Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2561

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
200.199.516/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:728, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten. Onverschuldigde betaling. Arrest van het hof vernietigd door Hoge Raad en verwezen ter verdere behandeling. Vordering tot terugbetaling van de op grond van het arrest van het hof betaalde proceskosten. Staat met de vernietiging vast dat deze proceskosten onverschuldigd voldaan zijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.199.516/01

Rolnummer rechtbank: 4921525 RL EXPL 16-8410

arrest d.d. 27 juni 2017

inzake

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel, verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de dochter,

advocaat: mr. K. Aantjes te Rijswijk,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R. van Noord te Ridderkerk

Het geding

Bij dagvaarding van 15 september 2016 is de dochter in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 8 augustus 2016, tussen de dochter als eiseres en de moeder als gedaagde gewezen.

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de kantonrechter daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De dochter heeft in de dagvaarding één grief geformuleerd. Zij heeft vervolgens een conclusie van eis in hoger beroep genomen.

Bij memorie van antwoord heeft de moeder de grief weersproken, tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld.

De dochter heeft een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen.

Op verzoek van de dochter is arrest bepaald. Zij heeft haar procesdossier overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. De dochter heeft gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de moeder alsnog veroordeelt tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de dochter te voldoen de som van € 3.377,07, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2014, tot aan de dag der algehele voldoening, alles met veroordeling van de moeder in de kosten van beide instanties.

3. De moeder heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis voor zover aan zijn oordeel onderworpen vernietigt en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de dochter niet ontvankelijk verklaart dan wel alsnog de grieven van de dochter afwijst door het bestreden vonnis, behalve gedeeltelijk ten aanzien van § 4.5 te bekrachtigen;

te bepalen, dat de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 27 maart 2013 afwijzend heeft beslist ten aanzien van de gegrondheid van het door de dochter ten laste van de moeder gelegde beslag;

alles met veroordeling van de dochter in de kosten van alle instanties.

Principaal appel

4. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de dochter, die strekte tot veroordeling van de moeder tot betaling van bedragen aan de dochter, die deze op grond van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 29 april 2014 aan de moeder had voldaan, afgewezen. In hoger beroep ligt – kort gezegd – opnieuw de vraag voor of, nu genoemd arrest van dit hof door de Hoge Raad bij arrest van 15 januari 2016 is vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar het gerechtshof Amsterdam, de door de dochter op grond van dat arrest betaalde bedragen als onverschuldigd van de moeder kunnen worden teruggevorderd.

5. De dochter voert aan dat door de vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 29 april 2014 de daarbij uitgesproken kostenveroordeling – ten bedrage van € 2.314,- zonder meer van de baan is. Dat is zelfs het geval als het hof Amsterdam na verwijzing de dochter opnieuw in de kosten zou veroordelen. Door het feit dat het arrest van het hof onherroepelijk is vernietigd, is de rechtsgrond aan de betalingen die de dochter naar aanleiding van de uitspraak aan de moeder heeft moeten voldoen, onherroepelijk komen te ontvallen, waarmee die betaling onverschuldigd is verricht. De verwijzingsrechter zal de zaak opnieuw hebben te beoordelen in de stand waarin het geding zich bevond op het moment dat door het hof uitspraak werd gedaan en als ware die uitspraak niet gedaan, uiteraard met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Dat door de dochter geen cassatiemiddel is gericht tegen de kostenveroordeling, is niet relevant, aldus de dochter.

6. De moeder betoogt – zo begrijpt het hof – dat de dochter niet ontvankelijk is in haar hoger beroep, nu de Hoge Raad het van deze procedure losstaande geschil voor verdere behandeling en beslissing naar het hof Amsterdam heeft verwezen. De dochter komt met stellingen over het arrest van hof Den Haag van 29 april 2014 en over de verwijzingsrechter van het hof Amsterdam, die op grond van het burgerlijk procesrecht bij dit hof in de onderhavige procedure niet aan de orde zijn. De dochter had incidenteel appel in dienen te stellen in de procedure die leidde tot de beslissing in het arrest van 29 april 2014.

De moeder voert verder aan dat het hof Amsterdam, als de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort zet, en de dochter in de onderhavige procedure geen belang heeft, omdat het hof Amsterdam nog geen uitspraak heeft gedaan.

7. Het hof overweegt als volgt. De dochter legt aan haar vordering ten grondslag dat door haar onverschuldigd betalingen zijn gedaan op grond van rechterlijke uitspraken. De partij die aan een vonnis of arrest door betaling heeft voldaan verkrijgt, na de vernietiging van dat vonnis of dat arrest – mogelijk - een vordering uit onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 6 :203 Burgerlijk Wetboek (BW). Ook al betreft de vordering van de dochter een betaling ter zake een proceskostenveroordeling in een andere procedure die nog niet geëindigd is, de door de dochter gestelde grondslag voor haar vordering is een zelfstandige. Zij is derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep.

8. Het hof is voorts van oordeel dat het betoog van de dochter dat de uitspraak van het hof Den Haag “van de baan” is en onherroepelijk is vernietigd, niet juist is. Ingevolge artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zet de rechter, naar wie het geding is verwezen, i.c. het hof Amsterdam, de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De procedure na cassatie en verwijzing is geen zelfstandige instantie met een eigen inzet en procesgang, maar vormt de voortzetting van de instantie die voorafging aan het cassatiegeding. Ook al vernietigt de Hoge Raad in het dictum van zijn arrest de bestreden uitspraak zonder enige beperking, dan mag daaruit niet worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield is vernietigd; het is aan het hof Amsterdam, aan de hand van het door de Hoge Raad overwogene en besliste, te beoordelen welke onderdelen van de vernietigde uitspraak in cassatie niet of tevergeefs bestreden zijn en derhalve onaantastbaar zijn geworden. De proceskostenveroordeling is een beslissing die voortbouwt op, althans onverbrekelijk samenhangt met de vernietigde beslissing. Ten aanzien van een dergelijk voortbouwende beslissing geldt dat de rechter na verwijzing hieraan niet is gebonden. De vernietiging van de beslissing ten aanzien van de proceskosten is eerst definitief indien het hof Amsterdam tot deze beslissing komt. Indien de kwestie waarop de vernietigde beslissing betrekking had na verwijzing weer in dezelfde zin kan worden beslist als vóór cassatie, dan is de vernietiging van de proceskostenveroordeling slechts een voorwaardelijke. In het geval de rechter na verwijzing de kwestie weer in dezelfde zin beslist als de rechter vóór cassatie, herleeft de voortbouwende beslissing. Uit het voorgaande volgt dat in het arrest van de Hoge Raad, waarbij de vernietiging en verwijzing is uitgesproken, geen definitieve beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling besloten ligt.

De grief van de dochter faalt.

Incidenteel appel

9. Het hof begrijpt dat de moeder met haar vordering tot bepaling dat de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 27 maart 2013 afwijzend heeft beslist ten aanzien van de gegrondheid van het door de dochter ten laste van de moeder gelegde beslag een zelfstandige vordering in incidenteel appel instelt. Wat er zij van de strekking van deze vordering, het is niet mogelijk in hoger beroep alsnog een eis in reconventie in te stellen.

De moeder vordert overigens het bestreden vonnis behalve gedeeltelijk t.a.v. § 4.5 te bekrachtigen. De moeder betoogt dat – anders dan de kantonrechter heeft overwogen – de rechtbank Den Haag in haar vonnis van 27 maart 2013 wel een beslissing heeft genomen ten aanzien van de gegrondheid van het door de dochter gelegde beslag.

Het hof stelt vast dat de grief van de moeder op dit punt niet kan leiden tot een ander dictum in het bestreden vonnis, nu in dit dictum van dit vonnis (ook) het door de dochter gevorderde bedrag ter zake de beslagkosten van € 181,50 is afgewezen. De moeder heeft derhalve geen belang bij haar grief en het incidenteel appel wordt verworpen.

Proceskosten

10. Nu zowel het principaal als het incidenteel appel worden verworpen, zullen de proceskosten in hoger beroep tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Het hof ziet geen aanleiding de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling ten laste van de dochter te vernietigen.

Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, P.B. Kamminga en J.M. van Baardewijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.