Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2496

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
200.200.562
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is een arbeidsovereenkomst met de stichting Werkbij op grond van de Rijksbijdrageregeling Banenpools met de inwerkingtreding van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) in 1998 van rechtswege gewijzigd in een arbeidsovereenkomst met de gemeente?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1121

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.200.562/01

Zaaknummer rechtbank : 5047725 RP VERZ 16-50351

beschikking van 29 augustus 2017

inzake

1. Gemeente Den Haag,

zetelend te 's-Gravenhage,

2. Stichting Werkbij

gevestigd te 's-Gravenhage,

verzoeksters in het principaal beroep,

verweersters in het incidenteel beroep,

nader te noemen: de Gemeente en Werkbij, en gezamenlijk de Gemeente c.s.,

advocaat: mr. J.M.P. Blom te Lelystad,

tegen:

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal beroep,

verzoeker in het incidenteel beroep,

nader te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. M.J.M. Groen te Almere.

Het geding

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 oktober 2016, zijn de Gemeente c.s. in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Den Haag, van 7 juli 2016, gewezen tussen [verweerder] als verzoeker en de Gemeente c.s. als verweersters. In hun beroepschrift (met producties) hebben de Gemeente c.s. negen grieven tegen de beschikking van de kantonrechter aangevoerd. [verweerder] heeft een verweerschrift tevens incidenteel beroepschrift (met producties) ingediend, waarin hij de principale grieven heeft bestreden en van zijn kant twee incidentele grieven heeft aangevoerd. De Gemeente c.s. hebben de incidentele grieven bestreden bij verweerschrift in incidenteel beroep (met productie). Op 17 februari 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn door beide partijen nog nadere producties overgelegd, als vermeld in het proces-verbaal van deze zitting. Tenslotte hebben partijen het hof verzocht om een beschikking te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

  1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.6 van zijn beschikking vermelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen bezwaren zijn aangevoerd.

  2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1954, is in 1991 op basis van een Arbeidsovereenkomst Banenpool in dienst getreden van Werkbij op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na verkregen toestemming van het UWV heeft de Gemeente de arbeidsovereenkomst met [verweerder] per 1 juni 2016 opgezegd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [verweerder] als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) vanaf 1998 niet meer in dienst is bij Werkbij maar bij de Gemeente, zodat de arbeidsovereenkomst terecht is opgezegd door de Gemeente en niet door Werkbij, maar dat [verweerder] zich met succes beroept op zijn ontslagbescherming als lid van de ondernemingsraad. De kantonrechter heeft vervolgens de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Gemeente vernietigd, met veroordeling van Werkbij tot doorbetaling van loon tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd.

3. De Gemeente c.s. zijn in hoger beroep gekomen van – kort gezegd – de beslissing van de kantonrechter dat het beroep van [verweerder] op zijn ontslagbescherming als lid van de ondernemingsraad slaagt. [verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld van de beslissing van de kantonrechter dat hij vanaf 1998 niet meer in dienst is bij Werkbij maar bij de Gemeente.

4. Het hof zal eerst het incidenteel hoger beroep behandelen, nu dit de verste strekking heeft. De incidentele grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt hierover als volgt.

5. De kantonrechter heeft in zijn beschikking het volgende overwogen:

“Bij wie is [verweerder] in dienst?

5.1.

Vast staat dat [verweerder] op 1 december 1991 in dienst is getreden bij Werkbij op basis

van een ‘Arbeidsovereenkomst Banenpool’. In de overweging voorafgaand aan de

contractsbepalingen is bepaald dat het doel van de overeenkomst is [verweerder] via een

tewerkstellingsverhouding arbeid te laten verrichten bij inleners in de collectieve

sector. Er moet van worden uitgegaan dat Werkbij een banenpool is als bedoeld in de

Rijksbijdrageregeling banenpools.

5.2.

De Rijksbijdrageregeling banenpools, die te vinden is in Staatscourant 1990, nr.169,

bepaalt (artikel 1, onder d.) dat een banenpool is de stichting die krachtens een daartoe

strekkende samenwerkingsafspraak door één of meer gemeenten is opgericht dan wel

aangewezen om werklozen in dienst te nemen en ter beschikking te stellen aan

werkgevers in de collectieve sector. In artikel 4, lid 1 onder a. staat vervolgens: De

subsidie wordt verleend onder de voorwaarden, dat de gemeente er voor zorg draagt,

dat. a. de banenpool met de werkloze een arbeidsovereenkomst aangaat als bedoeld

in artikel 1637a Burgerlijk Wetboek, b. de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan

voor onbepaalde tijd, ingaande op het moment dat de banenpool de werkloze feitelijk

aan een inlener ter beschikking stelt; (...).

5.3.

Voor de kantonrechter is uitgangspunt dat Werkbij de stichting is die de Gemeente in het kader van de uitvoering van de Rijksbijdrageregeling banenpools heeft opgericht

of aangewezen en dat tussen [verweerder] en Werkbij een arbeidsovereenkomst tot stand is

gekomen ter uitvoering van artikel 4, lid 1 van de regeling.

5.4.

Na het aangaan van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Werkbij is in 1998 de Wet Inschakeling Werkzoekenden (hierna: WIW) in werking getreden. De WIW

bepaalt in artikel 24, onder het kopje ‘Overgang uit banenpool’ dat de

arbeidsovereenkomst met de banenpool, bedoeld in de Rijksbijdrageregeling

banenpools, zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkintreding van deze wet,

die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaat

en na die datum voortduren (het hof leest: voortbestaat), met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt aangemerkt als dienstbetrekking op grond van deze wet met een wekelijkse arbeidsduur, die gelijk is aan die met de banenpool was overeengekomen, (....).

5.5.

Met een ‘dienstbetrekking op grond van deze wet’ wordt volgens artikel 1, lid g. in

verbinding met artikel 4, lid 1 van de WIW bedoeld een dienstbetrekking met de

gemeente. Artikel 4, lid 1 van de WIW luidt namelijk: De gemeente kan ter uitvoering

van artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking aanbieden

krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van

het Burgerlijk Wetboek. Op deze arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 10

van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

5.6.

Uit bovengenoemde bepalingen van de WIW vloeit voort dat personen, die op de

datum van inwerkingtreding van de WIW in dienst waren bij een banenpool van

rechtswege in dienst kwamen bij de gemeente. In die zin greep de WIW, anders dan

[verweerder] heeft betoogd, in in de (civielrechtelijke) verhouding met werknemers met een

banenpool in de zin dat zij ‘overgingen uit de banenpool’ en in dienst kwamen bij de

gemeente. In het individuele geval van [verweerder] kwam hij op 1 januari 1998 in dienst

van de Gemeente en is hij dat sindsdien gebleven, ook toen de WIW in 2004 werd

ingetrokken.

5.7.

Dat Werkbij niettemin betrokken bleef bij het dienstverband van [verweerder] vloeit voort uit artikel 8, lid 1 WIW, waarin staat dat het Gemeentebestuur een rechtspersoon kan aanwijzen voor de uitvoering van taken in verband met dienstbetrekkingen, (...).

Daarmee is ook verklaarbaar dat Werkbij nog zichtbaar is op de salarisstroken van

[verweerder] en dat voor de opzegging van 10 maart 2016 het briefpapier van Werkbij is

gebruikt.

5.8.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het primaire verzoek van [verweerder] , mede op basis van hetgeen de Gemeente en Werkbij als verweer tegen dit onderdeel van het verzoek naar voren hebben gebracht, zal worden afgewezen. [verweerder] was sinds 1998 niet meer in dienst bij Werkbij en het was derhalve ook niet (meer) aan Werkbij om een

ontslagvergunning aan te vragen.”

6. Het hof verenigt zich met hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in r.o. 5.1 tot en met 5.5 van zijn beschikking. Anders dan de kantonrechter vervolgens heeft overwogen en beslist, is het hof echter van oordeel dat noch uit de wettekst van de WIW noch uit de parlementaire geschiedenis ervan, met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de invoering van de WIW tot gevolg heeft gehad dat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] met Werkbij per 1 januari 1998 is omgezet in een arbeidsovereenkomst van [verweerder] met de Gemeente. Het hof overweegt hierover het volgende.

7. Dat krachtens artikel 24 WIW de arbeidsovereenkomst met de banenpool met ingang van de inwerkingtreding van de WIW wordt aangemerkt als een dienstbetrekking op grond van de WIW, en dat onder het begrip “dienstbetrekking” in de WIW wordt verstaan: een dienstbetrekking met de gemeente, betekent nog niet noodzakelijkerwijs dat de wetgever met artikel 24 WIW heeft beoogd om de reeds bestaande arbeidsovereenkomsten met een banenpool als werkgever te wijzigen, in die zin dat vanaf de inwerkingtreding van de WIW in plaats van de banenpool voortaan de gemeente de (formele) werkgever is. Weliswaar lijkt de toevoeging “met een wekelijkse arbeidsduur, die gelijk is aan die met de banenpool was overeengekomen” te duiden op een wijziging van de arbeidsovereenkomst, maar het hof acht dit niet doorslaggevend nu artikel 24 WIW ook spreekt van “De arbeidsovereenkomst met de banenpool (…) die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaat en na die datum voortbestaat”. Gelet op de rechtszekerheid voor de betrokken werknemers die in dienst zijn van een banenpool, had het voor de hand gelegen dat een eventuele overgang van het werkgeverschap van de banenpool naar de gemeente expliciet in de wet zou zijn vermeld. Hiervan is echter geen sprake.

8. Ook uit de parlementaire geschiedenis kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd met betrekking tot reeds bestaande arbeidsovereenkomsten met banenpools een van rechtswege wijziging in het werkgeverschap te doen plaatsvinden. In de Memorie van Toelichting is vermeld dat de wetgever met de invoering van (onder andere) de WIW beoogde de regelgeving rond de gesubsidieerde arbeid te stroomlijnen. Voorts is in de Memorie van Toelichting vermeld:
“2.4. Inrichting van de uitvoeringsorganisatie door gemeenten
(…) Voor de bestaande banenpoolstichtingen en JWG-organisaties heeft de totstandkoming van de Wiw geen bijzondere consequenties. Deze organisaties kunnen door een gemeente worden aangewezen als de uitvoerings-organisatie bedoeld in artikel 8 van de wet.
(…)
Ongeacht de uitvoeringsstructuur die wordt gekozen, is de gemeente de werkgever voor de Wiw-werknemer, dat wil zeggen dat een arbeidsovereenkomst op grond van onderhavige wet wordt afgesloten tussen de gemeente en de Wiw-werknemer. Dit sluit echter niet uit dat de gemeente de uitvoeringsorganisatie kan machtigen om namens haar een dienstbetrekking aan te gaan.”
6. De dienstbetrekking voor detacheringsplaatsen

6.1.

Inleiding

(…)

De Wiw-werknemer heeft een arbeidsverhouding met de gemeente. De dienstbetrekking wordt dan ook aangegaan met de gemeente, hetgeen de rechtszekerheid van de Wiw-werknemer optimaal waarborgt. Indien de gemeente een rechtspersoon heeft aangewezen om de wet uit te voeren, kan deze namens de gemeente een arbeidsovereenkomst afsluiten voor zover de uitvoeringsorganisatie daartoe door de gemeente is gemachtigd.

De arbeidsovereenkomst die in het kader van de Wiw-dienstbetrekking wordt afgesloten is een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in casu titel 7A van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek (BW).”
9. De effecten van het wetsvoorstel

Effecten voor werknemers

(…) De Wiw is primair van belang voor de doelgroep die het betreft, te weten langdurig werklozen en werkloze jongeren.

Voor een aanzienlijk deel van de populatie brengt deze wet een verruiming van mogelijkheden met zich mee. Zo kunnen banenpoolers anders dan nu het geval is onder het Wiw-regime in de marktsector worden geplaatst en kan hun beloning na twee jaar dienstverband oplopen tot 120% van het wettelijk minimumloonniveau. Voor een deel van de werknemers krijgt het werk een structureler karakter dat in de arbeidsvoorwaarden tot uitdrukking komt. Aan de andere kant wordt ook een breder instrumentarium geboden om de uitstroom naar regulier werk te bevorderen.”


“Artikel 1. Begripsbepalingen

Wanneer in deze wet wordt gesproken over de dienstbetrekking, dan wordt daarmee de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente bedoeld. De persoon met wie de gemeente de arbeidsovereenkomst sluit is werknemer in de zin van deze wet (onderdelen g en h).”

“Artikel 4. De dienstbetrekking

De dienstbetrekking op grond van deze wet is een arbeidsovereenkomst met de gemeente naar burgerlijk recht, dat wil zeggen de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In verband met artikel 1637z van Boek 7a van het BW is in het eerste lid bepaald, dat titel 7A van Boek 7a (en in de toekomst titel 7.10) van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is op deze arbeidsovereenkomst met de gemeente.”

“Artikel 8. Aanwijzing rechtspersoon voor uitvoering

Dit artikel regelt de mogelijkheid voor de uitvoering van deze wet een rechtspersoon aan te wijzen. (…) Er is niet geregeld, dat aan die rechtspersoon bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd. Met delegatie zou de gemeente zich aan de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze wet kunnen onttrekken en zou de gemeente hierop ook moeilijk kunnen worden aangesproken. Dit sluit niet uit, dat het gemeentebestuur de door haar aangewezen rechtspersoon wel kan machtigen om namens haar een dienstbetrekking aan te gaan of om namens haar te handelen in zaken de arbeidsovereenkomst met de gemeente betreffende. Belangrijk is, dat de gemeenten verantwoordelijk blijven voor de uitvoering van de wet, waaronder de arbeidsvoorwaarden, die gelden voor de dienstbetrekkingen op grond van deze wet. De werkgevers, die gebonden zijn aan de collectieve arbeidsovereenkomst zijn zo alleen de gemeenten en kunnen daarom representatief vertegenwoordigd worden door een vereniging van gemeenten.”

“Artikel 23. Overgang uit Jeugdwerkgarantiewet

In het eerste lid is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van de jongere in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet, na de inwerkingtreding van deze wet, aansluitend wordt aangemerkt als een dienstbetrekking in het kader van de Wiw. Doordat er geen sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst blijven alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de JWG-arbeidsovereenkomst ongewijzigd van kracht.

Er is geen sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst, maar een continuering van de bestaande arbeidsovereenkomst. Dit betekent tevens dat mogelijke sancties die ten aanzien van beloning van de werknemer in de JWG zijn getroffen overeenkomstig worden overgenomen. Een korting op het loon in de JWG, bijvoorbeeld, loopt gewoon door in de Wiw voor de duur waarvoor de korting is opgelegd.”

Artikel 24. Overgang uit banenpool

In het eerste lid wordt bepaald dat ook de dienstbetrekking ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt aangemerkt als Wiw-dienstbetrekking. Ook in dit geval betekent dit dat bestaande rechten en verplichtingen ongewijzigd worden voortgezet. Dat wil onder andere zeggen dat de overeengekomen arbeidsduur in de banenpool in de Wiw ongewijzigd wordt voortgezet, ook indien dit 38 uur per week bedraagt.

Een specifieke situatie doet zich voor ten aanzien van Wiw-werknemers die direct voorafgaand aan de Wiw-dienstbetrekking een dienstbetrekking hadden ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools. Met toepassing van artikel 13 zou de dienstbetrekking eerst voor bepaalde tijd moeten worden aangegaan en vervolgens met nadere indicatie voor onbepaalde tijd. Echter voor zover er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur met de banenpool zou deze dienstbetrekking ook ingevolge deze wet als zodanig moeten worden aangemerkt. Voor zover er sprake was van een arbeidsovereenkomst met de banenpool voor bepaalde duur betekent dit dat de dienstbetrekking ook ingevolge deze wet als arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur wordt aangemerkt, in dier voege dat de termijn van de beperkte duur tezamen twee jaar moet bedragen.

(…)

In het eerste lid is tevens bepaald dat de dienstbetrekking, voor zover dit betreft een dienstbetrekking die direct aansluit op een dienstbetrekking ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools, niet behoeft te voldoen aan de concurrentie- en verdringingsbepalingen zoals die zijn vastgelegd in artikel 6 van deze wet.”

Het hof leidt uit het bovenstaande af dat het de bedoeling is geweest van de wetgever dat vanaf de inwerkingtreding van de WIW de gemeente de (formele) werkgever van de WIW-werknemers zal worden. Voor nieuwe werknemers is de situatie duidelijk, en betekent dit dat zij een arbeidsovereenkomst dienen te sluiten met de gemeente. Voor reeds aanwezige werknemers die in het verleden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten met een banenpool, zoals [verweerder] met Werkbij, is de situatie echter niet duidelijk. Dat hun arbeidsovereenkomst krachtens de WIW van rechtswege (eenzijdig) wordt gewijzigd in een arbeidsovereenkomst met de gemeente, is ook in de Memorie van Toelichting niet expliciet vermeld. In de toelichting op de artikelen 23 en 24 staat uitdrukkelijk dat er geen sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst, maar van een continuering van de bestaande arbeidsovereenkomst, en dat alle rechten en verplichtingen (naar het hof begrijpt: van zowel werknemer als werkgever) ongewijzigd van kracht blijven. Een wijziging van het (formele) werkgeverschap van rechtswege is hier moeilijk mee te rijmen. Verder wordt in de toelichting op artikel 24 gesproken van “Wiw-werknemers die direct voorafgaand aan de Wiw-dienstbetrekking een dienstbetrekking hadden ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools” en van “een dienstbetrekking die direct aansluit op een dienstbetrekking ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools”. Dit wijst naar het oordeel van het hof niet zozeer op een van rechtswege wijziging van de bestaande arbeidsovereenkomsten wat betreft het werkgeverschap, maar eerder op de situatie dat de gemeente bij de inwerkingtreding van de WIW met de bestaande WIW-werknemers nieuwe, aansluitende, arbeidsovereenkomsten sluit. Uit de parlementaire geschiedenis kan een, door de wetgever beoogde, wijziging van het werkgeverschap van rechtswege derhalve niet worden afgeleid.

9. Evenmin is in de WIW enige bepaling opgenomen om een overgang van werkgeverschap, indien deze zou zijn beoogd, op een vergelijkbare wijze als is gedaan in art. 7: 662 e.v. BW, nader uit te werken en – bijvoorbeeld op het punt van informatieverstrekking aan de werknemers – van voldoende waarborgen jegens de betrokken werknemers te voorzien. Een duidelijke wettelijke regeling op dit punt, die gelet op de benodigde rechtszekerheid van werknemers over hun rechtspositie noodzakelijk is, ontbreekt. Het hof merkt in dit verband nog op dat noch Werkbij noch de Gemeente [verweerder] ten tijde van de invoering van de WIW heeft geïnformeerd over een wijziging van het werkgeverschap. Evenmin heeft de Gemeente zich op enig moment (afgezien van het aanvragen van de ontslagvergunning bij het UWV en het opzeggen van de arbeidsovereenkomst) als (formele) werkgever jegens [verweerder] gedragen. Zo is de wijziging van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] in 2001 (op het punt van de arbeidsduur) niet door de Gemeente maar door Werkbij als (formele en materiële) werkgever van [verweerder] verricht. Kennelijk gingen ook Werkbij en de Gemeente er op dat moment van uit dat Werkbij nog altijd de werkgever van [verweerder] was.

10. Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat, bij gebreke van zowel een duidelijke bepaling in de WIW over een wijziging van het werkgeverschap, als een duidelijke toelichting daarop in de parlementaire geschiedenis, niet kan worden aangenomen dat [verweerder] met ingang van 1 januari 1998 een arbeidsovereenkomst heeft met de Gemeente in plaats van met Werkbij. Hieruit volgt dat de incidentele grieven slagen, en dat het verzoek van [verweerder] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Gemeente op grond van het ontbreken van de vereiste toestemming van het UWV aan Werkbij toewijsbaar is. Aangezien het dictum van de beschikking van de kantonrechter, te weten de vernietiging van de opzegging, in stand blijft, heeft [verweerder] geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikking maar zal het hof de beschikking van de kantonrechter bekrachtigen met verbetering van gronden.

11. Nu het incidenteel appel slaagt, behoeven de principale grieven 1 tot en met 4, die betrekking hebben op het subsidiaire beroep van [verweerder] op zijn ontslagbescherming als lid van de ondernemingsraad, geen behandeling meer. Met betrekking tot de principale grieven 5 tot en met 9 overweegt het hof als volgt.

12. Grief 5 klaagt er over dat de kantonrechter ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex artikel 7:680a BW om de vordering tot loondoorbetaling van [verweerder] te matigen. De Gemeente c.s. wijzen in dit verband op de volgende omstandigheden: (a) [verweerder] hoefde de bedongen arbeid niet meer te verrichten, (b) [verweerder] heeft zich onvoldoende ingespannen om ander werk te vinden, (c) de wanverhouding tussen de gewerkte periode en de periode waarop [verweerder] recht heeft op doorbetaling van loon. Het hof verwerpt het beroep op matiging. De Gemeente c.s. hebben onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat [verweerder] zich onvoldoende heeft ingespannen om ander werk te vinden. Van een wanverhouding tussen de gewerkte periode en de periode waarop [verweerder] recht heeft op doorbetaling van loon is evenmin sprake, nu [verweerder] al bij Werkbij in dienst is sinds 1991. Het enkele feit tot slot dat [verweerder] de bedongen arbeid niet meer behoefde te verrichten is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te concluderen dat toewijzing van de loonvordering van [verweerder] tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden als bedoeld in artikel 7:680a BW. Hierbij merkt het hof nog op dat de Gemeente c.s. hun schade op dit punt hadden kunnen beperken door, voor het geval de rechter zou oordelen dat niet de Gemeente maar Werkbij de werkgever van [verweerder] is, de arbeidsovereenkomst (na door Werkbij verkregen toestemming van het UWV) zekerheidshalve ook nog door Werkbij te laten opzeggen. Of die opzegging gelet op het lidmaatschap van de ondernemingsraad van [verweerder] in stand zou gebleven, laat het hof in het midden. Dat zij dat niet hebben gedaan komt voor hun rekening en risico. Grief 5 faalt.

13. Grief 6 heeft betrekking op de veroordeling van de Gemeente in de proceskosten in eerste aanleg. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen en beslist, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de Gemeente is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. De grief faalt.

14. Grief 7 klaagt er over dat de kantonrechter, gelet op de inhoud van het dictum, zijn beschikking ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Ook deze grief wordt verworpen. Aangenomen moet worden dat de uitvoerbaar verklaring bij voorraad niet ziet op de vernietiging van de opzegging, maar op de veroordeling van Werkbij tot doorbetaling van loon en de veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

15. De grieven 8 en 9 behoeven geen bespreking, nu de voorwaarde waaronder deze grieven zijn ingediend zich niet voordoet.

16. Het hof passeert het bewijsaanbod van de Gemeente c.s., nu geen gespecificeerd bewijs is aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing.

17. Het hof zal de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigen, met verbetering van gronden. De Gemeente c.s. zullen in het principaal en in het incidenteel appel worden veroordeeld in de proceskosten. Nu de kosten van de mondelinge behandeling reeds worden verdisconteerd in de proceskosten in het principaal appel, zal het hof voor de kosten van [verweerder] in het incidenteel appel volstaan met toewijzing van een bedrag van € 447,- (0,5 punt tarief II).

Beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel beroep:

- bekrachtigt, met verbetering van gronden, de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Den Haag, van 7 juli 2016;

- veroordeelt de Gemeente c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] tot op heden in het principaal appel begroot op € 314,- aan griffierecht en € 2.682,- (3 punten tarief II) aan salaris advocaat, en in het incidenteel appel op € 447,- aan salaris advocaat (0,5 punt tarief II).

- wijst hetgeen overigens is verzocht, af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, P. van der Kolk-Nunes en A.J.P. van Beurden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.