Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2478

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
200.188.860
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioen; beëindiging toeslagregeling a.g.v. beëindiging verzekeringsovereenkomst rechtsgeldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.188.860/01

Zaaknummer rechtbank : 3660475 RL EXPL 14-36778

arrest van 5 september 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Buren,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.J.A. Theunis te Tilburg,

tegen

Vereniging Bouwend Nederland, de vereniging van bedrijven in de sectoren bouw en infrastructuur,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Bouwend Nederland,

advocaat: mr. B.G. den Outer-Kroon te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 29 maart 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag tussen partijen gewezen tussenvonnis van 10 augustus 2015 en een tussen partijen gewezen eindvonnis van 4 januari 2016. Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft [appellant] twaalf grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord heeft Bouwend Nederland de grieven en gewijzigde eis bestreden. Vervolgens heeft [appellant] een akte uitlating genomen en Bouwend Nederland een antwoord akte.

Op 27 juni 2017 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun respectievelijke advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities.

Ten slotte is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1945, is met ingang van 1 januari 1986 in dienst getreden van de (toenmalige) Vereniging tot Bevordering van Werken in Asfalt te Breukelen (hierna: VBW-Asfalt). Als werknemer van VBW-Asfalt is [appellant] gaan deelnemen in de door VBW-Asfalt voor haar medewerkers afgesloten pensioenregeling bij Nationale-Nederlanden.

2.2

De voor [appellant] geldende pensioenregeling is neergelegd in het Pensioenreglement-C van VBW-Asfalt, in werking getreden op 1 januari 2001 (hierna: het Pensioenreglement), de Toeslagregeling Pensioenen behorende bij het Pensioenreglement (hierna: de Toeslagregeling), het Addendum bij het pensioenreglement ter zake arbeidsongeschiktheidspensioen en het Addendum bij het pensioenreglement ter zake ANW-hiatenpensioen.

2.3

In het Pensioenreglement is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

Deelnemerschap

(…)

4. Het deelnemerschap eindigt op de vroegste datum van de volgende data:

(…)

b. de eerste van de maand, waarin de 65-ste verjaardag van de deelnemer valt (…)

Artikel 2

Verzekeringen

(…)

2 Onze enige verplichting jegens de deelnemers bestaat uit het sluiten en in stand houden van de pensioenverzekeringen volgens het in dit reglement bepaalde".

(…)"

2.4

De Toeslagregeling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

" Artikel 1. Doel van de regeling

1. Doel van de toeslagregeling is de krachtens onze (voorlopige) pensioenregeling verkregen oudedags-, nabestaanden- en wezenpensioenen, aan te passen aan wijzigingen in het algemene prijspeil, voor zover de daartoe voor deze regeling beschikbaar gestelde bedragen toereikend zijn.

2. Ter bereiking van dit doel hebben wij een depotrekening geopend bij Nationale-Nederlanden Levensverzekeringen Maatschappij N.V. te Rotterdam, hierna genoemd Nationale-Nederlanden, die tevens als verzekeraar optreedt voor de krachtens deze toeslagregeling te verzekeren toeslagen. (…)

Artikel 2. Depotrekening

1. De op de depotrekening te storten bedragen zijn:

a. de door ons ontvangen kortingen op basis van de rentestand alsmede de verleende omvangskorting over de verschuldigde premies en koopsommen voor de verzekeringen krachtens de pensioenovereenkomst, die wij met Nationale-Nederlanden hebben gesloten ter uitvoering van onze pensioenregeling(en);

b. de door Nationale-Nederlanden verleende rentevergoeding over het tegoed op de depotrekening;

c. de afkoopsommen als bedoeld in artikel 3 lid 3.

Wij behouden ons het recht voor de stortingen op de depotrekening als vermeld onder a te beperken of te beëindigen indien en zolang het saldo naar actuariële maatstaven ruimschoots voldoende moet worden geacht voor de verwachte toekomstige herzieningen.

(…)

4. Geen herziening van pensioenen vindt plaats voor zover het saldo van de depotrekening niet voldoende is voor de financiering van de herziening. Indien de herziening ten gevolge van deze bepaling niet ten volle kan plaatsvinden, wordt het herzieningspercentage voor alle betrokken pensioenen in dezelfde mate zodanig verlaagd, dat het saldo op de depotrekening juist voldoende is voor de financiering van de verminderde herziening.

(…)

Artikel 3. Herziening van pensioenen

1a Jaarlijks per 1 juli worden de ingegane pensioenen alsmede de nog niet ingegane pensioenen van degenen van wie het deelnemerschap in de pensioenregeling is geëindigd herzien, mits de betrokkene op of na 1 januari 1981 deelnemer van de (voorlopige) pensioenregeling is geweest.

(…)

3. De herziening van de pensioenen vindt plaats door het verschil tussen de pensioenbedragen voor en na de herziening bij Nationale-Nederlanden tegen koopsom bij te verzekeren c.q. af te kopen ten laste respectievelijk ten bate van de depotrekening.

(…)

Artikel 4. Beperking of beëindiging van de regeling

1. Wij behouden ons het recht voor deze toeslagregeling te beëindigen of de te storten bedragen, bedoeld in artikel 2, te verlagen, indien:

a. wij tot het inzicht komen dat door de ontwikkeling van de financiële positie of door ontwikkelingen op sociaal-economisch terrein, de omvang van de verplichtingen uit deze toeslagregeling niet langer verantwoord is;

b. het niet of niet langer mogelijk is de bedragen van de depotrekening ten laste te brengen van de fiscale winst over het jaar waarin die bedragen ten gunste van de depotrekening worden gebracht;

c. de ontwikkeling op sociaal-economisch terrein het aannemelijk doet zijn dat een toeslagregeling als de onderhavige, gezien doel en opzet, niet meer nodig is en dat evenmin binnen redelijke tijd weer zal zijn.

2. Deze toeslagenregeling eindigt van rechtswege per de dag:

a. met ingang waarvan de met Nationale Nederlanden gesloten pensioenovereenkomst niet langer, ook niet in gewijzigde vorm, wordt voortgezet;

b. waarop in geval van ons faillissement de curator overgaat tot vereffening van de boedel.

3. Indien wij van het in lid 1 omschreven recht gebruik maken, of het in lid 2 bedoelde geval zich voordoet, zullen wij de deelnemers, de gewezen deelnemers wier pensioenen (te zijner tijd) voor herziening in aanmerking komen, alsmede de pensioengerechtigden wier pensioenen zijn ingegaan terstond daarvan in kennis stellen.

4. Bij beëindiging van de toeslagenregeling zal het dan op de depotrekening aanwezige saldo worden aangewend om de pensioenen die (te zijner tijd) voor herziening in aanmerking komen alle terstond te verhogen met eenzelfde percentage van het pensioenbedrag dat volgens berekening door Nationale-Nederlanden is gevormd door alle over de periode tot de beëindiging voor de verzekering van die pensioenen betaalde bedragen."

2.5

[appellant] is op 3 september 2003 volledig arbeidsongeschikt geworden en heeft met ingang van 5 september 2003 recht gekregen op een WAO-uitkering gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid. Daarnaast had hij recht op uitkering ingevolge twee WAO-excedentverzekeringen. Zijn pensioenopbouw vond als gevolg van de arbeidsongeschiktheid plaats zonder dat daarvoor premie werd betaald.

2.6

In april 2005 hebben VBW-Asfalt en [appellant] afspraken gemaakt met betrekking tot het dienstverband. Afgesproken werd dat [appellant] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou blijven, zonder dat daar de verplichting werkzaamheden te verrichten tegenover stond. Overeengekomen werd verder dat hij voor 50% gecompenseerd zou worden voor een pensioenbreuk die hij had opgelopen bij zijn overgang naar VBW-Asfalt.

2.7

Het dienstverband van [appellant] bij VBW-Asfalt is op 1 mei 2010 geëindigd als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.

2.8

Per 1 juli 2012 zijn de activiteiten van VBW-Asfalt overgenomen door Bouwend Nederland en voortgezet door de "Vakgroep Bitumineuze Werken", een onderdeel van Bouwend Nederland.

2.9

Bij brief van 9 oktober 2012 schreef Nationale-Nederlanden aan VBW-Asfalt:

"Uw adviseur Meeus heeft aangegeven dat u de collectieve pensioenregeling van uw onderneming wenst te beëindigen in verband met de overname van uw vereniging door Bouwend Nederland. Gezien deze bijzondere omstandigheid gaan wij akkoord met tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

De overeenkomst van de collectieve pensioenregeling van Vereniging tot Bevordering van Werken in Asfalt B.V. wordt per 1 juli 2012 beëindigd.

Wij zullen per 1 juli 2012 de pensioenpolissen premievrij maken.

Het depot wordt eveneens beëindigd. Het saldo wordt volledig aangewend voor een eenmalige verhoging van alle voor verlening van toeslagen in aanmerking te nemen pensioenen of pensioenaanspraken.

(…)"

2.10

Het op 1 juli 2012 aanwezige bedrag op de depotrekening is, conform artikel 4 lid 4 van de Toeslagregeling, verdeeld onder de deelnemers met als resultaat een éénmalige (geringe) verhoging van het pensioen.

2.11

Bouwend Nederland heeft in 2007 (althans in ieder geval ruim voor de overname van VBW-Asfalt) voor haar werknemers een pensioenverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden. De (twee of drie) van VBW-Asfalt overgenomen werknemers zijn toegetreden tot deze pensioenregeling. In het voor die werknemers geldende Pensioenreglement 2007 is in artikel 11 een voorwaardelijke indexatieregeling opgenomen.

2.12

In eerste aanleg vorderde [appellant] – zakelijk weergegeven –

a. een verklaring voor recht dat de intrekking door Bouwend Nederland (per

1 juli 2012) van het indexatierecht nietig is en dat aan [appellant] met terugwerkende kracht het recht op indexatie conform die Toeslagregeling onverkort toekomt;

b. de veroordeling van Bouwend Nederland om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis, op haar kosten, door een deskundige naar keuze van [appellant] , een deugdelijke en ondertekende berekening over te leggen van de indexeringsrechten die aan [appellant] en zijn partner sinds 1 juli 2012 uit hoofde van de Toeslagregeling toekomen;

c. de veroordeling van Bouwend Nederland om het daaruit blijkende bedrag binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis aan [appellant] te voldoen, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover.

2.14

Bij het bestreden tussenvonnis heeft de kantonrechter Bouwend Nederland toegelaten te bewijzen dat de in artikel 4 lid 2 van de Toeslagregeling bedoelde pensioenovereenkomst is beëindigd.

2.15

Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat Bouwend Nederland is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.1

In hoger beroep vordert [appellant] – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven –

a. een verklaring voor recht dat Bouwend Nederland ook na 30 juni 2012 het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van [appellant] voorwaardelijk dient te indexeren conform de Toeslagregeling;

b. de veroordeling van Bouwend Nederland om [appellant] in de positie te brengen waarin hij had behoren te verkeren, indien de Toeslagregeling en het ten behoeve daarvan gevorderde depot, aan welk depot naast de gepensioneerden en gewezen deelnemers ook de actieve deelnemers deelnamen, na 30 juni 2012 ongewijzigd was voortgezet, waarbij (primair) voor de financiering het depot zoals dat voor de door Bouwend Nederland overgenomen actieve deelnemers bij Nationale-Nederlanden is gevormd van toepassing wordt verklaard, dan wel (subsidiair) [appellant] in de positie wordt gebracht waarin hij had behoren te verkeren indien de toeslagregeling van artikel 11 van het Pensioenreglement 2007 vanaf 1 juli 2012 op hem van toepassing was;

c. de veroordeling van Bouwend Nederland om binnen vier weken na betekening van het te wijzen arrest, op haar kosten, door een deskundige naar keuze van [appellant] , een deugdelijke en ondertekende berekening over te leggen van de indexeringsrechten die aan [appellant] en zijn partner sinds 1 juli 2012 toekomen op basis van de Toeslagregeling, dan wel het Pensioenreglement 2007;

d. de veroordeling van Bouwend Nederland om het ouderdoms- en nabestaandenpensioen van [appellant] bij Nationale-Nederlanden aan te vullen conform voornoemde berekening, middels het storten van de daarvoor benodigde aanvullende koopsom;

e. de veroordeling van Bouwend Nederland om de uit de berekening blijkende achterstallige verhogingen ouderdomspensioen aan [appellant] te voldoen, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover;

f. de veroordeling van Bouwend Nederland het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van [appellant] vanaf de dag van algehele voldoening te indexeren, indien en voor zover de middelen in het depot bij Nationale-Nederlanden toereikend zijn;

g. de veroordeling van Bouwend Nederland om aan [appellant] een kopie van de uitvoeringsovereenkomst behorende bij het Pensioenreglement te verstrekken;

h. de veroordeling van Bouwend Nederland tot vergoeding van de proceskosten alsmede buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente.

3.2

De grieven zijn gericht tegen de overwegingen die de kantonrechter brachten tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] .

[appellant] is primair van mening dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de pensioenovereenkomst is beëindigd als bedoeld in artikel 4 lid 2 sub a van de Toeslagregeling. Bouwend Nederland heeft volgens [appellant] de overeenkomst in gewijzigde vorm voortgezet (grief 1 en 8) waardoor ook de Toeslagregeling in gewijzigde vorm is voortgezet (grief 3). Het oordeel van de kantonrechter dat de Toeslagregeling is beëindigd, en dat daarop dan ook geen beroep meer kan worden gedaan, acht [appellant] dan ook onjuist (grief 4 en 9).

Subsidiair is [appellant] van mening dat de kantonrechter de vraag of de pensioenovereenkomst rechtsgeldig opgezegd mocht worden ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten (grief 6); volgens [appellant] – zo begrijpt het hof – kon VBW-Asfalt na de fusie de overeenkomst niet meer rechtsgeldig opzeggen. Bouwend Nederland dient als rechtsopvolger van VBW-Asfalt de uit het Pensioenreglement en de Toeslagregeling voortvloeiende verplichtingen jegens [appellant] na te komen (grief 2 en 7)

Ten onrechte heeft de kantonrechter het beroep van [appellant] op artikel 19 Pensioenwet verworpen, omdat artikel 19 alleen zou zien op wijzigingen van de pensioenovereenkomst ten aanzien van werknemers. De kantonrechter heeft artikel 19 volgens [appellant] aldus te beperkt uitgelegd (grief 5 en 11). Een juiste belangenafweging als bedoeld in artikel 19 Pensioenwet en 7:611 BW had tot een (gewijzigde) voortzetting van de indexeringsregeling moeten leiden (grief 10).

3.3

Het hof stelt voorop dat [appellant] vanaf 1 mei 2010 geen werknemer meer is van VBW-Asfalt en geen deelnemer meer is in de pensioenregeling (artikel 1 lid 4 Pensioenreglement). De opbouw van zijn pensioen op basis van de Pensioenregeling is gestopt, wel heeft hij na 1 mei 2010 nog recht op herziening overeenkomstig de Toeslagregeling. Deze herzieningen/indexeringen zijn – zo staat inmiddels ook tussen partijen vast – voorwaardelijk.

3.4

Het hof ziet aanleiding als eerste de vraag te beantwoorden of de in artikel 4 lid 2 van de Toeslagenregeling bedoelde "met Nationale Nederlanden gesloten pensioenovereenkomst" rechtsgeldig is opgezegd, in welk geval de Toeslagregeling volgens genoemde bepaling per die dag van rechtswege is geëindigd. Met de "met Nationale Nederlanden gesloten pensioenovereenkomst" wordt naar het oordeel van het hof de (onder het oude pensioenrecht gesloten) verzekeringsovereenkomst bedoeld (in de terminologie van de Pensioenwet: de uitvoeringsovereenkomst), dat wil zeggen de overeenkomst die VBW-Asfalt met Nationale-Nederlanden heeft gesloten ter uitvoering van de door haar aan haar werknemers gedane pensioentoezeggingen (verder: de Verzekeringsovereenkomst). Partijen lijken het hierover ook eens. Uit de brief van Nationale-Nederlanden van 9 oktober 2012 (zie hiervoor onder 2.9) leidt het hof af dat de Verzekeringsovereenkomst is opgezegd: blijkens deze brief is de overeenkomst opgezegd door Meeus namens VBW-Asfalt. [appellant] heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken.

3.5

[appellant] heeft gesteld dat de opzegging geen effect heeft gesorteerd, omdat opzegging kennelijk reglementair niet mogelijk was. In de brief van Nationale-Nederlanden van 9 oktober 2012 schrijft zij immers: "Gezien deze bijzondere omstandigheid gaan wij akkoord met tussentijdse beëindiging van de overeenkomst." Het hof volgt [appellant] niet in genoemd standpunt. Wat er ook zij van de tussen Nationale-Nederlanden en VBW-Asfalt bestaande afspraken over opzegging, geldt dat uit de betreffende brief blijkt dat Nationale-Nederlanden akkoord is gegaan met de beëindiging per 1 juli 2012. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Nationale-Nederlanden niet had mogen instemmen met de opzegging van de overeenkomst door VWB-Asfalt.

3.6

Anders dan [appellant] is het hof van oordeel dat artikel 4 van de Toeslagregeling niet is te beschouwen als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 Pensioenwet. In artikel 4 van de Toeslagregeling is dwingend voorgeschreven wat het gevolg is van opzegging van de Verzekeringsovereenkomst; daarvoor was geen nadere handeling van VBW-Asfalt vereist. Het beëindigen van de Toeslagregeling lijkt daarom veeleer het gevolg van de in de Toeslagregeling opgenomen eindigingsbepaling (automatisch, als gevolg van opzegging van de Verzekeringsovereenkomst), dan van gebruikmaking van een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 Pensioenwet. Dit geldt te meer omdat VWB-Asfalt jegens [appellant] – nu hij niet langer deelnemer was in de pensioenregeling – niet langer gehouden was de Verzekeringsovereenkomst in stand te houden. In artikel 2 van het Pensioenreglement is immers bepaald dat de enige uit het Pensioenreglement voorvloeiende verplichting van VBW-Asfalt jegens de deelnemers is het sluiten en in stand houden van de pensioenverzekeringen volgens het in dit Pensioenreglement bepaalde, aan welke verplichting VBW-Asfalt heeft voldaan tot het moment dat het deelnemerschap van [appellant] eindigde. Van andere uit het Pensioenreglement (of Toeslagregeling) voortvloeiende verplichtingen (jegens pensioengerechtigden als [appellant] ) is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat opzegging van de Verzekeringsovereenkomst, door toepassing van artikel 4 van de Toeslagregeling, materieel tot gevolg heeft, dat – nadat het op de depotrekening aanwezige saldo is aangewend om de pensioenen die daarvoor in aanmerking komen (waaronder het pensioen van [appellant] ) te verhogen – verdere indexering voor de toekomst is uitgesloten, doet aan het vorenstaande niet af. Daarbij is niet relevant welke bedoeling destijds ten grondslag heeft gelegen aan de Toeslagregeling, daar deze regeling objectief moet worden uitgelegd conform de zogenoemde CAO-norm.

3.7

Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat VBW-Asfalt of Bouwend Nederland niet heeft gehandeld als een goed werkgever. Bouwend Nederland is nimmer werkgever geweest van [appellant] , om die reden kan het beroep op goed werkgeverschap geen betrekking hebben op handelen van Bouwend Nederland zelf. Voor zover [appellant] beoogt Bouwend Nederland aan te spreken als rechtsopvolger van VWB-Asfalt geldt (daargelaten dat niet duidelijk is waarop dat rechtsopvolgerschap is gebaseerd) dat VBW-Asfalt ten tijde van de opzegging van de verzekeringsovereenkomst geen werkgever meer was van [appellant] , en dat zij gelet op het vorenstaande geen (pensioen)verplichtingen meer jegens hem had. Voorts geldt dat de tijd zal moeten leren in hoeverre [appellant] daadwerkelijk door het vervallen van de Toeslagregeling wordt geraakt. Zoals door [appellant] opgemerkt, zou toepassing van Toeslagregeling zonder dat er nog actieve deelnemers zijn die ervoor zorgen dat het depot gevuld wordt, een "lege huls" zijn. De realiteit was echter dat ten tijde van de overgang van de activiteiten van VBW-Asfalt naar Bouwend Nederland er nauwelijks meer actieve deelnemers waren (wel ca. tien maal zo veel gewezen deelnemers en gepensioneerden) en van (substantiële) overrente al jaren geen sprake meer was, waardoor al jaren niet meer volledig was geïndexeerd. Voor [appellant] zag de toekomstverwachting qua indexering er daarom sowieso weinig zonnig uit. Dat [appellant] een zodanig groot belang had bij het voorbestaan van de Toeslagregeling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat VBW-Asfalt de Verzekeringsovereenkomst heeft opgezegd, kan daarom niet worden gesteld.

3.8

De stelling dat de Verzekeringsovereenkomst (per 1 juli 2012?) is overgegaan op Bouwend Nederland zoals door [appellant] betoogd, waardoor VBW-Asfalt niet langer bevoegd was tot opzegging, is onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is waarom VBW-Asfalt niet (langer) bevoegd zou zijn de overeenkomst op te zeggen. Dat sprake is geweest van contractoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW is gesteld noch gebleken.

3.9

Het hof moet het er dus voor houden dat de Verzekeringsovereenkomst door opzegging door VBW-Asfalt rechtsgeldig is beëindigd. Het (subsidiaire) standpunt van [appellant] wordt verworpen. Dit betekent dat zich de situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 4 lid 2 sub a van de Toeslagregeling, waardoor de toeslagenregeling per 1 juli 2012 van rechtswege is geëindigd.

3.10

[appellant] heeft er op gewezen dat uit het bepaalde in artikel 4, lid 3 van de Toeslagregeling volgt dat hij van deze situatie op de hoogte had moeten worden gesteld en dat dit niet is gebeurd. Bouwend Nederland heeft dit niet weersproken. Het hof overweegt dat – daargelaten of Bouwend Nederland degene was op wie de informatieverplichting als hier bedoeld rustte – op het niet nakomen van deze verplichting geen sanctie is gesteld. Dit neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat het Bouwend Nederland had gesierd indien zij [appellant] van een en ander op de hoogte had gesteld, zeker nadat haar gebleken was dat Nationale-Nederlanden en/of VBW-Asfalt een en ander niet adequaat hadden gecommuniceerd. Tot toewijzing van enig onderdeel van het gevorderde kan dit verzuim echter niet leiden, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het rechtsgeldig tot stand gekomen einde van de Toeslagregeling.

3.11

Uit het oordeel dat de Toeslagregeling rechtsgeldig is geëindigd volgt reeds dat het (primaire) standpunt van [appellant] dat de Verzekeringsovereenkomst met Nationale-Nederlanden in gewijzigde vorm is voorgezet, wordt verworpen. Bovendien geldt dat voor het oordeel dat sprake is van een voortzetting, onvoldoende is dat Bouwend Nederland voor haar eigen werknemers een pensioenregeling heeft gesloten bij Nationale-Nederlanden. Een en ander klemt te meer omdat de door Bouwend Nederland gesloten overeenkomst i) een verzekeringsovereenkomst betreft met een ander contractnummer, ii) die al voor 1 juli 2012 bestond voor de werknemers van Bouwend Nederland (dus naast de hier in geding zijnde opgezegde overeenkomst) en iii) is aangegaan tussen andere partijen dan de in de Toeslagregeling genoemde overeenkomst. Dat de door Bouwend Nederland van VBW-Asfalt overgenomen werknemers wel zijn toegetreden tot de voor medewerkers van Bouwend Nederland geldende pensioenregeling, maakt niet dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie, reeds niet omdat geen sprake is van gelijke gevallen. [appellant] is immers – anders dan de overgenomen werknemers – nimmer in dienst getreden van Bouwend Nederland.

3.12

Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat van Bouwend Nederland (kennelijk in haar hoedanigheid van rechtsopvolger van VBW-Asfalt) in redelijkheid kan worden verlangd bij te storten in het depot, omdat dit in het verleden een bestendig gebruik was bij VBW-Asfalt en bijzondere omstandigheden om hier van af te wijken niet zijn aangetoond. Zoals hiervoor overwogen was VWB-Asfalt noch op basis van de Toeslagregeling, noch op basis van het Pensioenreglement gehouden tot enige bijstorting. Niet valt in te zien dat op Bouwend Nederland (als rechtsopvolger onder algemene titel dan wel anderszins) een verdergaande verplichting zou rusten. [appellant] heeft precies gekregen waarop hij contractueel recht had. Hij heeft niets aangevoerd waarop een verdergaande zorgplicht van Bouwend Nederland kan worden gebaseerd.

3.13

Bij gebreke van stellingen die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden leiden wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.14

Een en ander betekent dat de grieven falen. Het bestreden eindvonnis zal worden bekrachtigd en de gewijzigde vorderingen afgewezen. Ook de vordering tot overlegging van een afschrift van de uitvoeringsovereenkomst zal worden afgewezen, omdat Bouwend Nederland heeft betwist dat zij over genoemde overeenkomst beschikt, en overigens niet duidelijk is welk belang [appellant] heeft bij overlegging van die overeenkomst. Daar in het tussenvonnis geen te executeren beslissingen zijn opgenomen, zal het hof in het dictum geen beslissing opnemen ten aanzien van dat vonnis. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag van 4 januari 2016;

- wijst de gewijzigde vorderingen van [appellant] af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Bouwend Nederland tot op heden begroot op € 718,-- aan griffierecht en € 3.129,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, C.A. Joustra en O.F. Blom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.