Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2563

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
200.184.074/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldbekentenis. Uitleg. Haviltexmaatstaf. Lening en kosten invordering. Verrekening met kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Hof kan tegenvordering niet eenvoudig vaststellen. Beroep op verrekening verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.184.074/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 3914923 CV EXPL 15-1883

arrest van 4 juli 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I Lankester

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G. Laurman.

Het geding

Bij exploot van 13 januari 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 29 oktober 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de kantonrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De vrouw heeft bij memorie van grieven vijf grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis en haar eis vermeerderd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden en verzocht de vermeerdering van eis af te wijzen.

De vrouw heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het geschil

2. Het geschil tussen partijen betreft wezenlijk de schuldbekentenis d.d. 29 april 2010. Daarin erkent de man, kort gezegd en voor zover van belang, een bedrag van EUR 5.000 schuldig te zijn aan de vrouw, opeisbaar wanneer de samenwoning van partijen duurzaam wordt verbroken, met rentevergoeding vanaf opeisbaarheid. Voorts bevat de schuldbekentenis de volgende bepaling:

“6: De kosten waartoe deze geldlening of de invordering daarvan aanleiding geeft of in de toekomst aanleiding zal geven – daaronder begrepen de kosten die de schuldeiser maakt tot behoud en ter uitoefening van zijn rechten – komen ten laste van de schuldenaar.”

Partijen strijden over de uitleg van deze bepaling, over de verrekening waar de man zich op beroept, over het toepasselijke griffierecht en over de nakosten.

Vorderingen vrouw

3. De vrouw vordert vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de man te veroordelen

  • -

    tot betaling van een bedrag van EUR 5.000,- vermeerderd met de wettelijke rente primair vanaf 5 februari 2015 en subsidiair vanaf, naar het hof aanneemt, de inleidende dagvaarding;

  • -

    primair tot betaling van een bedrag van EUR 14.542,60 wegens kosten in verband met de lening vermeerderd met de wettelijke rente vanaf, naar het hof aanneemt, de inleidende dagvaarding, en subsidiair tot betaling van de proceskosten in beide instanties, een en ander conform liquidatietarief;

  • -

    tot betaling binnen 7 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, althans, naar het hof aanneemt, het ten deze te wijzen arrest, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf die termijn voor voldoening.

Grieven van de vrouw

4. In de eerste grief klaagt de vrouw dat de kantonrechter niet de daadwerkelijk door de vrouw gemaakte invorderingskosten voor vergoeding door de man in aanmerking achtte. Volgens de vrouw hebben partijen in de Schuldbekentenis d.d. 29 april 2010 bewust bepaald dat alle kosten die zij moet maken om het geleende bedrag terug te krijgen, door de man zullen worden vergoed, mede om de man een financiële prikkel te geven om het geleende bedrag terug te betalen. Dit volgt reeds uit een taalkundige interpretatie van de overeenkomst. De kantonrechter is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden door de verplichting van de man zelfstandig uit te leggen. De vrouw stelt voorts, naar het hof begrijpt, dat zij gekozen heeft voor een advocaat die geen zaken op toevoeging behandelt en dat het haar vrij staat die keuze te maken en de meerkosten op de man te verhalen.

5. De man heeft de grief bestreden. Hij wijst er op, voor zover thans van belang, dat hij al in eerste aanleg verweer had gevoerd tegen de kostenvordering van de vrouw en voert in hoger beroep aan dat de betreffende clausule in de schuldbekentenis zich niet leent voor een zuiver taalkundige uitleg. Het hof overweegt als volgt.

Kosten van invordering van de geldlening

6. Uitleg van de overeenkomst dient te gescheiden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Deze maatstaf brengt mee dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Ook in dat geval blijft beslissend hetgeen partijen hebben bedoeld. De Haviltex maatstaf blijft ook van toepassing indien partijen op de tekst van de overeenkomst haaks op elkaar staande bedoelingen en verwachtingen baseren en geen van beide interpretaties aanstonds volstrekt onaannemelijk zijn. (Hoge Raad 13 november 2015 NJ 2015,467).

7. Door te toetsen de overeenkomst te toetsen aan de Haviltexmaatstaf is de rechter dus niet getreden buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. De rechter dient ambtshalve bij een beroep op een contractuele bepaling de daaruit voortvloeiende verbintenissen vast te stellen, en in het onderhavige geval geldt dit temeer nu de man bij conclusie van antwoord sub 29 al een beroep had gedaan op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de kern vormen van de Haviltex-norm, en die overigens ook rechtstreeks voortvloeien uit art. 6:2 BW.

8. De vrouw geeft nog aan dat de contractuele bepaling had moeten worden uitgelegd mede aan de hand van verklaringen en gedragingen van partijen (HR 12 januari 2001, LJN AA9340, Steinbusch/van Alphen). Zij laat echter na te stellen welke verklaringen en gedragingen van de man dan haar interpretatie van de bepaling ondersteunen. In zoverre helpt de verwijzing naar dat arrest de vrouw niet. Uit dat arrest volgt overigens opnieuw, zoals de vrouw in de toelichting op haar grief terecht erkent, dat redelijkheid en billijkheid bij de uitleg van een contractuele bepaling een rol spelen.

Financiële prikkel in de Schuldbekentenis

9. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat art. 6 van de Schuldbekentenis bedoeld was als financiële prikkel voor de man om behoorlijk na te komen. Deze stelling is niet nader onderbouwd en is moeilijk te rijmen met het feit dat de Schuldbekentenis van dezelfde datum is als het Samenlevingscontract en kennelijk in één zelfde sessie bij de notaris zijn ondertekend.

Vrijheid van keuze van rechtsbijstand

10. In het licht van het hiervoor al geciteerde art. 6:2 BW heeft de kantonrechter in het bestreden vonnis aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid terecht de verplichting voor de vrouw ontleend om de kosten zoveel mogelijk beperkt te houden. Dat laat onverlet dat het de vrouw vrij staat om zich te laten bijstaan door een advocaat die niet op basis van een toevoeging optreedt. In dat geval zijn volgens art. 6:96 leden 2 en 5 BW in beginsel voor vergoeding toewijsbaar de redelijke buitengerechtelijke kosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende Besluit, en de regels betreffende proceskosten als bedoeld in art. 237 Rv. Gelet op hetgeen het hof hierna zal overwegen in r.o. 28 leidt dit echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

11. De tweede grief ) klaagt erover dat de kantonrechter niet bevoegd was om te oordelen over een tegenvordering van de man, dat de vordering door de kantonrechter verkeerd is begroot en dat hij geen verrekening had mogen toepassen.

12. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van deze grief.

Kantonrechter niet bevoegd

13. Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg heeft de vrouw geen exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Dat brengt op grond van art. 128 Rv verval mee van haar bevoegdheid dit in hoger beroep alsnog te doen (HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2718, James Town/Dynamo Trust).

Begroting van de tegenvordering van de man

14 Volgens de vrouw betreft de tegenvordering van de man de kosten van de gemeenschappelijke huishouding als geregeld in het Samenlevingscontract van partijen d.d. 29 april 2010.

15. De man daarentegen stelt dat zijn tegenvordering betalingen betreft die niet worden bestreken door het Samenlevingscontract, omdat de feitelijke samenleving al voordien, te weten in november 2014, was geëindigd.

16. Het hof stelt vast dat de man de opzegging van het Samenlevingscontract per aangetekende brief d.d. 5 januari 2015 heeft erkend bij conclusie van antwoord, en ook, dat hij bij die gelegenheid heeft erkend nog over de maand januari 2015 bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding verschuldigd te zijn nu het Samenlevingscontract op grond van de opzegging eindigde op 5 februari 2015. De door de man verrichte betalingen worden derhalve bestreken door het Samenlevingscontract.

17. Uit art. 3.2 van het Samenlevingscontract volgt dat partijen zich hebben verplicht naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

18. De man heeft bij conclusie van antwoord gemotiveerd gesteld dat hij op grond van het Samenlevingscontract verplicht was een maandelijkse bijdrage te betalen ad EUR 651,77 per maand; hij zou meer, en dus teveel hebben betaald. Uit dien hoofde heeft hij zich beroepen op verrekening met hetgeen hij uit hoofde van de Schuldbekentenis aan de vrouw verschuldigd is.

19. Uit de stellingen van de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep volgt dat zij niet instemt met het bedrag dat de man als zijn maandelijkse voorbedoelde bijdrage noemt. Volgens het bestreden vonnis heeft zij haar betwisting echter onvoldoende gemotiveerd.

20. Bij memorie van grieven heeft de vrouw haar betwisting nader toegelicht en heeft zij alsnog berekeningen en specificaties overgelegd. De vrouw concludeert dat zij per saldo nog een bedrag van de man te ontvangen heeft, waaruit het hof begrijpt dat volgens de vrouw er niets voor de man te verrekenen viel. Tenslotte heeft de vrouw gesteld dat de man op grond van art. 6:136 BW geen beroep op verrekening toekomt omdat zijn vordering op de vrouw niet eenvoudig valt vast te stellen.

21. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde processtukken niet waar de man zijn stelling over de omvang van de door hem verschuldigde maandelijkse bijdrage op baseert. Uit de stellingen van partijen en de ter ondersteuning overgelegde bescheiden kan niet worden afgeleid welke kosten incidenteel dan wel structureel waren en hoe die kosten zich verhouden tot de kosten van de huishouding over de periode van de samenwoning, en evenmin, in hoeverre sprake was van privé uitgaven van één van partijen ten laste van de gemeenschappelijke rekening. De omvang van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding kan derhalve niet worden vastgesteld. Dit geldt ook voor de relatieve inkomensverhoudingen, waar partijen geen stellingen over hebben ingenomen en ook geen verificatoire bescheiden over hebben overgelegd. Het hof komt dan ook niet toe aan de vaststelling van de bedragen die de man verschuldigd was op grond van het Samenlevingscontract en daarmee ook niet aan de vaststelling van hetgeen de man te veel of, als de vrouw in haar stellingen wordt gevolgd, te weinig heeft betaald.

Beroep op verrekening door de man

22. Nu het hof niet kan vaststellen of de man een vordering heeft op de vrouw wegens teveel betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding, doet de vrouw terecht een beroep op art. 6:136 BW. Het hof zal het beroep van de man op verrekening derhalve afwijzen.

23. In haar derde grief klaagt de vrouw dat de kantonrechter ambtshalve de griffier heeft opgedragen een hoger tarief voor griffierechten in rekening te brengen dan het tarief voor onvermogenden.

24. De man heeft de grief bestreden.

Griffierecht

25. Gelet op hetgeen het hof hierna in r.o. 28 overweegt over de proceskosten komt het hof niet aan bespreking van deze grief toe. Immers, in zoverre als het griffierecht gedragen moet worden door de vrouw regardeert die kwestie de man niet en kan het hof terzake niet beslissen.

26. In haar vierde grief klaagt de vrouw dat de kantonrechter haar heeft veroordeeld in de proceskosten in conventie omdat zij overwegend in het ongelijk is gesteld.

27. De man heeft tegen deze grief ingebracht dat bij een deugdelijke berekening van hetgeen de vrouw in eerste aanleg had gevorderd en hetgeen zij toegewezen heeft gekregen, blijkt dat meer is afgewezen in het bestreden vonnis dan was gevorderd.

Proceskosten

28. Het hof overweegt als volgt. Het conflict tussen partijen betreft de nakoming van een leningsovereenkomst als vervat in de Schuldbekentenis van 29 april 2010. Aangezien de man ten onrechte een beroep heeft gedaan op verrekening is hij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de termen van de Schuldbekentenis. Omgekeerd is de vrouw toerekenbaar tekort geschoten in de op haar rustende verplichting om de kosten van invordering beperkt te houden. Het hof ziet hierin aanleiding, mede gelet op het feit dat het geschil voortvloeit uit de samenwoning van partijen op grond van een affectieve relatie en de verbreking ervan, om de proceskosten te compenseren als hierna te bepalen.

Nakosten

29. De vijfde en laatste grief van de vrouw betreft het oordeel van de kantonrechter, dat nakosten niet voor toewijzing vatbaar zijn nu de wet daarvoor in een bijzondere rechtsgang voorziet. Het hof komt aan bespreking van deze grief niet meer toe, in verband met de compensatie van proceskosten als hiervoor in r.o. 28 bepaald.

Vermeerdering van eis van de vrouw

30. Uit het voorgaande onder r.o. 11 en 28 vloeit ook voort dat het hof niet meer toekomt aan de vermeerdering van eis van de vrouw, nu die vermeerdering betrekking heeft op meerkosten voor de invordering van de geldlening ten laste van de man.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 29 oktober 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Dordrecht voor zover het de veroordelingen in conventie betreft, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van EUR 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2015 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt in conventie in beide instanties;

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, O.I.M. Ydema en D. Wachter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.