Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2562

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
200.215.885/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door appellanten is in hoger beroep alsnog een correcte verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, Fw overgelegd. Het hof acht appellanten dan ook ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Niet gebleken van beletselen die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.885/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/529720 / FT RK 17/627 / FT RK 17/628

arrest van 5 september 2017

inzake

1. [naam 1] ,

2. [naam 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] , respectievelijk [appellante] , en tezamen: [appellanten] ,

advocaat: mr. O.P. Kuit te Waddinxveen.

Het geding

Bij aangevuld verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 17 mei 2017, hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2017, waarbij zij niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zij verzoeken het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij V-formulier van 26 juni 2017 is het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg aan het hof toegezonden en op 28 augustus 2017 zijn per fax aanvullende gronden van het hoger beroep aan het hof toegezonden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2017. Verschenen zijn: [appellanten] , bijgestaan door hun advocaat.

Ter zitting van het hof heeft mr. Kuit nog een tweetal producties overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellanten] hebben op 29 maart 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 41.684,41.

2. De rechtbank heeft [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat een (correcte) verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, aanhef en onder f, Fw ontbreekt, nu de verklaring is afgegeven door Westerbeek C.O.D. B.V. van wie niet is gebleken dat zij, zoals de wet vereist, een rechtspersoon is aan wie de bevoegdheid daartoe geldig is en kon worden gemandateerd en ook niet een persoon is als bedoeld in artikel 48 lid 1, onder c, Wet op het Consumenten Krediet (Wck).

3. De grieven en argumenten van [appellanten] kunnen als volgt worden samengevat.

Bij aanvullend beroepschrift hebben [appellanten] de primaire grond, die zich richtte tegen het oordeel van de rechtbank dat de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, Fw ontbrak, verlaten.

[appellanten] handhaven hun subsidiaire grond voor het hoger beroep. Hun advocaat, een bevoegd persoon in de zin van artikel 48 lid 1, onder c, Wck, heeft alle schuldeisers (opnieuw) aangeschreven met een hernieuwd voorstel tot een schuldeisersakkoord. Van de zes schuldeisers hebben twee schuldeisers ingestemd met het akkoord, twee schuldeisers hebben het akkoord afgewezen en twee schuldeisers hebben niet gereageerd. Derhalve is geen schuldeisersakkoord tot stand gekomen. Daarop heeft mr. Kuit de artikel 285 lid 1, onder f, Fw verklaring opgesteld en afgegeven.

Ten aanzien van de schulden hebben [appellanten] aangevoerd dat een groot gedeelte van de schulden reeds voor 2007 is ontstaan. Voor de schulden die binnen de vijfjaarstermijn zijn ontstaan geldt dat deze te goeder trouw zijn ontstaan. [appellanten] hadden destijds allebei een baan en konden de schulden aflossen. Aan deze stabiele situatie kwam echter een eind toen in 2016 zowel de werkgever van [appellant] als de werkgever van [appellante] failleerde.

4. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of [appellanten] ontvankelijk zijn in hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat mr. Kuit, hangende het geding in hoger beroep, een nieuwe poging heeft gedaan om met de schuldeisers van [appellanten] tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Gebleken is dat niet alle schuldeisers met het aanbod hebben ingestemd en derhalve geen schuldeisersakkoord tot stand is gekomen. Daarop heeft mr. Kuit een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, Fw afgegeven. Mr. Kuit is als advocaat een persoon als bedoeld in artikel 48 lid 1, onder c, Fw en derhalve bevoegd om een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, Fw af te geven (Hoge Raad 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8056). Aldus is door [appellanten] in hoger beroep alsnog een correcte verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1, onder f, Fw overgelegd. Het hof acht [appellanten] dan ook ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

5. Het hof dient voorts te bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellanten] te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

6. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellanten] te goeder trouw zijn in bovenbedoelde zin. Uit de overgelegde stukken, waaronder de schuldenlijst, blijkt dat een groot gedeelte van de schulden langer dan vijf jaar geleden is ontstaan. Voor de twee schulden die binnen de vijfjaarstermijn zijn ontstaan geldt dat voldoende aannemelijk is dat deze te goeder trouw zijn ontstaan.

7. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat [appellanten] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [appellanten] hebben zich ter zitting gemotiveerd getoond hun schuldenproblematiek op te lossen. [appellante] solliciteert naar een baan en [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij beseft dat ook voor hem als uitgangspunt een stipt na te komen sollicitatieplicht geldt en dat een eventuele ontheffing van de sollicitatieverplichting in het kader van zijn uitkering hem niet ontslaat van de sollicitatieverplichting in het kader van de schuldsaneringsregeling omdat een dergelijke vrijstelling niet tot gevolg heeft dat hij ook in het kader van de schuldsaneringsregeling is ontheven van de verplichting arbeid te verrichten en zich in te spannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

8. Nu niet gebleken is van beletselen die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2017;

en opnieuw rechtdoende:

- verklaart [appellanten] ontvankelijk in hun verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellanten] uit;

- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Dijk, J.M. van der Klooster en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door mr. J.M. van der Klooster.