Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2526

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
200.196.566/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen aanhouding, waardoor politieagent letsel oploopt. Hoogte vergoeding voor immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0746

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.196.566/01

Zaaknummer rechtbank : 4589307/ CV EXPL 15-49068

arrest van 12 september 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. Chr.W.L. Veen te Edam,

tegen

de gezamenlijke erfgenamen van

[X] ,

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: de erfgenamen,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 27 juli 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, tussen appellant en wijlen [X] (hierna: [X] ) gewezen vonnis van 3 juni 2016. Tegen de erfgenamen is verstek verleend. Bij memorie van grieven (met een productie) heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het vonnis van 3 juni 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] was inspecteur van politie. Hij werkte bij de Nationale Politie, Eenheid Rotterdam. Op 6 februari 2013 vond een huiszoeking plaats in de woning van [X] in [woonplaats]. [appellant] was hierbij aanwezig. [X] verzette zich tegen zijn aanhouding. Hierbij is de duim van [appellant] uit de kom geraakt.

3. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd [X] te veroordelen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 8.250,00 aan immateriële schadevergoeding, met rente en kosten. Hieraan heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [X] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich te verzetten tegen zijn aanhouding, dat [appellant] als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen doordat zijn duim uit de kom is geraakt en dat [X] aansprakelijk is voor de (immateriële) schade die [appellant] daardoor lijdt.

4. [X] heeft de vordering betwist. Op 20 maart 2016 is [X] overleden. De erfgenamen hebben de procedure niet overeenkomstig artikel 225 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering doen schorsen. De procedure is op naam van [X] voortgezet.

5. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van [X] , die zijn vastgesteld op nihil. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld. [X] mag zich niet verzetten tegen een ambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn functie. Uit de stukken blijkt voldoende dat [X] dit wel heeft gedaan en dat daarbij de duim van [appellant] uit de kom is geraakt. [X] heeft hiermee onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld en dit is hem toe te rekenen. Het uitgangspunt is dat [X] de hierdoor geleden schade van [appellant] moet vergoeden. Met betrekking tot het bepalen van immateriële schadevergoeding heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid en hij heeft de bevoegdheid geen schadevergoeding toe te kennen als hij daartoe gronden aanwezig acht (HR 27 april 2001, NJ 2002/91). Het is onlosmakelijk verbonden aan het zijn van politieagent dat hij terechtkomt in situaties waarbij aanhouding en verzet daartegen aan de orde is. Een politieagent moet dit uit hoofde van zijn functie tot op zekere hoogte op de koop toe nemen. Dat die hoogte in deze zaak is overschreden, is onvoldoende gebleken. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat door [X] buitensporig geweld is gebruikt. De duim van [appellant] zat op enig moment klem onder de arm van [X] , waarna de duim uit de kom is geschoten. Dit moet als een (zeer) ongelukkige samenloop van omstandigheden worden beschouwd, in ieder geval niet als oogmerk van [X] . Het rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter geen toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade.

6. In hoger beroep neemt [appellant] met de kantonrechter tot uitgangspunt dat [X] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich te verzetten tegen zijn aanhouding, waarbij de duim van [appellant] uit de kom is geraakt. Met zijn grieven bestrijdt [appellant] de juistheid van de gronden waarop de kantonrechter niettemin is gekomen tot afwijzing van zijn vordering. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7. Vaststaat dat [X] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door zich te verzetten tegen zijn aanhouding, dat deze onrechtmatige daad hem kan worden toegerekend en dat [appellant] als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Op [X] is op grond van artikel 6:162 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de verplichting komen te rusten de als gevolg van zijn onrechtmatige verzet door [appellant] geleden schade aan hem te vergoeden. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat – immateriële schade – heeft [appellant] recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Daarbij is niet van belang of [X] al dan niet het oogmerk heeft gehad om [appellant] te verwonden en of door [X] al dan niet buitensporig geweld is gebruikt. Ook als sprake zou zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, staat dat er niet aan in de weg om, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid (aansprakelijkheid voor fysiek geweld) en van de schade (letselschade), de schade van [appellant] aan [X] als een gevolg van diens onrechtmatig handelen toe te rekenen. Evenmin kan aan het recht op vergoeding van immateriële schade afdoen dat [appellant] politieagent is. Het hof onderschrijft niet dat een politieagent uit hoofde van zijn functie tot op zekere hoogte op de koop toe moet nemen dat jegens hem bij de rechtmatige uitoefening van zijn functie geweld wordt gebruikt en dat hij eerst recht heeft op vergoeding van zijn als gevolg daarvan geleden (immateriële) schade als bepaalde grenzen zijn overschreden.

8. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de erfgenamen, als rechtsopvolgers onder algemene titel van [X] , jegens [appellant] gehouden zijn tot vergoeding van immateriële schade en dat er geen gronden zijn om deze vergoeding vast te stellen op nihil.

9. In de strafzaak tegen [X] is voor [appellant] als benadeelde partij aanspraak gemaakt op een bedrag van aanvankelijk € 600 en nadien € 1.500 tot vergoeding van zijn immateriële schade. Bij arrest van 10 februari 2015 heeft het hof Amsterdam deze vordering toegewezen. Tegen dit arrest is door [X] beroep in cassatie ingesteld. Doordat [X] vervolgens hangende het cassatieberoep is overleden, moet evenwel aangenomen worden dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging, met als gevolg dat ook de benadeelde partij van rechtswege niet-ontvankelijk is verklaard (HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1242). Dit betekent derhalve dat [appellant] niet beschikt over een rechterlijke titel voor zijn aanspraak op immateriële schadevergoeding.

10. Bij de vaststelling van de hoogte van de aan [appellant] toekomende vergoeding dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [appellant] . Tevens dient gelet te worden op in vergelijkbare gevallen toegewezen bedragen.

11. Het gaat om een naar het zich aanvankelijk liet aanzien eenvoudig letsel (duim uit de kom), waarvoor [appellant] evenwel moest worden geopereerd en waarvoor [appellant] verdere medische en fysiotherapeutische behandeling heeft ondergaan. Het letsel heeft geleid tot atrofie van de duimspieren en enig krachtverlies, zodanig dat sprake is van enige blijvende invaliditeit (6% van de duim). Ook thans is er nog sprake van zeurende pijn. Als gevolg van het letsel is [appellant] enige tijd arbeidsongeschikt geweest. Ook ondervindt hij, naar hij stelt doch door [X] onder overlegging van facebookpagina’s ten dele is betwist, beperkingen bij het schilderen van zijn huis en het verrichten van werkzaamheden in de tuin.

12. De gevolgen van het letsel in de door [appellant] als meest vergelijkbare zaak genoemde uitspraak (ANWB Smartengeldgids, nummer 730) acht het hof duidelijk ernstiger, nu het in die zaak ging om een langdurig niet meer kunnen gebruiken van de rechterhand en een blijvende invaliditeit van 5% van de gehele mens. In andere zaken waarvan de omstandigheden in verschillende opzichten min of meer vergelijkbaar waren, zijn veel lagere bedragen toegekend. Bij wijze van voorbeeld kan gewezen worden op rechtbank Den Haag 22 juli 2008, partketnr. 09/765175-08 (Smartengeldgidsnr. 1452), in welke zaak € 1.315 is toegewezen, en rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 april 2013, partketnr. 01-840898-11 (Smartengeldgidsnr. 1437), in welke zaak € 1.500 is toegewezen.

13. Met inachtneming van alle in deze zaak gebleken omstandigheden acht het hof een vergoeding van € 1.500 billijk, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. [appellant] heeft verder aanspraak op wettelijke rente over de hem toekomende schadevergoeding met ingang van 6 februari 2013, zodat de hierop betrekking hebbende vordering eveneens zal worden toegewezen.

14. De slotsom is dat de grieven slagen, het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen alsnog zullen worden toegewezen als hierna vermeld. Bij deze uitkomst past dat de erfgenamen worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Beslissing

Het hof

- vernietigt het vonnis van 3 juni 2016, waarvan hoger beroep;

en, opnieuw recht doende,

- veroordeelt de erfgenamen tot betaling aan [appellant] van € 1.500, te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschuldigde vanaf 6 februari 2013 tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt de erfgenamen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, begroot op € 317,16 voor verschotten en € 375 voor salaris gemachtigde, en in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden begroot op € 410,01 aan verschotten en € 632 voor salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, D.A. Schreuder en M.V. Ulrici en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.