Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:246

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.206.805/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:16140, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Toestemming voor vertrek minderjarige of berusten in achterhouden? Verzet. Ondragelijke toestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 6 februari 2017

Zaaknummer : 200.206.805/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-8008

Zaaknummer rechtbank : C/09/520431

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] , [land] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 5 januari 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 december 2016 van de rechtbank Den Haag.

De man heeft op 18 januari 2017 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn voorts op 19 januari 2017 twee V-formulieren met bijlagen bij het hof ingekomen.

De zaak is op 23 januari 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer drs. J. van Vliet, tolk in de Franse taal.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in raadkamer gehoord.

Namens de raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de terugkeer gelast van de minderjarige naar [land] uiterlijk op 7 januari 2017, waarbij de vrouw de minderjarige dient terug te brengen naar [land] , en heeft de rechtbank bevolen dat indien de vrouw dit nalaat, zij de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 7 januari 2017, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [land] . Voorts is de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding van € 6.914,47, en is het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- partijen zijn gehuwd op [trouwdatum] te [woonplaats 2] , [land] ;

- zij zijn de ouders van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats 2] , [land] , hierna te noemen: de minderjarige;

- de ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige;

- de vrouw is op 4 juli 2016 met de minderjarige naar Nederland vertrokken;

- de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, de man de Franse en de minderjarige zowel de Nederlandse als de Franse nationaliteit;

- de man heeft zich op 22 augustus 2016 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit; de zaak is daar bekend onder iko-nummer: [nummer] .

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man om teruggeleiding van de minderjarige af te wijzen en het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de ten deze gemaakte kosten af te wijzen en in plaats daarvan te bepalen dat de kosten tussen partijen gecompenseerd worden, dan wel de man te veroordelen de ten deze door de vrouw gemaakte kosten aan de vrouw te voldoen.

2. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de door de vrouw aangevoerde grieven tegen de bestreden beschikking als zijnde niet-ontvankelijk dan wel ongegrond af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw met toepassing van artikel 26 lid 4 HKOV en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de aan de kinderontvoering gerelateerde kosten, de kosten van de procedure in eerste aanleg daaronder begrepen, welke kosten zullen worden opgemaakt bij staat.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 lid 1 van het HKOV

3. De vrouw stelt dat geen sprake is van een ongeoorloofde overbrenging naar of vasthouding van de minderjarige in Nederland, aangezien de man haar zijn toestemming had gegeven voor vertrek met de minderjarige naar Nederland. Na het uiteengaan van partijen zag de vrouw geen toekomst meer voor zichzelf in [land] en zij wenste een nieuwe start in Nederland te maken. Partijen zijn al in de zomer van 2015 begonnen met het overleg over een remigratie van de vrouw met de minderjarige naar Nederland. Er is zelfs een basisschool in Nederland benaderd. Bij nader inzien vond de man het toen nog te vroeg, omdat de minderjarige nog naar de kleuterschool ging. Partijen kwamen overeen dat de minderjarige de basisschool zou aanvangen in Nederland. De toestemming van de man blijkt uit de telefoongesprekken tussen partijen. De vrouw legt daarvan een beëdigde vertaling over. De man heeft toen de vrouw de afspraak met betrekking tot zijn vakantie met de minderjarige in augustus 2016 niet nakwam, zijn toestemming voor de verhuizing ingetrokken en de vrouw beticht van ontvoering, aldus de vrouw.

4. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken.

5. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3 lid 1 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: HKOV) het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd wordt beschouwd wanneer:

a. a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in [land] was gelegen voor haar overbrenging naar Nederland. Voorts staat vast dat de man mede met het gezag over de minderjarige belast is. Het gezagsrecht als bedoeld in artikel 3 HKOV omvat mede het recht om over de verblijfplaats van de minderjarige te beslissen (artikel 5 sub a HKOV). Het feit dat de vrouw in [land] het leeuwendeel van de verzorging van de minderjarige had, doet hier niet aan af. Vast staat dat de minderjarige in beginsel elke twee weken een weekend bij de man was. Naar het oordeel van het hof is - gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man - niet vast komen te staan dat de man onvoorwaardelijk heeft ingestemd met een permanent verblijf van de minderjarige in Nederland. Uit de overgelegde stukken - waaronder de e-mailmailberichten en de schriftelijke weergaven van telefoongesprekken tussen partijen die de vrouw heeft overgelegd - en het verhandelde ter zitting blijkt dat een mogelijk vertrek onderwerp van gesprek is geweest, maar dat de voorwaarden waaronder dit zou plaatshebben nog geenszins vaststonden. Tussen partijen staat vast dat de afspraak was dat de vrouw op 29 juli 2016 met de minderjarige terug zou keren naar [land] , zodat de man de maand augustus met de minderjarige zou kunnen doorbrengen. Dat de man aan de vrouw toestemming zou hebben verleend om met de minderjarige in Nederland te gaan wonen, is niet komen vast te staan.

7. Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet doen terugkeren van de minderjarige naar [land] in strijd met het gezagsrecht van de man is geschied en derhalve ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 lid 1 sub a HKOV. Krachtens artikel 12 HKOV lid 1 dient de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige te worden gelast, tenzij sprake is van een weigeringsgrond in de zin van artikel 13 HKOV. Artikel 13 HKOV luidt als volgt:

1. Niettegenstaande het bepaalde in het voorgaande artikel, is de rechterlijke of administratieve autoriteit van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon, de instelling of het lichaam dat zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat:

a. a) de persoon, de instelling of het lichaam dat de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust; of dat

b) er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

2. De rechterlijke of administratieve autoriteit kan eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

3. Bij het beoordelen van de in dit artikel bedoelde omstandigheden, houden de rechterlijke of administratieve autoriteiten rekening met de gegevens omtrent de maatschappelijke omstandigheden van het kind, die zijn verstrekt door de centrale autoriteit of enige andere bevoegde autoriteit van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 13 lid 1 sub a HKOV

8. Het hof overweegt daarover als volgt. Zodra de vrouw te kennen gaf niet terug te zullen keren met de minderjarige, is de man alles in het werk gaan stellen om de terugkeer van de minderjarige naar [land] te bewerkstelligen. Van een berusting van de man in een voortgezet verblijf in Nederland van de minderjarige vanaf 29 juli 2016 is het hof dan ook niet gebleken.

Artikel 13 lid 2 HKOV

9. De vrouw stelt dat de minderjarige zich inmiddels hevig verzet tegen terugkeer naar [land] . Ondanks het feit dat zij slechts 7 jaar oud is, kan zij goed aangeven wat zij wil en vindt van iets.

10. De man betwist de stelling van de vrouw.

11. Het hof is van oordeel dat uit het verhoor van de minderjarige niet is gebleken dat zij zich verzet tegen een eventuele terugkeer naar [land] . De minderjarige kon de eventueel minder prettige omstandigheden in [land] niet concretiseren. Zij vertelde wel het in Nederland prettiger te vinden, maar dat is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van verzet in de zin van artikel 13 lid 2 HKOV. Bovendien is het hof er niet van overtuigd dat de minderjarige een zodanige mate van rijpheid heeft bereikt dat met haar mening rekening moet worden gehouden. Zij is een jong meisje dat niet belast lijkt met een loyaliteitsconflict en op beide ouders betrokken is.

Artikel 13 lid 1 sub b HKOV

12. Volgens de vrouw is er sprake van een ernstig risico dat de minderjarige wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand zal worden gebracht door terugkeer. De levensstandaard en sociale omstandigheden zijn veel lager in [land] dan in Nederland, zodat de kansen van de minderjarige aldaar aanzienlijk slechter zijn. De kans is groot dat de vrouw niet nogmaals toestemming van de man zal krijgen om naar Nederland te vertrekken met de minderjarige. Daarnaast heeft de man aangifte gedaan tegen de vrouw en is het niet mogelijk deze in te trekken. De vrouw zal derhalve worden veroordeeld tot een forse gevangenisstraf. De man heeft een artikel in de krant gepubliceerd waarin hij de vrouw zwart maakt en de vrouw ontvangt veel vijandige berichten uit [land] . De vrouw zal daar dan ook geen leven hebben. De man verkeert in [land] overheidskringen en heeft, in tegenstelling tot de vrouw, een groot netwerk. De vrouw had depressieve klachten en was onder behandeling van een psycholoog. De man heeft geweld tegen de vrouw gebruikt en gedraagt zich intimiderend en agressief jegens haar. Ook zijn er veel gemeenschappelijke schulden waar de man niet aan bijdraagt. De vrouw zal geen woning kunnen krijgen in [land] omdat de man de woningbouwvereniging heeft aangeschreven en de vrouw heeft beticht van kinderontvoering. Woningen in de private sector zijn onbetaalbaar voor haar. Nu de vrouw haar baan heeft opgezegd aldaar zal zij geen uitkering ontvangen. Zij zal de zorg voor de minderjarige aan de man over moeten laten, die dit niet aankan en ook niet de financiële middelen daarvoor heeft.

13. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken.

14. Het hof is van oordeel dat de vrouw ook in hoger beroep niet heeft aangetoond dat de minderjarige door haar terugkeer naar [land] zal worden blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht. De minderjarige is geboren en getogen in [land] en heeft daar tot de zomer van 2016 gewoond. Gesteld noch gebleken is dat het niet goed ging met de minderjarige aldaar. Het is de vrouw die sinds het uiteengaan van partijen moeite heeft met een verblijf in [land] . Met betrekking tot de stellingen van de vrouw over een mogelijke vervolging alsmede het ontbreken van werk, woning en financiële middelen voor in [land] , overweegt het hof als volgt. Ter zitting heeft de man te kennen gegeven contact te hebben gehad met het hoofd van de nationale politie te [land] . De man zal zijn klacht tegen de vrouw intrekken en alles in het werk stellen om vervolging van de vrouw te voorkomen. Voorts zal de man bemiddelen bij werk en een woning voor de vrouw in de buurt van de school van de minderjarige. Het hof gaat er van uit dat de man zijn toezeggingen gestand zal doen. Het is niet in het belang van de minderjarige om gescheiden te worden van haar moeder, die onweersproken de hoofdverzorger van de minderjarige is. Nu de vrouw ter zitting heeft verklaard dat zij de minderjarige niet alleen terug zal laten gaan naar [land] en de man heeft toegezegd zijn klacht(en) tegen de vrouw te zullen intrekken en te bemiddelen bij werk en woning, is het hof van oordeel dat niet gebleken is dat de minderjarige zal worden gescheiden van de vrouw en aldus in een ondragelijke toestand zal komen te verkeren bij terugkeer.

Artikel 20 HKOV

15. De vrouw is van mening dat teruggeleiding van de minderjarige in strijd is met fundamentele beginselen van de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden. De minderjarige zou immers verstoken zijn van de verzorging en het contact met haar primaire verzorger en verdere familie.

16. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken.

17. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond niet met de minderjarige terug te kunnen keren naar [land] . Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen. Van een strijd met fundamentele beginselen van Nederland betreffende de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden is het hof niet gebleken.

Conclusie

18. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat het hof, nu de door de rechtbank bepaalde datum van teruggeleiding vanwege dit hoger beroep is achterhaald, de teruggeleiding van de minderjarige naar haar gewone verblijfplaats in [land] zal gelasten op uiterlijk 20 februari 2017.

Proceskosten

19. In de vijfde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld in vergoeding aan de man van de door hem begrote kosten. De vrouw is van mening dat zij de minderjarige niet heeft ontvoerd en dat zij dan ook niet gehouden is de kosten te voldoen. Bovendien acht de vrouw de door de man opgevoerde kosten te hoog. De vrouw heeft geen inkomsten en heeft schulden van partijen afgelost. Subsidiair stelt de vrouw dat de man de kosten van de vrouw moeten vergoeden, en meer subsidiair dat de kosten zouden moeten worden gecompenseerd tussen partijen. Dat zou meer recht doen aan de situatie zoals die tussen partijen is ontstaan, mede door toedoen van de man zelf.

20. De man persisteert bij zijn verzoek om de vrouw in de proceskosten te veroordelen.

21. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw, zijnde degene die de minderjarige in Nederland heeft vastgehouden, kan worden verplicht tot betaling van de noodzakelijke kosten die de man naar aanleiding daarvan heeft gemaakt. Het hof acht de door de man in hoger beroep opgevoerde kosten van € 4.801,86 voldoende onderbouwd.

22. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat de terugkeer van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats 2] , [land] , wordt gelast uiterlijk op 20 februari 2017, waarbij de vrouw de minderjarige dient terug te brengen naar [land] en beveelt, indien de vrouw nalaat de minderjarige terug te brengen naar [land] , dat de vrouw de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de man zal afgeven uiterlijk op 20 februari 2017, opdat de man de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [land] ;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de door de man gemaakte kosten in eerste aanleg en in hoger beroep in verband met de ontvoering en teruggeleiding ter hoogte van (6914,47 + 4801,86 =) € 11.716,33;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Mink, I. Obbink-Reijngoud en C.M. Warnaar, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2017.