het grootste deel van zijn leven in Iran heeft gewoond en dat in verband met zijn jonge leeftijd van worteling in een nieuwe omgeving niet snel sprake zal zijn. De moeder betwist dat de minderjarige thans opgroeit in een hecht gezinsverband bij de vader en zijn partner. Na de ontvoering is de vader met zijn partner en de minderjarige via Turkije naar Griekenland gevlucht. De vader heeft vervolgens zijn partner en de minderjarige naar een onderduikadres in [plaats] gestuurd, waar de minderjarige drie maanden zonder de vader heeft verbleven. Het schuilhouden van de minderjarige voor derden rechtvaardigt naar de mening van de moeder geen beroep op worteling. De minderjarige en de vader hebben geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en verblijven thans in een asielzoekerscentrum, hetgeen geen stabiele woonomgeving is voor een jong kind. De uitkomst van de asielaanvraag door de vader is nog altijd onbekend. Verder kan er, zo stelt de moeder, niet gesproken worden van reguliere deelname aan het onderwijs door de minderjarige, omdat hij niet het gehele schooljaar naar school is geweest in verband met ziekte en wisseling van school. De moeder betwist dat de minderjarige vloeiend Nederlands spreekt, Nederlandse vriendjes heeft en aan sport en andere buitenschoolse activiteiten deelneemt. Een kind kan naar de mening van de moeder geen diepgaande vriendschappen in een asielzoekerscentrum opbouwen omdat het daar een komen en gaan is van kinderen. De moeder wijst er tot slot op dat de minderjarige, behalve de vader, geen familie heeft in Nederland.

15. De vader stelt dat de minderjarige is geworteld in Nederland. Hij licht toe dat de minderjarige reeds een groot deel van zijn nog jonge leven in Nederland verblijft, naar school gaat, goed Nederlands spreekt, actief is betrokken bij de kerkelijke activiteiten voor kinderen en Nederlandse vriendjes heeft. De vader betwist dat de minderjarige drie maanden alleen met de huidige partner van de vader in [plaats] heeft verbleven en stelt dat de minderjarige sinds 21 januari 2016 onafgebroken bij de man en zijn huidige partner heeft verbleven.

16. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de moeder, worteling van de minderjarige in Nederland onvoldoende aangetoond. De minderjarige heeft behalve de vader en zijn partner geen verdere familie in Nederland en evenmin heeft hij op dit moment een perspectief op (permanent) verblijf in Nederland. Voor zijn komst naar Nederland had de minderjarige bovendien nog geen enkele band met Nederland. De duur van het verblijf van de minderjarige in Nederland bedraagt op het moment van deze uitspraak ongeveer een jaar en vier maanden, hetgeen aanzienlijk korter is dan de duur van zijn voorafgaande verblijf in Iran. De asielprocedure loopt nog steeds en de uitkomst daarvan is ongewis. De minderjarige spreekt thuis Farsi en zal het regulier basisonderwijs in Nederland pas na de herfstvakantie van 2017 bezoeken. Hij zit nu in een schakelklas. Sociale contacten zijn in een asielzoekerscentrum in verband met de doorstroom veelal van korte duur, hetgeen het opbouwen van vriendschappen bemoeilijkt. De deelname van de minderjarige aan activiteiten die worden georganiseerd door de kerk is naar het oordeel van het hof onvoldoende om van worteling te kunnen spreken. Nu geen sprake is van worteling, zal het hof het beroep van de vader op de weigeringsgronden van de artikelen 13 lid 1 sub b en 20 HKOV beoordelen.

Weigeringsgrond in de zin van artikel 13 lid 1 sub b HKOV

17. De moeder stelt dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV niet van toepassing is. De minderjarige wordt door teruggeleiding haars inziens niet in een ondragelijke toestand gebracht. De minderjarige keert terug naar zijn leven bij de moeder in Iran, met familie in zijn buurt. Hij spreekt vloeiend Farsi. De moeder was hoofdverzorgster van de minderjarige. De uitspraak van 31 juli 2016 van Branch 1076 of Penal Court, waarin de vader is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf levert haars inziens geen belemmering voor de vader op om naar Iran terug te keren. Hij kan de gevangenisstraf omzetten in een boete. Het feit dat de minderjarige in Nederland als christen is gedoopt zal, gezien zijn jonge leeftijd, bij terugkeer naar Iran geen gevaar voor hem meebrengen. In geval de minderjarige enige vorm van hulp behoeft, kent ook Iran een organisatie ten behoeve van kinderbescherming.

18. De vader stelt dat de weigeringsgronden zoals verwoord in de artikelen 13 en 20 HKOV ruim moeten worden geïnterpreteerd, omdat Iran geen lid is van het HKOV en het ontbreken van de door het verdrag beoogde wederkerigheid ertoe zal leiden dat er geen toezicht zal zijn op de situatie van de minderjarige na teruggeleiding. Daar komt bij dat het niet mogelijk is om een verklaring in de zin van artikel 15 HKOV op te vragen. In het kader van zijn beroep op artikel 13 lid 1 sub b HKOV stelt de vader dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door terugkeer in een ondragelijke toestand wordt gebracht, omdat hij gescheiden zal worden van zijn vader. De vader wijst er onder verwijzing naar het rapport van de bijzondere curator op, dat hij op dit moment de primaire hechtingsfiguur in het leven van de minderjarige is. De vader voert aan niet terug te kunnen keren naar Iran omdat hij tot zes maanden gevangenisstraf is veroordeeld en omdat hij zich tot het christendom heeft bekeerd. Hij licht toe dat het in Iran strafbaar is om afstand te doen van de islam en dat bekeerde moslims geëxecuteerd kunnen worden. De vader stelt voorts dat de minderjarige door terugkeer naar Iran in een ondragelijke toestand wordt gebracht omdat de minderjarige in Iran door de moeder geslagen is. De vader wijst erop dat de minderjarige bij de bijzondere curator van een negatief beeld van zowel Iran als de moeder heeft blijkgegeven. De bijzondere curator heeft aangegeven dat gewerkt zal moeten worden aan herstel van het contact tussen de minderjarige en de moeder. De vader stelt dat er hiertoe geen adequate voorzieningen aanwezig zijn in Iran. Tot slot voert de vader aan dat de minderjarige op 4 juni 2017 gedoopt is en in Iran zijn geloof niet kan belijden, waarbij ook dit feit zijns inziens de minderjarige in een ondragelijke toestand brengt bij terugkeer naar Iran.

19. Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b HKOV. De vader heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de moeder onvoldoende aangetoond dat zijn bekering tot het christendom een objectief obstakel voor zijn terugkeer oplevert. Ook de door de vader gestelde negatieve houding van de minderjarige ten opzichte van zijn moeder en Iran brengt naar het oordeel van het hof geen ondragelijke toestand bij terugkeer mee. De bijzondere curator geeft in haar rapport aan dat de enkele negatieve herinneringen ten aanzien van zijn moeder en Iran, waarvan de minderjarige in haar aanwezigheid blijk heeft gegeven, het gevolg kunnen zijn van vroegere ervaringen, maar ook een manier kunnen zijn van de minderjarige om met de huidige situatie om te gaan. Ter zitting in hoger beroep heeft de bijzondere curator aangegeven dat na de behandeling in eerste aanleg één contact tussen de minderjarige en de moeder onder begeleiding van haar heeft plaatsgevonden. De minderjarige toonde zich in dit contact aanvankelijk enigszins onwennig, maar liet vervolgens zijn aarzeling varen en vertelde zijn moeder over onder meer het naar school gaan. Gezien het feit dat de minderjarige, 5 jaar oud, zijn moeder op het moment van het begeleide contact reeds anderhalf jaar niet had gezien, acht het hof enige aarzeling van de kant van de minderjarige in het contact met zijn moeder niet vreemd. Ook het uiten door de minderjarige van enkele negatieve herinneringen waarvan de herkomst onzeker is, zijn onvoldoende om te oordelen dat sprake zal zijn van een ondraaglijke toestand. Nu naar het oordeel van het hof geen sprake is van een ondragelijke toestand van de minderjarige in geval van terugkeer, behoeft het gestelde rondom adequate voorzieningen in Iran geen bespreking. Dat de vader een gevangenisstraf boven het hoofd hangt, hetgeen de moeder overigens betwist, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het hof aan het doel van het HKOV (teruggeleiding in geval van ongeoorloofde overbrenging) meer gewicht toekent dan aan het recht van de vader op family-life met de minderjarige (vgl G.N. v. Polen (EHRM 19 juli 2016, 2171/14)).

Weigeringsgrond in de zin van artikel 20 HKOV

20. De moeder stelt dat de weigeringsgrond van artikel 20 HKOV niet van toepassing is. De minderjarige heeft niets te vrezen in verband met zijn bekering tot het christelijke geloof indien hij terugkeert naar Iran. Voorts is het doel van deze bepaling bescherming van de rechten van de minderjarige, zodat het recht van de vader op een eerlijk proces hier niet onder valt. Ten aanzien van een eventuele schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) stelt de moeder dat de Nederlandse rechter heeft geoordeeld dat een zodanige schending geen weigeringsgrond oplevert in de zin van artikel 20 HKOV.

21. De vader stelt dat terugkeer van de minderjarige geweigerd dient te worden omdat terugkeer op grond van de fundamentele beginselen zoals die in Nederland gelden niet is toegestaan. De vader voert aan dat het recht van de minderjarige om zich te bekeren tot christen en het recht om het christelijk geloof actief te belijden niet in Iran en wel in Nederland worden geëerbiedigd. De grondwet van Iran erkent weliswaar het christendom als godsdienst, maar in de praktijk is sprake van discriminatie en vervolging. Bij terugkeer zal de minderjarige naar de mening van de vader weer moslim moeten worden. Daar komt bij dat de vader in Iran geen eerlijk proces zal krijgen als hij aldaar een procedure start met betrekking tot het gezag over de minderjarige of om omgang met de minderjarige af te dwingen. Tot slot stelt de vader dat het recht van de minderjarige op eerbiediging van zijn familieleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt geschonden omdat de vader in Iran geen eerlijk proces krijgt.

22. Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 20 HKOV. Niet is komen vast te staan dat de minderjarige in verband met zijn bekering tot het christelijke geloof bij terugkeer naar Iran lichamelijke dan wel psychische schade zal ondervinden. De minderjarige heeft een leeftijd waarop hij bij zijn keuze voor het aanhangen van een bepaald geloof beïnvloed wordt door zijn primaire verzorger(s). Beide ouders geven echter aan de keuze van de minderjarige in deze te respecteren, mocht deze keuze alsnog afwijken van hun eigen geloofsovertuiging. Het door vader gestelde met betrekking tot het ontbreken van een eerlijk proces in Iran valt niet onder artikel 20 HKOV, nu dit artikel de bescherming van de rechten van de minderjarige beoogt.

Uithuisplaatsing

23. De moeder verzoekt het hof, naar het hof begrijpt: met een beroep op artikel 13 lid 4 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: Uitvoeringswet), om de minderjarige uit huis te plaatsen gedurende de teruggeleidingsprocedure. De moeder geeft aan zich zorgen te maken dat de vader, in geval teruggeleiding aan de orde is, met de minderjarige Nederland zal verlaten. Hier komt bij dat de vader het contact tussen de moeder en de minderjarige bemoeilijkt en de minderjarige voorafgaand aan gesprekken met de bijzondere curator onder druk kan worden gezet of gemanipuleerd. Na de uithuisplaatsing kan het ongedwongen contact tussen haar en de minderjarige worden hersteld. Zij verzoekt de minderjarige bij haar te plaatsen totdat op het teruggeleidingsverzoek is beslist.

24. De vader stelt dat het verzoek tot uithuisplaatsing dient te worden afgewezen. Er is zijns inziens geen aanleiding om te verwachten dat de vader de minderjarige zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding, nu het asielverzoek van de vader in dat geval in gevaar zal komen. Hij licht toe dat hij in Nederland wil blijven wonen en betwist dat hij gedreigd heeft naar Canada te vertrekken. De vader wijst erop dat een uithuisplaatsing voor de minderjarige traumatiserend zal zijn.

25. Het hof overweegt als volgt. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vader heeft de moeder haar angst voor onttrekking door de vader van de minderjarige aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding onvoldoende onderbouwd en vormt hetgeen de moeder voor het overige heeft aangedragen geen aanleiding voor een uithuisplaatsing. Het hof gaat ervan uit dat de vader zal meewerken aan de teruggeleiding en zal als datum van terugkeer 22 september 2017 bepalen, zoals door de moeder verzocht. Het hof gaat ervan uit dat de minderjarige in de periode tussen de onderhavige beschikking en 22 september 2017 op zijn terugkeer naar Iran wordt voorbereid en dat een aanvang wordt gemaakt met het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige.

Proceskosten

26. De moeder is van mening dat de vader in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep moet worden veroordeeld en doet daartoe een beroep op artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Zij heeft hiertoe een kostenoverzicht aan het hof overgelegd.

27. De vader stelt dat hij niet in de proceskosten van de moeder kan worden veroordeeld omdat hij uitsluitend een uitkering op basis van de Regeling verstrekkingen asielzoekers heeft. Mocht een proceskostenveroordeling aan de orde zijn, dan dient deze gematigd te worden tot een bedrag van maximaal € 500,-. De vader wijst erop dat de moeder in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp, zodat de kosten van de tolk en vertalingen onder een eventuele toevoeging hadden kunnen vallen.

28. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, voor zover hier van belang, de rechter desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, kan veroordelen tot betaling aan de centrale autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten. Het hof is van oordeel dat de vader, zijnde degene die de minderjarige ongeoorloofd naar Nederland heeft overgebracht, kan worden verplicht tot betaling van de noodzakelijke kosten die de moeder naar aanleiding daarvan heeft gemaakt. De moeder heeft haar verzoek om de vader te veroordelen in de door haar gemaakte kosten voldoende onderbouwd. Zij heeft als productie 22 bij het beroepschrift in hoger beroep een overzicht van de door haar gemaakte kosten in eerste aanleg en hoger beroep overgelegd. Het hof stelt de kosten in redelijkheid vast op € 3.000,-. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het voor de moeder mogelijk is om op basis van toevoeging te procederen, maar zij er voor gekozen heeft om dat in dit geval niet te doen.

Conclusie

29. Gelet op het voorgaande is het hof, nu er sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige naar Nederland in de zin van artikel 3 HKOV, er geen sprake is van (één van) de in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 20 HKOV genoemde weigeringsgronden en er weliswaar méér dan een jaar verstreken is tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige, maar er geen sprake is van worteling van de minderjarige in Nederland, van oordeel dat op grond van artikel 12 HKOV de terugkeer van de minderjarige naar Iran dient te volgen. Het hof zal de bestreden beschikking, dan ook vernietigen en bepalen dat de minderjarige uiterlijk op 22 september 2017 naar Iran zal terugkeren, conform het verzoek van de moeder.

30. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran), naar de plaats van zijn gewone verblijf in Iran, uiterlijk op 22 september 2017, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Iran en beveelt, indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen naar Iran, dat de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven op uiterlijk 22 september 2017, opdat de moeder de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Iran;

veroordeelt de vader in de kosten van de moeder in verband met de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige welke kosten in eerste aanleg en in hoger beroep tot op heden worden begroot op € 3.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontslaat de bijzondere curator met ingang van 29 september 2017 van haar taak;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, P.B. Kamminga en I. Obbink-Reijngoud, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2017.