Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2477

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
200.192.670/01
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aansprakelijkheid uit hoofde van 403-verklaring. Temporele reikwijdte. Rechtshandeling = bekrachtiging van rechtshandeling verricht namens BV-io, na oprichting. Geldt stuiting van de verjaring mede ten gunste van cessionaris?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 203
Burgerlijk Wetboek Boek 2 403
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0243
JIN 2017/178 met annotatie van V. van Nuland en M.C. Schepel

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.192.670/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/506928/ KG ZA 16/305

arrest van 5 september 2017

inzake

Hoad Holding B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna te noemen: Hoad,

advocaat: mr. B.W. Brouwer te Amsterdam,

tegen

Hillson Holding B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Hillson Holding,

advocaat: mr. B.A.J. van Lammeren te Alphen aan den Rijn.

1 Het geding

In het arrest van 12 juli 2016 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.

Vervolgens heeft Hoad een memorie van grieven met producties genomen. Zij heeft daarin drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Hillson Holding de grieven bestreden.

Partijen hebben hun zaak op 20 juni 2017 doen bepleiten door hun advocaten, beiden voornoemd. De pleitaantekeningen die zij daarbij hebben gebruikt, zijn overgelegd.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Feiten

De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. [verkoper] (hierna: [verkoper]) dreef een eenmanszaak onder de handelsnaam Safety-Bell, die beveiligings- en alarmsystemen ontwikkelde.

  2. Bij overeenkomst van 21 december 2001 (hierna: de overeenkomst) heeft [verkoper] de activiteiten van deze eenmanszaak verkocht en overgedragen aan Safety-Bell B.V.-in oprichting (Safety-Bell-i.o.). De rechtsvoorganger van Hillson Holding, Hillson Beheer B.V. (daarbij vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [bestuurder Hilson Beheer]) is de overeenkomst namens Safety-Bell-i.o. aangegaan. De koopprijs bedroeg NLG 2,5 miljoen (€ 1.134.450,54). Betaling zou in termijnen plaatsvinden.

  3. Artikel 2 lid 5 van de overeenkomst bepaalt het navolgende:
    Tot zekerheid tot nakoming van de verplichtingen is overeengekomen dat door de notaris een passende uitwerking [sic] vastgesteld van door of namens Koper te verstrekken zekerheden. Eén [sic] dient nader uitgewerkt te worden in de akte van koop en verkoop. De overeengekomen mogelijkheden bestaan uit:
    - Hillson Beheer B.V. staat garant en stelt zich hiertoe aansprakelijk of
    - Hillson Beheer B.V. verleent een eerste pandrecht op de aandelen Safety-Bell B.V. i.o. en verklaart vervolgens op deze aandelen geen verdere zakelijke rechten te vestigen.”
    Een notariële akte waarin de koopovereenkomst is vervat of verder uitgewerkt is niet tot stand gekomen.

  4. Safety-Bell B.V. (hierna: Safety-Bell) is op 25 april 2002 opgericht. Safety-Bell heeft de vóór haar oprichting ten name van Safety-Bell-i.o. verrichte rechtshandelingen met [verkoper] toen bekrachtigd. Hillson Holding houdt alle aandelen in Safety-Bell.

  5. Hillson Holding heeft op 21 november 2002 een “Verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid” (verder: de 403-verklaring) bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd, waarvan de tekst luidt:
    “Hillson Holding B.V., (...) ten deze vertegenwoordigd door haar directeur de heer [bestuurder Hilson Beheer] B.V., verklaart zich met ingang van 1 januari 2002 hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden voortvloeiende uit de rechtshandelingen van de groepsmaatschappij Safety-Bell B.V. te Alphen aan den Rijn.”.

  6. [verkoper] heeft Safety-Bell en Hillson Holding gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd beide hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het restant van de koopprijs die verschuldigd was op grond van de overeenkomst.
    De rechtbank heeft de vordering van [verkoper] tot betaling van de koopprijs door Hillson Holding afgewezen bij tussenvonnis/deelvonnis van 19 januari 2005. Daartoe overwoog de rechtbank dat de in artikel 2 lid 5 van de overeenkomst bedoelde zekerheid ten behoeve van [verkoper] niet is uitgewerkt in een notariële akte, en door partijen daardoor geen keuze is gemaakt voor de ene of de andere zekerheid.

  7. Bij eindvonnis van 20 juni 2007 heeft de rechtbank Amsterdam op de voet van het bepaalde in artikel 6:230 BW de koopprijs die bij de overeenkomst was bepaald gewijzigd en heeft zij Safety-Bell bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard veroordeeld tot betaling van het restant van de koopprijs van € 442.435,71 aan [verkoper], vermeerderd met 4% rente per jaar en kosten.

  8. Tegen het tussenvonnis en het eindvonnis is (principaal en incidenteel) hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Deze procedure loopt nog en staat voor arrest op de rol van 28 november 2017, nadat memories na het toestaan van voeging/tussenkomst zijn genomen.

  9. Na het uitbrengen van een dagvaarding op 28 augustus 2007 heeft [verkoper] een procedure tegen Hillson Holding en haar directeur, de heer [bestuurder Hilson Beheer] (hierna: [bestuurder Hilson Beheer]), aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag. In die procedure spreekt [verkoper] Hillson Holding aan tot voldoening van het bedrag (met rente) tot betaling waarvan Safety-Bell door de rechtbank Amsterdam is veroordeeld. De vordering is gebaseerd op de 403-verklaring.
    De rechtbank Den Haag heeft de zaak, nadat Hillson Holding op 17 oktober 2007 een conclusie van antwoord had genomen, (niet op initiatief van Hoad) naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het hof Amsterdam in het hoger beroep. De rechtbank heeft die beslissing medegedeeld bij brief van 21 januari 2008.

  10. In een akte van cessie van 13 februari 2005 heeft [verkoper] verklaard zijn vorderingen op Safety-Bell en Hillson Holding aan Hoad over te dragen. Hoad heeft aan Safety-Bell en Hillson Holding in een brief van 23 februari 2010 mededeling gedaan van de cessie.

  11. Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [verkoper] op 1 augustus 2007 ten laste van [bestuurder Hilson Beheer] en Hillson Holding conservatoir beslag doen leggen op diverse aandelen en vastgoed. [bestuurder Hilson Beheer] en Hillson Holding hebben [verkoper] in kort geding gedagvaard en gevorderd die beslagen op te heffen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft die vordering bij vonnis van 20 augustus 2015 afgewezen. In deze procedure had Hoad zich gevoegd aan de zijde van [verkoper].

3 De vordering van Hoad, het oordeel van de voorzieningenrechter

Hoad heeft gevorderd – zakelijk weergegeven – Hillson Holding te veroordelen tot betaling aan Hoad van € 789.902,68, te vermeerderen met rente en kosten.

Hoad legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.
Safety-Bell biedt geen verhaal voor het ingevolge het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2007 nog verschuldigde deel van de koopprijs. Hillson Holding is op grond van de 403-verklaring aansprakelijk voor de schuld van Safety-Bell uit de koopovereenkomst met [verkoper]. Alle vorderingen van [verkoper] op Safety-Bell en Hillson Holding voortvloeiend uit de overeenkomst zijn gecedeerd aan Hoad. Hoad vordert het door de rechtbank Amsterdam aan [verkoper] toegewezen deel van de koopprijs van € 442.435,71 (inclusief rente berekend tot 28 februari 2016 is dat inmiddels: € 738.513,39) en de te betalen proceskosten van € 51.389,29 (inclusief rente), welke vordering ook aan Hoad is gecedeerd.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van Hoad afgewezen. Hij heeft overwogen dat de zaak over de 403-verklaring bij de rechtbank Den Haag, kennelijk met instemming van partijen, al geruime tijd stilligt en voorts dat Hoad niet heeft betwist dat de door beslaglegging op aandelen van Hillson Holding in haar dochtermaatschappijen verkregen zekerheden tot verhaal op Hillson Holding niet zijn gewijzigd. Dat bracht de voorzieningenrechter tot de conclusie dat van (nieuwe) feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, geen sprake was.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om een geldvordering in kort geding. Zo’n vordering is alleen toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het restitutierisico, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat.

4.2.

Hoad stelt dat [verkoper] een ‘harde’ vordering heeft op Hillson Holding uit hoofde van de 403-verklaring en dat die vordering haar nu, krachtens de cessie, toekomt. In de procedure voor de rechtbank Den Haag, waarin [verkoper] Hillson Holding aanspreekt tot betaling van hetgeen Safety-Bell verschuldigd is, heeft Hillson Holding in haar conclusie van antwoord het bestaan van de op de 403-verklaring gebaseerde vordering van (toen nog) [verkoper] met verschillende argumenten bestreden. In dit kort geding heeft zij ook nog een – specifiek tegen cessionaris Hoad gericht – verjaringsverweer gevoerd. Het hof behandelt de verweren hierna.
403-verklaring: rechtshandeling, bekrachtiging en inhoud (uitleg) van de verklaring

4.3.

Partijen houdt verdeeld de vraag hoe de onderhavige 403-verklaring, gelet op haar formulering, moet worden begrepen: bestrijkt de aansprakelijkheidsverklaring van Hillson Holding alleen de schulden uit rechtshandelingen verricht namens Safety-Bell (in oprichting) vanaf 1 januari 2002 of vallen onder het bereik ook schulden uit rechtshandelingen tot stand gekomen voor 1 januari 2002?
In de visie van Hillson Holding laat de 403-verklaring geen andere uitleg toe dan dat tot het bereik van de 403-verklaring alleen behoren rechtshandelingen die namens Safety-Bell zijn verricht in de periode vanaf 1 januari 2002. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest, aldus Hillson Holding, want de overeenkomst tussen [verkoper] en Safety-Bell-i.o. is aangegaan vóór de in de verklaring genoemde ingangsdatum.
Hoad stelt zich op het standpunt dat beslissend is dat de overeenkomst Safety-Bell pas is gaan binden toen zij deze overeenkomst, na haar oprichting, heeft bekrachtigd; aldus gaat het hier om een rechtshandeling waaruit eerst na 1 januari 2002 verplichtingen voor Safety-Bell ontstonden.

4.4.

Het hof overweegt over dit geschilpunt als volgt.
Partijen verschillen over de inhoud van de 403-verklaring, zodat deze moet worden uitgelegd. Bij de uitleg moet in het oog worden gehouden dat het gaat om een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige rechtshandeling, waaruit rechtstreekse aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (in casu: Hillson Holding) tegenover crediteuren van een verbonden vennootschap ontstaat (HR 28 juni 2002 ECLI:NL:HR:2002:AE4663, Akzo/ING). Een dergelijke verklaring wordt uitgelegd naar objectieve maatstaven (HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661 SNS REAAL, r.o. 4.34.2). Daarbij komt het vooral aan op de uitleg van de tekst van de aansprakelijkheidsverklaring. Het wettelijk kader, en de daarin gestelde eisen aan de aansprakelijkheidsverklaring in artikel 2:403 BW, kunnen bij die uitleg ook een rol spelen.

4.5.

Naar het oordeel van het hof is Hillson Holding hoofdelijk verbonden voor de schuld aan [verkoper] uit hoofde van de koopovereenkomst met Safety-Bell. De bekrachtiging door Safety-Bell, kort na haar oprichting, van een namens haar in het oprichtingsstadium gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als ‘de rechtshandeling’ waaruit voor Safety-Bell een schuld jegens [verkoper] voortvloeide. Tot aan de bekrachtiging door Safety-Bell bestond de koopovereenkomst tussen [verkoper] en de namens Safety-Bell-in oprichting handelende persoon; dat was (de rechtsvoorganger van) Hillson Holding. Zij was, in die hoedanigheid, voorwaardelijk gebonden totdat Safety-Bell de rechtshandeling zou bekrachtigen (zie artikel 2:203 lid 2 BW). Het is de bekrachtigingshandeling van (het bestuur van) Safety-Bell, na haar oprichting, waaruit de schuld voor de opgerichte BV is ‘voortgevloeid’. Dat het gevolg van de bekrachtiging was dat Safety-Bell met terugwerkende kracht in de positie trad van de ‘handelende persoon’ (Hillson Holding) als wederpartij bij de koopovereenkomst, doet er niet aan af dat het de bekrachtigingshandeling van Safety-Bell was die schuld van Safety-Bell, als koper, tegenover [verkoper], als verkoper, heeft doen ontstaan.


Vordering van Hoad verjaard?

4.6.

Het hof komt dan toe aan het verjaringsverweer van Hillson Holding, waarover de voorzieningenrechter in zijn vonnis niet heeft geoordeeld omdat hij daar niet aan toekwam.
Niet ter discussie staat dat de vordering die [verkoper] heeft op Safety-Bell uit hoofde van de koopovereenkomst, niet is verjaard. Evenmin bestrijdt Hillson Holding dat de vordering van [verkoper] op Hillson Holding op grond van de 403-verklaring niet is verjaard. Verder is er geen verschil van opvatting over het moment waarop de cessie van de vordering op Hillson Holding door [verkoper] tot stand is gekomen, namelijk op 23 februari 2010 toen (de advocaat van) Hillson Holding de mededeling van de cessie ontving.
Hillson Holding voert aan dat de op de 403-verklaring gebaseerde vordering van Hoad is verjaard doordat Hoad, nadat de vordering aan haar was gecedeerd, niet binnen vijf jaar zelf de verjaring heeft gestuit. Hoad kan niet, zo stelt Hillson Holding, profiteren van de stuiting van de verjaring door het aanhangig maken van de vordering gebaseerd op de 403-verklaring tegen Hillson Holding door [verkoper].

4.7.

Het beroep op verjaring van Hillson Holding gaat niet op. Hoad is rechtsopvolger onder bijzondere titel van [verkoper] door cessie die heeft plaatsgevonden nadat [verkoper] de procedure tegen Hillson Holding bij de rechtbank Den Haag aanhangig had gemaakt. Door het aanhangig maken van die procedure door [verkoper] is de verjaring van de vordering op Hillson Holding op de voet van het bepaalde in artikel 3:316 lid 1 BW gestuit. Die stuiting duurt nog steeds voort, ook al is de vordering van [verkoper] inmiddels op Hoad overgegaan. Deze overgang heeft niet geleid tot de start van een nieuwe verjaringstermijn.
Afstemming oordeel bodemrechter

4.8.

De bodemrechter heeft in het geding in eerste instantie tussen [verkoper] en Safety-Bell geoordeeld dat Safety-Bell de in deze procedure door Hoad van Hillson Holding gevorderde som verschuldigd is. Op grond van de zogenaamde afstemmingsregel (zie onder meer: HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128) stemt de kort geding-rechter bij de beoordeling van een gevorderde voorlopige voorziening zijn oordeel af op dat van de bodemrechter, ook al is tegen diens uitspraak hoger beroep aangetekend. Nu is in dit geval deze afstemmingsregel niet zonder meer van toepassing, omdat de gevorderde voorlopige voorziening ziet op de veroordeling van Hillson Holding als hoofdelijk verbonden moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring. In die hoedanigheid was zij niet betrokken in de procedure bij de rechtbank Amsterdam. Hillson Holding heeft in haar conclusie van antwoord in de procedure voor de rechtbank Den Haag wel naar voren gebracht dat Safety-Bell haar veroordeling door de rechtbank Amsterdam onjuist acht en op welke gronden en dat zij een andere uitkomst in hoger beroep “zeker aannemelijk” acht. Maar niet is gebleken dat Hillson Holding andere argumenten hanteert dan Safety-Bell in de procedure bij de rechtbank Amsterdam. Er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie leiden dat het oordeel van de rechtbank Amsterdam op een misslag berust of dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de rechtbank Amsterdam, ingeval zij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Het hof zal daarom ook in deze zaak zijn oordeel afstemmen op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2007.
Spoedeisend belang

4.9.

Het hof acht het bestaan van de vordering van Hoad op Hillson Holding zeer aannemelijk.
De vraag is of er gesproken kan worden van een voldoende spoedeisend belang bij de betaling van een geldsom door Hillson Holsing in kort geding. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. De hoger beroep-procedure bij het hof loopt nu al ongeveer tien jaar. De procedure bij de rechtbank Den Haag ligt ruim negen jaar stil. Van dat laatste is Hoad niet in het bijzonder een verwijt te maken nu de rechtbank Den Haag de verwijzing naar de parkeerrol zelf heeft geëntameerd. Duidelijk is dat (ook) Hillson Holding (als partij in dat geding maar ook omdat zij enig aandeelhouder en bestuurder is van Safety-Bell) geen moeite heeft gedaan vaart te brengen in het hoger beroep, terwijl er wel een veroordeling van Safety-Bell was en Hillson Holding in ieder geval vanaf 28 augustus 2007 weet dat zij aansprakelijk wordt gehouden op grond van de 403-verklaring. Dat alles verschaft Hoad inmiddels een voldoende spoedeisend belang om nu in kort geding betaling te vorderen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat tijdens het pleidooi in hoger beroep door de heer [bestuurder Hilson Beheer] werd opgemerkt dat er, ondanks de conservatoire beslagen op aandelen, wel dividend is uitgekeerd door één of meer werkmaatschappijen. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 716 Rv. en impliceert dat de zekerheid die Hoad had verkregen door de beslaglegging op de aandelen, wordt aangetast. Daarmee heeft de verwijzing van Hillson Holding naar de zekerheid waarover Hoad beschikt, dit ter bestrijding van de aanwezigheid van spoedeisend belang, haar kracht grotendeels verloren.
Gelet op de (mate van) aannemelijkheid van het bestaan van de vordering van Hoad vormt het restitutierisico, voor zover al aanwezig, geen grond het treffen van de gevorderde voorziening achterwege te laten. Overigens heeft Hillson Holding ook geen argumenten naar voren gebracht over dat restitutierisico.
Conservatoir derdenbeslag onder Hillson Holding

4.10.

Aan toewijzing van de vordering van Hoad staat niet in de weg dat in 2003 ten laste van [verkoper] conservatoir derdenbeslag is gelegd onder Hillson Holding voor al hetgeen zij verschuldigd was of zou worden aan [verkoper]. Hoad heeft (onweersproken) aangevoerd dat deze beslagen zijn gelegd door aan Hoad gelieerde entiteiten (Special Branch BV en Hoad Administratiekantoor BV). Hoad stelt dat het geschil met [verkoper] is opgelost doordat partijen een regeling hebben getroffen en er dus geen vordering meer is van deze beslagleggers op [verkoper].
Het hof gaat er vanuit dat Hoad er zorg voor draagt dat, mocht er nog een derdenbeslag van aan één of meer gelieerde entiteiten in stand zijn, dit beslag of die beslagen uiterlijk zijn opgeheven onmiddellijk voorafgaand aan het moment dat Hillson Holding aan haar betalingsverplichting voldoet.
Slotsom

4.11.

Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigen en de vorderingen van Hoad alsnog volledig toewijzen. Hillson Holding zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste instantie en in het geding in hoger beroep. Het arrest wordt, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het door de voorzieningenrechter tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 4 mei 2016;

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

  • -

    veroordeelt Hillson Holding aan Hoad te betalen:
    € 738.513,39, te vermeerderen met 4% rente per jaar te rekenen vanaf 29 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening, en
    € 51.389,29 , te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 29 februari 2016 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt Hillson Holding in de kosten van het geding in eerste instantie, aan de zijde van Hoad begroot op 4.719,--;

  • -

    veroordeelt Hillson Holding in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Hoad begroot op € 5.213,-- aan griffierecht, € 66,51 wegens exploitkosten en op € 11.685,--- aan salaris voor de advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

  • -

    verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, A.A. Rijperman en J.L.M. Groenewegen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.