Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2475

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
200.179.684/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vaststellen erfgrens, geen verjaring; gemeenschappelijke rioolaansluiting; camera's onrechtmatig gericht op buurperceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.179.684/01
Rolnummer rechtbank : C/10/457095 / HA ZA 14-829

Arrest van 12 september 2017

inzake

[naam 1] en

[naam 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna samen (in vrouwelijk enkelvoud) te noemen: [appellanten] ,

advocaat: mr. M. van Weeren te Amsterdam,

tegen

[naam 3] en

[naam 4] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

hierna samen (in mannelijk enkelvoud) te noemen: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. O. Heuverling te Den Haag.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan het tussenarrest van 24 november 2015 verwijst het hof naar dat arrest. Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 23 februari 2016 plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal gemaakt. Vervolgens heeft [appellanten] bij memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis (met productie) vier grieven ingediend en haar eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel (met producties) heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en tevens zelf een grief tegen het vonnis ingediend. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel tevens houdende akte uitlating producties heeft [appellanten] de grief bestreden. Daarna hebben partijen schriftelijk gepleit. Vervolgens zijn (kopieën van) de procesdossiers overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank onder 2 vastgestelde feiten staan niet ter discussie. Gelet daarop en op hetgeen partijen verder onbestreden hebben aangevoerd, staat het volgende vast.

1.1

De percelen [perceel 1] (kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 1] ; hierna: [perceel 1] ) en [perceel 2] (kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 2] ; hierna: [perceel 2] ) te [plaats] grenzen aan elkaar en zijn in 1989 ontstaan door splitsing van één perceel (destijds [kadastrale aanduiding 3] ). De akte van levering uit 1989 luidt, voor zover hier van belang:

“(…) gekocht en thans in eigendom te aanvaarden:
het woonhuis met aanhorigheden, ondergrond en erf te [plaats] , [perceel 2] , uitmakende een ter plaatse aangegeven gedeelte – ter grootte van ongeveer drie aren veertig centiaren – van het perceel kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 3] , voor het geheel groot zes aren negentig centiaren, zoals dit perceelsgedeelte nà uitmeting door of vanwege het Kadaster ten name van koper zal worden gesteld (…)”.

1.2

In 1991 heeft het Kadaster de percelen uitgemeten. In dat kader heeft het Kadaster een veldwerktekening gemaakt en een coördinatenlijst opgesteld. De coördinatenlijst van dit veldwerk is kwijt.

1.3

In 1996 zijn de percelen verkocht en geleverd aan NS Railinfratrust BV-RIT-ProRail.

1.4

[geïntimeerden] huurde van januari 2000 tot juni 2009 de woning [perceel 2] . Sinds 13 oktober 2008 is hij door aankoop eigenaar van het [perceel 1] (huis met ondergrond, erf en tuin; groot drie are en vijftig centiare), na aankoop daarvan van de Staat.

1.5

[appellanten] is sinds 3 augustus 2009, door aankoop op 18 juni 2009, eigenaar van het [perceel 2] (woonhuis met erf en verdere aan- en toebehoren; groot drie are en veertig centiare).

1.6

In 1982 stond vanaf de woningen tot achterin het (destijds nog niet gesplitste) perceel een ligusterhaag. Een klein gedeelte daarvan is er nog. Tegen en haaks op de woningen heeft in het verleden een betonnen schutting met betonpalen gestaan. Bij de woningen staat nu een houten schutting. Tussen de twee schuren op de percelen staat een stalen schutting die [geïntimeerden] daar in 2001 geplaatst heeft.

1.7

Op 14 april 2010 heeft het Kadaster op verzoek van [appellanten] een grensreconstructie (nr. 237) uitgevoerd. Toen heeft de heer [naam 5] het volgende gerapporteerd:

(…) De gereconstrueerde kadastrale grens loopt vanaf geel krijtmerk op gevel (midden muur) naar krijtmerk op hoek betonpaal aan het einde van de betonschutting, knikt naar krijtmerk boven op metalen afscheiding, knikt hier nogmaals en loopt verder op 80 cm evenwijdig aan westelijke gevel van de bestaande schuur op [perceel 2] .
De gehele grens is onzichtbaar in het terrein met uitzondering van het gedeelte 80 cm evenwijdig aan de schuur.
Hier loopt de grens vanaf kant metalen afscheiding naar midden metalen afscheiding. (…)

1.8

Op 20 juli 2010 heeft het kadaster opnieuw een grensreconstructie uitgevoerd. Toen heeft de heer [naam 6] over de loop van de erfgrens tussen de achtertuinen het volgende gerapporteerd:

(…) vanaf noordzijde midden tussenmuur naar de noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal (onzichtbaar) naar een punt aangegeven met krijt op beton, 24 cm uit het verlengde van de zuidgevel van de schuur behorend bij [perceel 2] , in het verlengde van de evenwijdige grens op 95 cm aan de westgevel van de schuur behorende bij [perceel 2] (onzichtbaar), daarna een lijn 95 cm evenwijdig aan de westgevel van de schuur behorende bij [perceel 2] en deze in zuidelijke richting verlengen met 24 cm (onzichtbaar) en in noordelijke richting snijden in de bestaande grens (onzichtbaar).

Bij ‘overige opmerkingen’ heeft hij gerapporteerd:

De grensreconstructie (…) nummer 237 komt door deze grensreconstructie gedeeltelijk te vervallen. Het vervallen gedeelte (kennelijke misslag) is het gedeelte vanaf de noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal in noordelijke richting. Dit noordelijk gedeelte is gereconstrueerd met behulp van de uitpassing op de hulpkaart met archiefnummer 68.

1.9

Bij brief van 9 augustus 2013 heeft de bewaarder van het kadaster geschreven dat de grens op 14 april 2010 niet goed was uitgezet en dat de grens zoals die op 20 juli 2010 is uitgezet, de bestaande kadastrale grens betreft. Bij deze grens staat de stalen schutting niet op de perceelgrens, maar 15 cm daarnaast op het perceel van [appellanten] .

1.10

Toen partijen hun woningen [perceel 2] en [perceel 1] kochten, beschikten deze woningen over één gezamenlijke aansluiting op het gemeenteriool. Die situatie is niet veranderd. De uitvoerleiding en grondleiding van de riolering naar het gemeenteriool en de aansluiting daarop, zijn van gezamenlijk nut en behoren [geïntimeerden] en [appellanten] ieder voor de helft toe.

2.1

[geïntimeerden] heeft gevorderd:

primair een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen [perceel 1] en [perceel 2] over de gehele lengte, conform het veldwerk van 1991, loopt zoals deze momenteel in gebruik is met uitzondering van de houten schutting en subsidiair dat de rechtbank met in achtneming van de standpunten van [geïntimeerden] en zoals de rechtbank goeddunkt de grens bepaalt op grond van artikel 5:47 BW.

2.2

[appellanten] heeft in reconventie gevorderd (kort gezegd):

1) primair een verklaring voor recht dat de erfgrens over de gehele lengte, conform het veldwerk van 1991, loopt zoals deze in de bij dat veldwerk behorende tekening is opgenomen, namelijk loodrecht vanaf het midden van de woningen tot de achterzijde van de percelen, subsidiair dat de rechtbank de grens bepaalt op grond van artikel 5:47 BW met inachtneming van de standpunten van [appellanten] zoals de rechtbank goeddunkt, eventueel na benoeming van een deskundige en

2) [geïntimeerden] te gelasten een eigen volledig van [appellanten] gescheiden rioolaansluiting te realiseren met in achtneming van de erfgrens.

Bij eisvermeerdering in hoger beroep heeft [appellanten] daaraan een vordering toegevoegd, te weten (kort gezegd):

3) [geïntimeerden] te verbieden camera’s te richten op het perceel van [appellanten] , althans camerabeelden en (of) geluidsopnamen te maken van het perceel van [appellanten] , en te verbieden gebruik te maken van dergelijke opnamen door deze te vermenigvuldigen of te verspreiden of te tonen aan derden, op straffe van een dwangsom.

2.3

De rechtbank heeft ter zake van de erfgrens overwogen dat deze deels (het beginpunt en twee knikken) blijkt uit de veldwerktekening uit 1991 en de grensreconstructies van april en juli 2010 en dat deze voor het overige op grond van artikel 5:47 BW vastgesteld kan worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de erfgrens wordt gevormd door een (tweemaal geknikte) lijn die loopt vanuit het midden van de achtergevel van de woningen [perceel 2] en [perceel 1] (het gele krijtmerk) naar de noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal, vanaf dat punt naar het midden van de stalen schutting en vervolgens door het midden van de stalen schutting naar de achterzijde van de percelen van partijen.
Het meer en anders van het door ieder van partijen gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. Omdat de woningen gekocht zijn met een gezamenlijke aansluiting op het gemeenteriool, achtte de rechtbank geen grond aanwezig om aan [geïntimeerden] te verplichten separate rioolaansluitingen te realiseren.

2.4

Partijen hebben beide een grief gericht tegen de vaststelling van de erfgrens door de rechtbank. [appellanten] heeft voorts een grief gericht tegen de afwijzing van haar vordering om [geïntimeerden] te veroordelen een eigen rioolaansluiting te realiseren en twee grieven gericht tegen de proceskostencompensatie en de afwijzing van haar vorderingen met deels toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] Daarnaast heeft zij een vordering aangaande camera’s ingediend. Het hof zal de grieven en de eisvermeerdering hierna per onderwerp (erfgrens, riolering en camera’s) bespreken.

Erfgrens

3.1

De eerste grief van [appellanten] is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat partijen verzocht hebben de erfgrens op grond van artikel 5:47 BW vast te stellen, dat de erfgrens niet een rechte lijn is, vanuit de noordelijke betonpaal een eerste knik heeft en door het midden van de stalen schutting loopt. Ten onrechte is de erfgrens vastgesteld zoals de rechtbank heeft gedaan, aldus [appellanten] Zij heeft daartoe aangevoerd:

- De erfgrens loopt vanuit het midden van de achterzijde van de woningen, loodrecht, in een rechte lijn naar de achterzijde van de percelen.

- De juridische erfgrens kan niet uit de akten van overdracht van de woningen aan partijen worden afgeleid, maar moet worden vastgesteld aan de hand van de veldwerkgegevens uit 1991.

- Uit kadastrale kaarten van 30 maart 2009, 27 oktober 2009 en 15 augustus 2010 blijkt dat de erfgrens is verplaatst in de richting van [appellanten] Dit blijkt ook uit een samenvoeging van de kadastrale kaarten van 30 maart 2009 en 25 maart 2015.

- Een kaart met het hoofdriool bevestigt dat de ruimte tussen de schuur van [geïntimeerden] en de erfgrens kleiner is dan die tussen de schuur van [appellanten] en de erfgrens. De riolering loopt onder het perceel van [geïntimeerden] terwijl deze volgens voornoemde kadastrale tekeningen op het terrein van [appellanten] zou moeten lopen.

- Door zonder overleg met [appellanten] een erfafscheiding te plaatsen heeft [geïntimeerden] het risico aanvaard dat hij de erfafscheiding wellicht moet verwijderen.

- De oude heg was niet de erfgrens en deze was niet mandelig. De erfgrens begint in het midden van de woningen. Op de foto bij de verklaring van de heer [naam 7] is te zien dat de grens destijds (vóór 1996) langs de zijkant van de gefotografeerde haag loopt en niet in het midden van de haag.

- [appellanten] heeft met de door de rechtbank bepaalde erfgrens een kleiner stuk perceel dan zoals zij het perceel gekocht heeft. Daarnaast kan zij niet bij de gezamenlijke riolering komen en de werkzaamheden aan het souterrain niet finaliseren.

- [geïntimeerden] kunnen de erfafscheiding met hun apparatuur eenvoudig en kosteloos verplaatsen.

3.2.

De grief van [geïntimeerden] in het incidenteel appel is gericht tegen afwijzing van zijn vordering om de erfgrens vast te stellen over de gehele lengte, conform het veldwerk van 1991, zoals deze momenteel in gebruik is met uitzondering van de houten schutting. Volgens [geïntimeerden] is de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd voorbij gegaan aan zijn argument van verkrijgende en bevrijdende verjaring. Hij heeft onder meer het volgende aangevoerd:

- Sinds hij in januari 2000 de woning op [perceel 2] ging bewonen en toen [appellanten] haar woning kocht, stond de betonnen schutting bij de woningen al op dezelfde plek. Inmiddels is deze schutting deels gesloopt, maar de palen staan er nog. De houten schutting is door [appellanten] op zijn perceel geplaatst.

- De stalen schutting tussen de schuren heeft [geïntimeerden] precies in het midden van (de wortels van) de eerder aanwezige liguster haag geplaatst.

3.3

Het hof bespreekt eerst de grief van [geïntimeerden] met betrekking tot zijn vordering om de erfgrens vast te stellen conform hoe de grens momenteel in gebruik is, met uitzondering van de houten schutting. Hij beroept zich daartoe, naast op de veldwerktekening uit 1991, op verjaring.

3.4.

Ingevolge verkrijgende verjaring kunnen onroerende zaken, zoals de in geding zijnde stroken grond langs de erfgrens, worden verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaren (artikel 3:99 BW). Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. De bezitter gedraagt zich alsof hij de eigenaar is.

Met betrekking tot [perceel 1] staat vast dat [geïntimeerden] daarvan pas in 2008 eigenaar is geworden. Tot die tijd woonde hij op [perceel 2] . [geïntimeerden] heeft gesteld dat hij in de jaren vóór 2008, volgens hem zelf met goedvinden van de eigenaar, [perceel 1] heeft verbouwd en opgeknapt en werkzaamheden aan de tuin heeft verricht, zoals het (gedeeltelijk) weghalen van de ligusterhaag en het plaatsen van een stalen schutting tussen de schuren. Het doen van dergelijke werkzaamheden is echter onvoldoende voor de voor verjaring vereiste inbezitneming van het perceel. Voor dat bezit is nodig dat men het voor zichzelf is gaan houden. [geïntimeerden] heeft dat tot 2008 niet gedaan, want hij verrichtte de handelingen aan [perceel 1] erkennend dat een ander eigenaar was (‘met goedvinden van de eigenaar’). Daden van bezit van de grond langs een grens aan de zijde van [perceel 1] eerder dan toen [geïntimeerden] dat perceel kocht in 2008, zijn niet gesteld. Dit betekent dat de termijn voor verkrijgende verjaring niet eerder is gaan lopen dan 13 oktober 2008, toen [geïntimeerden] eigenaar werd van [perceel 1] . Sedertdien is echter geen termijn van tien jaar verstreken voordat de onderhavige rechtsvordering werd ingesteld.
Ook aan de zijde van [perceel 2] heeft [geïntimeerden] geen tien jaren onafgebroken grond in zijn bezit gehad. [geïntimeerden] huurde dit [perceel 2] , hij is het niet voor zichzelf als eigenaar gaan houden. Bovendien heeft hij het prijsgegeven toen zijn huurderschap in 2008 eindigde.

3.5

De twintigjaarstermijn voor verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van bezit (de bevrijdende verjaring), is evenmin verstreken.
De erfgrens kan dus niet op grond van verjaring worden vastgesteld “zoals deze momenteel in gebruik is”.

3.6

[geïntimeerden] heeft nog aangevoerd, dat [appellanten] heeft ingestemd met de stalen schutting en heeft aangegeven ermee akkoord te zijn dat [geïntimeerden] deze zou doortrekken. Dit baat hem niet omdat deze instemming niet onvoorwaardelijk was, zo blijkt reeds uit hetgeen [geïntimeerden] zelf aanvoert. [appellanten] heeft immers aangegeven dat zij niet tegen een 2.1 meter hoge stalen schutting wilde aankijken en daarna is het conflict over de locatie voor de erfafscheiding geuit.

3.7

De incidentele grief van [geïntimeerden] treft dus geen doel.
Het hof overweegt ter zake van de vaststelling van de erfgrens voorts het volgende.

3.8

Tussen partijen staat vast dat de erfgrens niet kan worden afgeleid uit de akten van overdracht van de woningen van partijen en ook niet uit de daarin genoemde maten. Tussen partijen staat ook vast dat voor een exacte reconstructie van de erfgrens de veldwerkcoördinatenlijst uit 1991 nodig is en dat die verloren is gegaan. Beide partijen hebben zich wel op de veldwerktekening uit 1991 beroepen voor het bepalen van de erfgrens.

3.9

Naar het oordeel van het hof toont deze veldwerktekening uit 1991 dat de erfgrens bij de woningen begint in het midden van de achtergevel van beide woningen (destijds gemarkeerd met een geel krijtmerk). Dit is overigens ook zichtbaar op alle andere in het dossier aanwezige tekeningen en metingen, met uitzondering van de rioleringsschets (waarover in 3.16 meer). Dit midden van de achtergevel is ook het punt dat de rechtbank als beginpunt van de erfgrenslijn heeft vastgesteld. Voor zover partijen dit aanvechten zijn hun grieven onvoldoende onderbouwd en ongegrond.

3.10

Het hof leidt uit de veldwerktekening uit 1991 en de daarop aangegeven tekst voorts af dat de erfgrens niet loopt in een rechte lijn, loodrecht op de woning, maar geknikt is. Weliswaar lijkt er een rechte lijn door de woning en de achtertuin te zijn getekend, maar in de tekst is tweemaal met het woord ‘knik’ expliciet aangegeven dat er een knik is. De hulpkaart met archiefnummer 68 uit 1991 toont – hoe klein ook – geen rechte lijn, maar een lijn met twee knikken. De tekeningen bij beide grensreconstructies uit 2010 tonen eveneens een geknikte erfgrens, waarbij de grens niet loodrecht vanaf de woning naar de achtergrens loopt. De door [appellanten] overgelegde kadastrale kaarten van voor en na de aankoop in 2009 en 2010 (productie 10 bij akte houdende indiening aanvullende producties) tonen geen loodrechte erfgrenslijn, maar een erfgrenslijn met twee knikken. Geen kadastrale kaart of tekening wijst er op dat er ten tijde van de koop van de woningen door partijen een loodrechte erfgrens aanwezig was.

3.11

De foto van de oude, vrij recht ogende heg, is onvoldoende om tegenover de voornoemde tekeningen en kaarten van een rechte erfgrens uit te gaan. Op de veldwerktekening uit 1991, is met lijn en tekens aangegeven (twee lijntjes naast de erfgrenslijn) dat er een ‘gemene afscheiding’ – dus een gezamenlijke afscheiding – op de erfgrens was die in het midden van de woningen begon. Op de foto lijkt dit anders, terwijl een heg op een foto, bijvoorbeeld door de wijze van snoeien en de foto-hoek, een vertekend beeld kan geven van de exacte loop van een grens. Reeds daarom kan op basis van de foto van de heg geen exacte erfgrens worden bepaald.

3.12

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de erfgrens twee knikken heeft. Voor zover [appellanten] daartegen opkomt, is haar grief ongegrond.

3.13

Op de veldwerktekening uit 1991 is vanaf de woningen een dubbelle lijn getekend (mogelijk een betonnen muur aanduidend), beginnend bij de woning op [perceel 2] en eindigend aan de kant van [perceel 1] tegen de erfgrenslijn. De landmeters van het Kadaster hebben zowel in april 2010 als in juli 2010 op basis van deze veldwerktekening en de situatie ter plaatse vastgesteld dat de thans aanwezige noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal van de verwijderde betonnen schutting de erfgrens raakt en ook de locatie is van de eerst knik (vanaf de woningen gezien) in de erfgrens. Nu beide landmeters deze knikpunt-locatie uit de veldwerktekening uit 1991 en de situatie ter plaatse afleidden, mocht ook de rechtbank daarvan uitgaan. Voor zover [appellanten] daartegen opkomt, is haar grief ongegrond. In het bijzonder merkt het hof op dat er onvoldoende grond is om te oordelen dat de thans aanwezige meest noordelijke betonpaal ondanks meting door beide landmeters - die zowel de veldwerktekening uit 1991, als de plaats van de betonpaal ten opzichte van de woningen en de rest van de percelen kenden - niet als grenspunt moet worden aangemerkt.

3.14

Voor het overige biedt de veldwerktekening uit 1991 geen houvast om exact de erfgrens te bepalen. De landmeters maten op 14 april 2010 en 20 juli 2010 verschillend.. [appellanten] wil de tweede meting aanhouden, zodat de stalen schutting geheel op haar perceel staat. [geïntimeerden] wil de stalen schutting als erfafscheiding aanhouden.

De tekeningen en kaarten bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt van de een of de ander. Hiertoe overweegt het hof het volgende.

3.15

De erfgrens kan verder niet (exact) worden bepaald aan de hand van de overgelegde kadastrale kaarten (producties 10 en 19 van [appellanten] ). Aan dergelijke kaarten kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. Uit het gegeven dat op de kadastrale kaart die zou zijn gemaakt na de laatste meting in 2010 de erfgrenslijn tussen de schuren lijkt te zijn verschoven richting [appellanten] ten opzichte van de kadastrale kaart van 27 oktober 2009, kan het hof geen (oude of nieuwe) erfgrenslocatie afleiden. Daarvoor hebben de kadastrale kaarten geen betrouwbare precisie. Bovendien is geen enkele verklaring gegeven voor een wijziging van de grenslijn in het kadaster tussen oktober 2009 en 2015 (de tussen de schuren geplaatste stalen schutting is in die tijd niet verplaatst) en stroken de kadastrale tekeningen niet met de door partijen ingenomen standpunten dat de erfgrenslijn op dezelfde plaats is gebleven ( [geïntimeerden] ) danwel juist niet in de richting van het perceel van [appellanten] is verschoven ( [appellanten] ).

3.16

De erfgrens kan evenmin verder (exact) worden bepaald aan de hand van de ‘Schets [perceel 2] ’ die is gemaakt in mei 2014 van de situatie met betrekking tot de riolering (productie 8 van [appellanten] ). Daarop staan twee zwarte lijnen: één rechte lijn met de aanduiding ‘erfgrens’, beginnend buiten het midden van de woningen (dus duidelijk niet de erfgrens conform de veldwerktekening uit 1991 – zie hiervoor onder 3.9), en één licht gebogen lijn vanaf de voorkant van de woningen snijdend door het midden van de woningen naar achteren, met eronder (gekruist) een grijze lijn (kennelijk de rioolpijp). Er zijn geen coördinaten aangegeven en niets wijst er op hoe de ligging van de getekende erfgrens bepaald is.

3.17

De landmeter van het kadaster heeft in april 2010 vastgesteld dat de erfgrens onder de tussen de schuren geplaatste metalen afscheiding loopt. De landmeter is in juli 2010 uitgegaan van een erfgrens 15 centimeter naar het westen (richting perceel van [geïntimeerden] ). Bij deze laatste meting is opgemerkt dat bij de eerdere meting een kennelijke vergissing is begaan en dat de meting is gedaan met behulp van uitpassing op een ‘hulpkaart met archiefnummer 68’. Er is geen nadere toelichting gegeven (ook niet door [appellanten] in de processtukken) over grond voor de kennelijkheid van de vergissing, terwijl deze fout door [geïntimeerden] gemotiveerd bestreden is. De op 7 september 2010 gegeven toelichting van de bewaarder van het kadaster, die schrijft dat bij verjaring de kadastrale grens zal verschillen van de juridische en feitelijke grens, biedt geen aanknopingspunt voor een ‘kennelijke vergissing’, nu van verjaring geen sprake is. Het hof kan daarom niet vaststellen dat bij de meting in april een ‘kennelijke vergissing’ is begaan. Hulpkaart 68 betreft een tekening op schaal 1:1000 en noemt geen maten of coördinaatpunten. Deze kaart is onvoldoende nauwkeurig om daarop een grenscorrectie van (slechts) 15 centimeter te baseren.

3.18

Een en ander brengt met zich dat er in de kadastrale kaarten en tekeningen geen objectieve aanknopingspunten zijn te vinden voor het verloop van de erfgrens vanaf de noordoosthoek van de betonpaal – anders dan rechte lijnen met nog één knik –. Voor zover de grieven dat bestrijden, zijn zij ongegrond.
De situatie ter plaatse ten tijde van de aankoop van de percelen door partijen (oktober 2008 en medio 2009) biedt mogelijk wel aanknopingspunten.

3.19

Ten tijde van de aankoop van de percelen door partijen was de stalen schutting tussen de schuren een aanduiding die ter plaatse op een erfgrensaanduiding wees. [geïntimeerden] heeft gesteld dat dit de erfafscheiding was en de foto’s tonen dat deze schutting er als een erfgrensaanduiding uit ziet. [appellanten] heeft niet gesteld dat deze schutting (werkelijk danwel ogenschijnlijk) niet als afscheiding tussen de percelen herkenbaar was of dat er ook nog een andere aanduiding van een (andere) erfgrens was. De originele heg tussen de schuren was toen al verdwenen (en kon de grens ook niet exact aangeven, zie hiervoor onder 3.11). Mogelijk is ter plaatse nog oud beton aanwezig (de landmeter van juli 2010 rept over krijt op beton, 24 cm uit het verlengde van de zuidgevel van de schuur), maar uit niets blijkt dat beton op die locatie op enige (oude) erfafscheiding op de erfgrens duidde, terwijl [appellanten] heeft aangevoerd dat betonnen palen juist niet op een erfgrenslocatie kunnen duiden.

3.20

Nu op grond van het voorgaande vast staat dat in 2008 en 2009, dus bij de aankoop van de percelen door partijen, de stalen schutting tussen de twee schuren zichtbaar als afscheiding aanwezig was, moet op grond van artikel 5:36 BW worden vermoed dat het midden van deze afscheiding de grens tussen de erven is (zoals de landmeter in april 2010 ook heeft aangegeven). Met dit vermoeden heeft [appellanten] niet een perceel gekocht dat een stuk kleiner is dan zoals zij het gekocht heeft. Zij kocht immers een perceel dat die erfafscheiding toen al had tussen de schuren.

3.21

[appellanten] hebben aangevoerd – kennelijk om enig vermoeden te ontkrachten – dat [geïntimeerden] de erfafscheiding bewust zelf heeft geplaatst om zo zijn tuin te vergroten en zich de aansluiting van het hoofdriool toe te eigenen. Door dit zonder overleg met [appellanten] te doen heeft [geïntimeerden] volgens haar ook het risico aanvaard dat hij de stalen schutting moet verwijderen of verplaatsen.
Dit betoog faalt omdat [appellanten] niet voldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerden] bij de plaatsing van de schutting op de locatie van de heg wist of behoorde te weten dat de locatie van de heg niet de erfgrens was. Voorts is de stalen schutting tussen de schuren geplaatst (lang) voordat [appellanten] [perceel 2] in 2009 kocht, zodat [geïntimeerden] geen aanleiding (of mogelijkheid) had om met [appellanten] te overleggen.
De schutting stond op de huidige locatie toen [appellanten] het [perceel 2] (met erf en verdere toebehoren) kocht. [geïntimeerden] heeft de schutting geplaatst vóórdat [appellanten] eigenaar werd, toen [geïntimeerden] [perceel 2] huurde en hij bevoegd was werkzaamheden in de tuin te verrichten. Er is niet gesteld dat [appellanten] met [geïntimeerden] of met de vorige eigenaar –verkoper– afspraken over de verwijdering heeft gemaakt. Eventuele afspraken tussen de vorige eigenaar en [geïntimeerden] regarderen [appellanten] niet. Uit niets blijkt dat de toenmalige eigenaar van [perceel 2] destijds verwijdering van deze schutting heeft gevorderd en die vordering aan [appellanten] heeft overgedragen (enkel de leveringsakte aan [geïntimeerden] verwijst naar een overbouwing, namelijk (alleen) van de loods en kennelijk aan de andere grens van [perceel 1] ). De zin die [appellanten] citeert uit de e-mail van 5 november 2009 van ProRail (productie 11 bij akte houdende indiening aanvullende producties) inhoudend: “De erfafscheiding die oorspronkelijk tussen de beide percelen aanwezig was, is door [geïntimeerden] verwijderd.”, wordt direct gevolgd door de zin: “Bij de oplevering van de woning is door [geïntimeerden] de toezegging gedaan dat hij de afscheiding weer zou aanbrengen.” Hoe hieruit kan worden afgeleid dat [appellanten] aanspraak kan maken op verplaatsen van het reeds door [geïntimeerden] weer aangebrachte deel van de erfafscheiding, heeft [appellanten] niet gesteld.

3.22

[appellanten] heeft onvoldoende aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de stalen schutting, ondanks het vermoeden van grensafscheiding toen zij haar perceel kocht, niet als erfgrenslocatie kan gelden.
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten] om de plaats van de oorspronkelijke erfafscheiding door middel van getuigen van ProRail te bewijzen, zoals zij bij memorie van grieven onder 11 heeft aangeboden. Zij heeft niet toegelicht hoe of wat getuigen van ProRail over de plaats van de erfgrens kunnen verklaren – meer of anders dan hetgeen al uit de in dit geding overgelegde tekeningen en aktes volgt zoals hiervoor aangegeven. Een verklaring van getuigen over wat zij gezien hebben ten aanzien van de locatie van de oorspronkelijke erfafscheiding in het verleden, is niet van belang voor een oordeel in dit geding. Tussen partijen staat immers vast dat de oorspronkelijke afscheiding de ligusterhaag was, waarvan [appellanten] (ook) heeft gesteld dat deze juist niet de erfgrens vormde (overigens in strijd met de veldwerktekening uit 1991) en waarover ook onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat deze zo gesnoeid kon zijn geweest dat aan de hand daarvan voor getuigen exact (binnen 15 cm) zichtbaar was hoe de erfgrens liep.

3.23

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de erfafscheiding loopt door het midden van de stalen schutting naar de achterzijde van de percelen van partijen. De grief van [appellanten] treft dus ook in zoverre geen doel.

3.24

Voor het verloop van de erfgrens tussen de noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal en de stalen schutting zijn geen andere aanwijzingen dan dat het een rechte lijn is met ergens nog één knik (zie 3.10). Evenals de rechtbank (in overweging 4.8 van het vonnis) acht het hof het redelijk deze (tweede) knik niet dichter bij de woningen te plaatsen dan op de plek waar de stalen schutting begint, zoals ook de landmeter van het Kadaster in april 2010 heeft gedaan; en dan in het midden van de dikte van de stalen schutting.

3.25

Gelet op al het voorgaande loopt de erfgrens tussen de percelen aan de achterkant van de woningen vanuit het midden van de achtergevel van de woningen [perceel 2] en [perceel 1] (op het gele krijtmerk) naar de noordoosthoek van de meest noordelijke betonpaal, met een knik vanaf dat punt naar het midden van de stalen schutting waar die schutting thans begint, en vervolgens met een tweede knik vanaf dat punt door het midden van de stalen schutting naar de achterzijde van de percelen van partijen.

3.26

De rechtbank heeft de erfgrens dus juist vastgesteld. De eerste grief van [appellanten] en de incidentele grief van [geïntimeerden] zijn ongegrond.

De riolering

4.1

De tweede grief van [appellanten] richt zich tegen de afwijzing van haar vordering om [geïntimeerden] te gelasten een eigen, volledig van [appellanten] gescheiden, rioolaansluiting te realiseren met in achtneming van de erfgrens. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat er geen deugdelijke grondslag voor aanwezig is. [appellanten] keert zich hiertegen met de gronden dat de gezamenlijke riolering zeer verouderd is en dat beide partijen bij een eigen aansluiting moeten kunnen komen. Zij heeft aangevoerd dat de huidige riolering grote kans geeft op verstoppingen en stank veroorzaakt, dat er bij (harde) regen water in het souterrain van [appellanten] blijft staan waarna vuil water via het afvoerputje het souterrain instroomt. Het door haar geraadpleegde bedrijf RRS heeft geadviseerd de verouderde riolering te vervangen en de grondleiding aan te passen. Bovendien is zowel [geïntimeerden] als [appellanten] destijds met Rijkswaterstaat overeengekomen dat beide woningen volledig gescheiden nutsaansluitingen zouden krijgen.

4.2

[geïntimeerden] heeft de grief bestreden. Het hof overweegt het volgende.

4.3

Op grond van hetgeen [appellanten] heeft gesteld en door [geïntimeerden] niet, danwel onvoldoende gemotiveerd, is betwist, staat over de aard en ligging van de riolering, hiervoor genoemd onder 1.10, het volgende vast.
Er zijn twee gemetselde verzamelputten die met een gresleiding aan elkaar zijn gekoppeld. Eén put ligt onder het souterrain van de woning van [appellanten] en daaraan is een oude hemelwaterafvoerleiding aangesloten. De andere put ligt onder beide woningen (dus gedeeltelijk op [perceel 2] en gedeeltelijk op [perceel 1] ) en is de verzamelput voor vuilwater van beide woningen. De uit deze verzamelput gaande rioolleiding loopt vanaf onder de woning op [perceel 2] richting achtertuin. Deze uitgaande leiding is van gres en verloopt van groot naar klein (ongeveer van ø160mm naar ø110mm, met een rand in de buis).

4.4

Voorts staat vast dat partijen allebei een woning kochten die de beschikking had over voornoemde gemeenschappelijke (gezamenlijke) aansluiting op het gemeenteriool. Zowel [geïntimeerden] als [appellanten] heeft niet een woning gekocht met een gescheiden, geheel eigen, aansluiting op het gemeenteriool. Indien [appellanten] toch alsnog een eigen, gescheiden rioolaansluiting bij haar woning wil hebben, kan zij alleen van anderen vorderen om dat (geheel of deels) voor haar te realiseren en/of te betalen als zij daarvoor een (rechts)grond heeft.

4.5

Een grond om aan [geïntimeerden] te vragen de gescheiden riolering aan te leggen (en te betalen), kan zijn gelegen in een afspraak daartoe. [appellanten] heeft niet, althans onvoldoende, gesteld om vast te kunnen stellen dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Zij heeft niet gesteld dat er een overeenkomst dienaangaande tussen haar en [geïntimeerden] is gesloten. Evenmin heeft zij voor zo’n afspraak een beroep kunnen doen op de koopovereenkomst(en) voor de woning(en).
In de brief van Rijkswaterstaat van 24 januari 2008, waarop [appellanten] zich ter onderbouwing van haar standpunt beroept, kan zo’n afspraak niet worden gevonden. In die brief staat:

(…) doen wij u hierbij nogmaals de beide in die bespreking gedane voorstellen.
Voorstel 1:
(…)
Door en voor rekening van de Staat zal aan de nutsbedrijven worden opgedragen om een volwaardige aansluiting van nutsvoorzieningen aan te leggen in de woning [perceel 1] , voor zover de nutsbedrijven deze aansluitingen aan de [straatnaam] aanbieden.
(…) Reeds voordat u de woning [perceel 2] gaat verlaten zal de woning door Prorail B.V. te koop worden aangeboden. Ook deze woning zal worden voorzien van nieuwe nutsaansluitingen. Op deze wijze zullen de nutsaansluitingen van beide woningen volledig gescheiden worden.
Voorstel 2:
(…)”

Deze brief heeft Rijkswaterstaat (alleen) gericht aan [geïntimeerden] Een derdenbeding (conform art. 6:253 BW) ten behoeve van [appellanten] is niet gesteld. Bovendien betreft de tekst van de brief alleen voorstellen (geen overeenkomst) aan [geïntimeerden] over nutsvoorzieningen en alleen voor zover de nutsbedrijven de aansluitingen aanbieden.

4.6

In eerste aanleg heeft [appellanten] aangevoerd dat zij zelf contact heeft gezocht met de Staat om een gescheiden nutsaansluiting (alsnog) te realiseren, maar dat [geïntimeerden] daaraan niet meewerkt. Het hof merkt dienaangaande op dat [appellanten] in dit geding niet heeft gevorderd dat [geïntimeerden] meewerkt aan de realisering van een door haar of door Rijkswaterstaat aan te leggen riolering – zij heeft gevorderd dat [geïntimeerden] gelast wordt zelf (en dus ook op kosten van [geïntimeerden] ) een eigen, gescheiden rioolaansluiting op zijn perceel te realiseren.
Overigens heeft [geïntimeerden] in dit geding toegezegd (ook in hoger beroep) dat, indien Rijkswaterstaat bereid is om zonder kosten voor [geïntimeerden] een gescheiden riolering te realisering, [geïntimeerden] daaraan mee zal werken.

4.7

Dat de riolering oud en misschien gebrekkig is en dat partijen met elkaar in overleg moeten treden als er werkzaamheden aan de riolering noodzakelijk of wenselijk zijn – welk overleg nodig is omdat de riolering van hen gezamenlijk is en omdat de uitvoeringswerkzaamheden mogelijk op beide percelen moeten plaatsvinden – is geen grond om aan [geïntimeerden] te gelasten geheel op eigen kosten een gescheiden riolering aan te leggen.

4.8

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen grond is om [geïntimeerden] te gelasten een eigen, volledig van [appellanten] gescheiden, rioolaansluiting te realiseren met in achtneming van de erfgrens. De tweede grief van [appellanten] is ongegrond.

Camera’s

5.1

Bij eisvermeerdering in hoger beroep heeft [appellanten] gevorderd [geïntimeerden] te verbieden camera’s op haar perceel te richten en camerabeelden en (of) geluidsopnamen van haar perceel te maken en die te gebruiken door ze te vermenigvuldigen, te verspreiden of aan derden te tonen. [appellanten] heeft (reeds in eerste aanleg) erkend dat [geïntimeerden] het recht heeft om camera’s op te hangen voor de beveiliging van zijn eigendommen, maar zij bestrijdt dat de camera’s mogen worden gericht op haar perceel en zij verzet zich tegen het ophangen van de camera’s met het doel om het doen en laten van [appellanten] vast te leggen. Zij heeft aangevoerd dat er meer dan vier camera’s op het perceel van [geïntimeerden] zijn die volledig zijn gericht op haar perceel en dat [geïntimeerden] camerabeelden daarvan nog in 2016 heeft laten zien aan de plaatselijke politie. Zij acht dit buitensporig en disproportioneel.

5.2

[geïntimeerden] heeft betwist dat hij camera’s heeft opgehangen die geluidsopnamen (kunnen) maken. Het hof overweegt dienaangaande dat [appellanten] onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat de camera’s dit kunnen. Hierover heeft zij niets specifiek aangevoerd, de foto’s tonen geen geluidsapparatuur en veel camera’s maken alleen beelden. Voor wat betreft de geluidsopnamen moet de vordering reeds daarom worden afgewezen.

5.3

Voor wat betreft de camerabeelden overweegt het hof het volgende.
[geïntimeerden] heeft het recht om zijn perceel te beveiligen met camera’s, zoals [appellanten] ook heeft erkend. Ook [appellanten] heeft dit recht. Gelet op het recht op privacy moet dit wel proportioneel zijn en zich tot het voor beveiliging noodzakelijke minimum beperken. Gelet op de onmin tussen deze beide buren en de daardoor kennelijk gevoelde noodzaak om te kunnen controleren of de ander geen vernielingen aanricht, is het redelijk dat zij met bewakingscamera’s ook de erfgrens en een naastliggende smalle strook grond van het buurperceel in beeld brengen, zodanig dat er niet ongezien vernielingen vanaf dat perceel kunnen worden aangericht. Hiertoe moet de camera gericht zijn op het eigen perceel en de erfgrens en niet op het perceel van de buren. Voorts mogen beelden van (vermeend) onrechtmatig handelen aan de politie worden getoond, zodat deze zo nodig kan optreden.

5.4

[geïntimeerden] heeft betwist dat hij meer dan vier camera’s heeft opgehangen rond zijn woning en dat deze alle op het perceel van [appellanten] zijn gericht. Hij heeft aangevoerd dat hij de camera’s niet (zelf) kan draaien en dat slechts twee camera’s zo zijn opgehangen dat zij beelden (kunnen) maken van het perceel van [appellanten] Hij heeft aangevoerd dat hij deze camera’s nodig heeft om zichzelf en zijn eigendommen te beschermen en dat hij ze deels op het perceel van [appellanten] moet richten om te voorkomen dat er ongezien vernielingen worden aangericht vanaf haar perceel.

5.5

Ter onderbouwing van haar stelling dat er meer dan vier camera’s (nagenoeg) geheel en disproportioneel op haar perceel gericht staan, heeft [appellanten] verwezen naar foto’s die als productie 3 en 20 zijn overgelegd. Deze foto’s tonen dat er één camera aan de loods van [geïntimeerden] is gemonteerd en twee camera’s aan de dakrand van de woning van [geïntimeerden] (in verschillende richtingen gekeerd). De foto van het raam die in het dossier zit toont niet dat er (binnen) een camera geplaatst is. Geen van de foto’s tonen of de camera’s zijn aangesloten en daarbij (hoofdzakelijk) gericht zijn op het perceel van [geïntimeerden] en de erfafscheiding, danwel op het perceel van [appellanten]

Voorts heeft [geïntimeerden] als productie 7 in hoger beroep vier schermafbeeldingen overgelegd. Het beeld op de productie links boven toont de erfafscheiding met [appellanten] en een strook grond van haar perceel (zonder woning). Het hof kan niet vaststellen dat de camera die dit beeld maakte op het perceel van [appellanten] is gericht en een ongerechtvaardigde inbreuk op haar privacy maakt. De beelden op de productie rechts boven en links onder tonen slechts het perceel van [geïntimeerden] zelf. Op grond van deze beelden kan het hof geen verbod opleggen.

5.6

Het beeld op productie 7 rechts onder toont dat de camera die dat beeld maakte weliswaar mede gericht is op het perceel van [geïntimeerden] zelf, maar tevens op de achtergevel van [appellanten] waarbij deze nagenoeg de gehele breedte van de eerste verdieping van haar woning toont en waarbij (bij een juiste lichtinval) ook door haar raam naar binnen kan worden gekeken en waarbij na snoeien van de heg naar nagenoeg de gehele breedte van de benedenverdiepingen van haar woning en het terras kan worden gekeken. Dit acht het hof onnodig voor beveiliging van het perceel van [geïntimeerden]

heeft erkend dat er twee camera’s (deels) beelden maken van het perceel van [appellanten] Hij heeft als productie 10 in hoger beroep een foto van één van die beelden overgelegd. Deze toont dat (het middelpunt van) de camera aan de voorkant van zijn woning gericht is op het raam en de voordeur van [appellanten] Deze camera is dus niet slechts gericht op het perceel van [geïntimeerden] en de erfafscheiding (met eventueel een smalle naastliggende strook van het perceel van [appellanten] ). De camera toont de hele voorgevel van de benedenverdieping van de woning en dus ook het in en uit de woning gaan en toont voorts (bij de juiste lichtinval) hetgeen zich binnen achter het raam afspeelt. Dit zijn meer beelden dan noodzakelijk om te voorkomen dat vanaf dat perceel over de erfafscheiding heen ongezien vernielingen zouden kunnen worden aangericht.

5.7

Gelet op het recht op privacy van [appellanten] is het niet toelaatbaar om met gemonteerde bewakingscamera’s de onder 5.6 genoemde beelden te maken. Dit is onnodig en disproportioneel. Dat het bij één camera om de voorgevel gaat die vanaf de openbare weg zichtbaar is, doet daaraan niet af, omdat de openbare voorgevel zonder camera’s niet permanent in beeld wordt gebracht.

[geïntimeerden] zal deze twee camera’s daarom moeten verwijderen of (laten) draaien of verplaatsen zodat de voordeur, de ramen van de woning en het terras van [appellanten] niet meer in beeld zijn. Het hof zal de vordering van [appellanten] inzake de camera’s daarom toewijzen voor zover een verbod is gevorderd om camera’s te richten op haar perceel.

5.8

[geïntimeerden] heeft betwist dat hij beelden met derden (anders dan de politie) deelt of verspreidt. Tegenover die betwisting heeft [appellanten] onvoldoende gesteld. [appellanten] heeft ter zake van haar vordering betreffende de camera’s ook niet een (voldoende specifiek) bewijsaanbod gedaan. Het hof acht het niet nodig, noch wenselijk, om in deze burenruzie hierover ambtshave getuigen te horen.

Behoudens het hierna in de beslissing te noemen verbod, zal de vordering van [appellanten] daarom worden afgewezen.

5.9

Voor het opleggen van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding ziet het hof onvoldoende aanleiding. Het hof zal aan het verbod een dwangsom verbinden van € 150,- per dag of gedeelte van een dag dat één of meer camera’s aanstaan en op het perceel van [appellanten] (in plaats van op de erfafscheiding en een smalle strook naastgelegen grond of op het eigen perceel) zijn gericht, met een maximum van € 25.000,-. Daarbij gaat het hof er van uit dat [geïntimeerden] binnen tien dagen nadat dit arrest aan hem is betekend, de camera’s die op het perceel van [appellanten] zijn gericht uit kan laten zetten of anders kan laten richten.

6. De derde en vierde grief van [appellanten] (betreffende de proceskosten en het dictum) volgen het lot van de andere grieven. Zij behoeven geen afzonderlijke bespreking.

7. In het principaal appel zal het hof [appellanten] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. In het incidenteel appel is [geïntimeerden] in het ongelijk gesteld, zodat hij de proceskosten daarvan moet dragen. [appellanten] heeft (anders dan [geïntimeerden] ) nakosten en rente over die proceskosten gevorderd, hetgeen toewijsbaar is.

Beslissing

Het hof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank [woonplaats] van 13 mei 2015;

- verbiedt [geïntimeerden] om de aan zijn eigendommen gemonteerde camera’s te richten op het perceel van [appellanten] op de wijze zoals aangegeven in overweging 5.6, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150,- per dag of gedeelte van een dag waarop [geïntimeerden] vanaf tien dagen na de dag van betekening van deze uitspraak één of meer camera’s die gericht zijn op het perceel van [appellanten] aan heeft staan, tot een maximum van € 25.000,-;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in het principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 311,- aan verschotten en € 2.692,- aan salaris van de advocaat;

- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in het incidenteel appel, aan de zijde van [appellanten] tot op heden begroot op € 1.346,- aan salaris van de advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,-, na de datum van betekening, moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, E.J. van Sandick en M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.