Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2560

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
200.182.140/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Pensioen. Toepasselijk Duits recht. Versorgungsausgleich. Zugewinngemeinschaft. Zijn partijen in 1992 verrekening van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten overeengekomen? Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/32.66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.182.140/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/479086/ HA ZA 14/1368

arrest van 20 juni 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Choufoer-van der Wel te Den Haag,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag en mr. F.J. van der Schier

Het geding

Bij exploot van 10 december 2015 is de man in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 16 september 2015 en 11 november 2015 tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

De man heeft bij memorie van grieven een aantal grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden. Tevens heeft zij (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld.

De man heeft bij memorie van antwoord gereageerd op het incidentele en het voorwaardelijke incidentele appel van de vrouw.

Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in de bestreden vonnissen zijn vastgesteld.

Vonnis van de rechtbank van 11 november 2015

2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 11 november 2015 het navolgende beslist:

3.2

verklaart voor recht dat de vrouw met ingang van 17 juni 2002 – zolang beide partijen in leven zijn – aanspraak heeft op een deel van het ouderdomspensioen dat de man bij het ABP of haar eventuele rechtsopvolgers heeft opgebouwd, berekend en afgeleid van de duur van het huwelijk tussen partijen, en dat dit aan de vrouw toekomende bedrag (op dezelfde voet als het aan de man toekomende deel van zijn ouderdomspensioen) jaarlijks dient te worden geïndexeerd conform de pensioenregelingen van de man bij het ABP of haar eventuele rechtsopvolgers;

3.3

verklaart voor recht dat de vrouw – zolang zij in leven is – bij vooroverlijden van de man aanspraak heeft op een deel van het weduwenpensioen, evenzeer berekend en afgeleid van de duur van het huwelijk tussen partijen;

3.4.

veroordeelt de man om aan de vrouw te voldoen (over de periode vanaf april 2011 tot en met mei 2015) het achterstallige bedrag aan ouderdomspensioen van € 6.704,96 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 september 2013 tot de dag der algehele voldoening;

3.5

veroordeelt de man om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis de voormelde machtiging aan het ABP te ondertekenen en aan de vrouw te doen toekomen (opdat zij deze aan het ABP kan toesturen), en bepaalt dat, bij het in gebreke blijven van de man, dit vonnis de door de man aan het ABP te verstrekken machtiging vervangt;

3.6

veroordeelt de man om met ingang van 1 juni 2015 – zolang beide partijen in leven zijn, doch uiterlijk tot het moment dat het ABP het aan de vrouw toekomende deel van het ouderdomspensioen rechtstreeks aan haar zal uitkeren – iedere maand aan de vrouw te voldoen het 1/12 deel van het geïndexeerde ouderdomspensioen per jaar van de man dat aan de vrouw toekomt, zulks telkens op de bankrekening van de vrouw met nummer [nummer] , te vermeerderen met de wettelijke rente over elk bedrag dat niet tijdig conform deze regeling aan de vrouw is voldaan;

3.7

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

3.8

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.9

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

De vordering van de man

3. Bij memorie van grieven heeft de man zijn vordering geformuleerd. De man vordert – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende:

  1. Het vonnis in verzet van de rechtbank Den Haag op 16 september 2015 tussen partijen gewezen te vernietigen;

  2. Het vonnis in verzet van de rechtbank Den Haag op 11 november 2015 tussen partijen gewezen te vernietigen, en in beide gevallen,

  3. Opnieuw rechtdoende, de in eerste aanleg toegewezen vordering(en) van de vrouw alsnog af te wijzen, althans in die zin dat tevens de oorspronkelijk (gewijzigde) eisen van de vrouw alsnog en in zijn geheel worden afgewezen;

  4. De vrouw te veroordelen om al hetgeen uit hoofde van voormelde vonnissen inmiddels aan haar is voldaan, terug te betalen aan appellant te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van voldoening één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest;

  5. De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn

een en ander, voor zover mogelijk en de wet zulks toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

De vordering van de vrouw en de door haar gekozen grondslag

Dagvaarding in eerste aanleg

4. In de dagvaarding in eerste aanleg stelt de vrouw dat zij met de man in de wettelijke gemeenschap van goederen was getrouwd, welk huwelijk op 24 januari 1990 door echtscheiding is geëindigd.

5. Zij stelt op blz. 3 van haar dagvaarding in eerste aanleg: “Ter zitting van het Gerechtshof s` Gravenhage van 29 september 1992 zijn partijen een regeling overeengekomen die mede de afspraak omvat dat:

a) [de vrouw] te zijner tijd aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna ook te noemen “ABP”) opgebouwd ouderdomspensioen, waarbij de omvang van het deel zal zijn afgeleid van de huwelijksduur,

b) ingeval van vooroverlijden van [de man] [de vrouw] aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het ABP opgebouwd weduwenpensioen, waarbij de omvang zal zijn afgeleid van de huwelijksduur.

6. Bij exploot van 22 januari 2014 heeft de vrouw haar eis vermeerderd. De grondslag van haar vordering bleef de afspraak die ter zitting van het Gerechtshof `s Gravenhage op 29 september 1992 is gemaakt met betrekking tot het pensioen van de man.

7. In de akte overleggen nadere productie tevens akte eisvermeerdering van 22 mei 2015 stelt de vrouw dat zij op basis van het Zugewinngemeinschaft aanspraak heeft op een deel van het pensioen van de man. Voorts verwijst de vrouw nogmaals naar de afspraken de op 29 september 1992 tussen partijen tijdens de comparitie zijn gemaakt.

Memorie van antwoord alsmede (voorwaardelijk) incidenteel appel.

8. In randnummer 4.1.1 van de memorie van antwoord alsmede (voorwaardelijk) incidenteel appel stelt de vrouw:” Voor het geval uw gerechtshof tot het oordeel komt dat de man de litigieuze pensioenaanspraak van de vrouw niet (stilzwijgend) erkend heeft door in de periode van juni 2002 tot en met maart 2006 betalingen aan de vrouw te doen ter zake van het pensioen, stelt de vrouw voorwaardelijk incidenteel appel in tegen het oordeel van de rechtbank Den Haag in rechtsoverweging 4.3 van het vonnis van 16 september 2015 dat er niet van uitgegaan kan worden dat partijen tijdens de comparitie van partijen van 29 september 1992 hebben afgesproken dat de vrouw aandeel in het tijdens het huwelijk opgebouwde deel van het door de man opgebouwde ouderdoms- en weduwenpensioen had, alsmede dat, gezien de daarin aan de vrouw gegeven adviezen, ook uit de in rechtsoverweging 2.6 en 2.7 van dat vonnis genoemde brieven van de advocaat van de vrouw moet worden afgeleid dat zij onzeker was of deze aanspraak daadwerkelijk was gemaakt. Er zijn namelijk wel degelijk tijdens de comparitie van partijen van 29 september 1992 afspraken gemaakt ter zake van de pensioenaanspraak van de vrouw op een deel van het ouderdoms- en weduwenpensioen dat de man bij het ABP opgebouwd heeft.”.

9. In randnummer 4.2.6 van de memorie van antwoord alsmede (voorwaardelijk) incidenteel appel (wijziging grondslagen vordering) stelt de vrouw dat zij ook naar Nederlands recht aanspraak op de helft van het ouderdoms- en weduwepensioen heeft dat de man tijdens het huwelijk heeft opgebouwd.

10. In randnummer 5.1.3 van de memorie van antwoord alsmede (voorwaardelijk) incidenteel appel (incidenteel appel) stelt de vrouw dat zij ten tijde van de sommatiedagvaarding met betrekking tot haar vordering op de man nog vijf jaar terug kon gaan. Het hof begrijpt dat de vrouw aanspraak maakt op de pensioentermijnen vanaf september 2008.

11. In randnummer 5.1.5 van de memorie van antwoord alsmede (voorwaardelijk) incidenteel appel stelt de vrouw: “Tussen de vrouw en de man is overeengekomen, subsidiair is tussen de man en de vrouw stilzwijgend overeengekomen, dat de man aan de vrouw vanaf zijn pensioengerechtigde leeftijd maandelijks aan de vrouw dient te voldoen 1/12 deel van het geïndexeerde ouderdomspensioen per jaar”.

Huwelijksvermogensrecht en pensioenrechten

12. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het Duitse recht (Bondsrepubliek Duitsland) van toepassing is en dat op grond daarvan het stelsel van de Zugewinngemeinschaft hun huwelijksvermogensregime beheerst. Het Haags Huwelijksgevolgenverdrag is van toepassing. Partijen zijn [in] 1965 gehuwd en Duitsland is evenals Nederland tot 23 augustus 1977 Verdragsstaat. De conflictregels van dit Verdrag verwijzen naar het Duitse recht. Op grond van Hoge Raad 29 maart 1981 (NJ. 1981,335 Haagse Italianen) is de conflictregel van Chelouche/Van Leer niet van toepassing. Het huwelijk van partijen valt binnen het formele toepassingsgebied van het Verdrag van 1905.

Het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht beheerst ook de vraag of de vrouw recht heeft op een gedeelte van de door de man opgebouwde pensioenrechten (vgl. art.10:51 BW).De Wet verevening pensioenrechten kan alleen al daarom niet van toepassing zijn omdat die wet eerst op 1 mei 1995 – derhalve na de ontbinding van het huwelijk van partijen op 24 januari 1990 – in werking is getreden.

Naar Duits recht hebben echtgenoten bij echtscheiding in beginsel recht op de zogeheten Versorgungsausgleich. De Versorgungsausgleichgesetz van 4 april 2009 is eerst op 1 september 2009 in werking getreden (BGBI.1S.700). Op grond van de overgangsbepalingen van deze wet (Par. 48 e.v.) moet aan de hand van het toepasselijke materiële recht de destijds bestaande Zugewinngemeinschaft van partijen worden nagegaan of en zo ja welke Versorgungsausgleich van toepassing is.

Kern van het geschil

13. De kern van het tussen partijen bestaande geschil is, of de vrouw op grond van het toepasselijke huwelijksvermogensregime recht heeft op een Versorgungsausgleich en zo niet of partijen tijdens de comparitie van partijen op 29 september 1992 met elkaar een dienovereenkomstige overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de door de man tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten.

14. De vrouw heeft zelf gesteld dat partijen het navolgende met elkaar zijn overeengekomen:

a) [de vrouw] zal te zijner tijd aanspraak hebben op een deel van het door [de man] bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna ABP) opgebouwd ouderdomspensioen, waarbij de omvang van het deel zal zijn afgeleid van de huwelijksduur;

b) ingeval van vooroverlijden van [de man] zal [de vrouw] aanspraak hebben op een deel van het door [de man] bij het ABP opgebouwd weduwenpensioen, waarbij de omvang zal zijn afgeleid van de huwelijksduur;

Is er sprake van een stilzwijgende overeenkomst tussen de man en de vrouw?

15. In zijn eerste grief stelt de man in randnummer 14: “De grief richt zich op het niet bestaan van een door de rechtbank aangenomen stilzwijgende overeenkomst.”. Voorts stelt de man dat er op 29 september 1992 geen afspraken tussen partijen tot stand zijn gekomen met betrekking tot de verrekening van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

16. De man is van mening dat zijn gedrag na zijn pensionering niet tot de conclusie kan leiden dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen met betrekking tot de pensioenrechten van de man. Door de man is onder meer het navolgende aangevoerd:

  • -

    De man is niet direct betalingen gaan doen;

  • -

    De door hem verrichte betalingen zijn zeker niet alleen gedaan onder vermelding van de noemer pensioen;

  • -

    Uit de betaling kan niet worden afgeleid dat er levenslang wordt betaald;

  • -

    De door de man gedane betalingen zijn dan ook geen erkenning van enige betalingsverplichting;

  • -

    De man voelde zich onder druk gezet door de toenmalige advocaat van de vrouw (randnummer 37);

  • -

    De man kon de procedures geestelijk niet aan. Hij had onvoldoende geld om zelf een advocaat te betalen.

17. In het kader van haar verweer heeft de vrouw onder meer het navolgende naar voren gebracht:

  • -

    Uit het incidenteel appel volgt dat uit de brief van de raadsheer-commissaris
    mr. [naam] kan worden afgeleid dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten;

  • -

    De man heeft stilzwijgend ingestemd met de inhoud van de brief van de toenmalige advocaat van de vrouw op 22 augustus 2002, in het bijzonder met de mededeling dat ervan uitgegaan wordt dat de betaling van de man aan de vrouw van € 236,00 met de omschrijving maand juni, juli ziet op het deel van het ouderdomspensioen dat aan de vrouw toekomt;

  • -

    Dat de betalingen met tussenpozen zijn verricht, maakt evenmin dat geen sprake was van een erkend recht.

  • -

    Anders dan de man betoogt, was de inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken ter zake van het ouderdomspensioen en het weduwenpensioen duidelijk, althans had het duidelijk voor de man moeten zijn.

18. Het hof overweegt als volgt. [de vrouw] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat er op de comparitie van partijen van 29 september 1992 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen onder meer inhoudende:

a) [de vrouw] zal te zijner tijd aanspraak hebben op een deel van het door [de man] bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna ABP) opgebouwd ouderdomspensioen, waarbij de omvang van het deel zal zijn afgeleid van de huwelijksduur;

b) ingeval van vooroverlijden van [de man] zal [de vrouw] aanspraak hebben op een deel van het door [de man] bij het ABP opgebouwd weduwenpensioen, waarbij de omvang zal zijn afgeleid van de huwelijksduur.

19. De vrouw heeft niet gesteld dat er nadien door gedragingen van de man een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de door de man opgebouwde pensioenrechten.

20. In appel volgt de vrouw primair de overweging van de rechtbank (r.o. 4.4. van het vonnis van 16 september 2015) waarbij de rechtbank overweegt dat ervan uitgegaan moet worden dat partijen in 2002 alsnog stilzwijgend zijn overeengekomen dat de vrouw aanspraak kan maken op haar aandeel in het tijdens het huwelijk opgebouwde deel van het door de man opgebouwde ouderdoms- en weduwenpensioen. Subsidiair beroept zij zich op de tussen partijen gesloten overeenkomst op 29 september 1992 ter zake van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

21. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op basis van de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na 29 september 1992 niet vastgesteld kan worden dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen zoals de rechtbank heeft verwoord in rechtsoverweging 4.4 van het tussenvonnis van 16 september 2015. In het door de raadsheer-commissaris getekende proces-verbaal van 29 september 1992 wordt met geen woord gerept over pensioenaanspraken van de vrouw richting de man. Een redelijke uitleg van het proces-verbaal brengt met zich mede dat partijen een totale regeling hebben willen vaststellen. Partijen hebben ook een regeling getroffen met betrekking tot de alimentatie. Voorts volgt uit het proces-verbaal dat het voor beide partijen duidelijk was dat Duits recht op het huwelijksvermogensrecht van toepassing was. De brief van de raadsheer-commissaris mr. [naam] aan de beide advocaten is opmerkelijk, het is ongebruikelijk dat een rechter zich rechtstreeks wendt tot de beide advocaten, zulks is de taak van de griffier. Uit de brief van de raadsheer-commissaris mr. [naam] van 30 september 1992 volgt niet dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de pensioenrechten van de man. Deze brief is in ieder geval voor de advocaten van partijen geen aanleiding geweest om nog een nadere regeling te treffen met betrekking tot de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Het feit dat de man vanaf 2003 gedurende enige tijd aan de vrouw bedragen heeft overgeboekt is onvoldoende om daaruit af te leiden dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het hiervoor vermelde pensioen van de man. Laat staan dat kan worden vastgesteld wat die stilzwijgende afspraak dan ook daadwerkelijk inhoudt. Is het een kortstondige ondersteuning van de vrouw geweest? Heeft de man onder druk van de advocaat van de vrouw betaald? Als de afspraak van de vrouw met de man concreet was geweest met betrekking tot het pensioen, waarom start de vrouw eerst in 2013 een gerechtelijke procedure op? Bovendien baseert zij haar vordering op de overeenkomst van 29 september 1992. Uit het gedrag van de man kan niet worden vastgesteld dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de pensioenrechten die in de huwelijkse periode zijn opgebouwd, laat staan dat vastgesteld kan worden wat dan de inhoud is van die overeenkomst. De grief van de man treft dus doel.

22. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er op 29 september 1992 tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw in appel geen feiten gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden.

Bewijsaanbod

23. De vrouw heeft in eerste aanleg alsmede in appel een bewijsaanbod gedaan van haar stellingen. Gezien het tussen partijen gevoerde debat vindt het hof het bewijsaanbod van de vrouw in appel voldoende specifiek. Het hof zal de vrouw toelaten tot bewijs van haar stelling dat:

( i) zij op grond van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht, recht heeft op een deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten;

(ii) op 29 september 1992 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende:

a) dat [de vrouw] te zijner tijd aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna ABP) opgebouwd ouderdomspensioen, waarbij de omvang van het deel zal zijn afgeleid van de huwelijksduur,

b) dat ingeval van vooroverlijden van [de man] [de vrouw] aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het ABP opgebouwd weduwenpensioen, waarbij de omvang zal zijn afgeleid van de huwelijksduur.

Overige grieven

Om proceseconomische redenen bespreekt het hof thans de overige grieven in appel en (voorwaardelijk) incidenteel appel niet.

Beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het leveren van bewijs, door alle middelen rechtens onder meer door het horen van getuigen,

dat zij op grond van het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijke recht, recht heeft op een deel van de door de man opgebouwde pensioenrechten, alsmede

van haar stelling dat tussen partijen op 29 september 1992 een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudende:

a) dat [de vrouw] te zijner tijd aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna ABP) opgebouwd ouderdomspensioen, waarbij de omvang van het deel zal zijn afgeleid van de huwelijksduur,

b) dat ingeval van vooroverlijden van [de man] [de vrouw] aanspraak zal hebben op een deel van het door [de man] bij het ABP opgebouwd weduwenpensioen, waarbij de omvang zal zijn afgeleid van de huwelijksduur.

bepaalt dat als de vrouw zowel schriftelijk bewijs als getuigenbewijs wil leveren dat zij uiterlijk vier weken voor het alsdan te houden getuigenverhoor de schriftelijke bewijsmiddelen moet indienen;

verwijst de zaak naar de rol van 22 augustus 2017 voor uitlating bewijslevering, indien de vrouw bewijs door middel van getuigen wenst te leveren tevens opgave van de verhinderdata voor het te houden getuigenverhoor. De verhinderdata dienen op gegeven te worden tot en met maart 2018;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck en bij diens afwezigheid mr. D. Wachter of mr. A.N. Labohm;

bepaalt dat de vrouw 10 dagen voor het getuigenverhoor aan de griffier van dit hof alsmede aan de wederpartij opgave doet van de te horen getuigen;

bepaalt dat de vrouw de getuigen tijdig oproept voor het getuigenverhoor;

houdt iedere verdere behandeling aan;

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en D. Wachter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.