Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2444

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
200.108.773-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na bewijslevering. Gevaarzetting door het laten uitvoeren van dekdekkerswerkzaamheden met onvoldoende veiligheidsmaatregelen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.108.773/01

Zaaknummer rechtbank : 85563 / HA ZA 10-2170

arrest van 18 juli 2017

inzake

1 TVM PARTICULIER N.V. h.o.d.n. Son Scheepsverzekeringen,

voorheen de onderlinge waarborgmaatschappij Schepen Onderlinge Nederland U.A.

gevestigd te Groningen,

2 [appellant 2] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten,

hierna te noemen: TVM en [appellant 2] en gezamenlijk ook als TVM c.s.,

advocaat: mr. M. Spanjaart te Rotterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

2 [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en gezamenlijk ook als [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 14 april 2015 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Vervolgens hebben getuigenverhoren plaatsgevonden op 25 september 2015, 22 januari 2016 en een gecombineerd getuigenverhoor en tegengetuigenverhoor op 21 april 2016, waarna partijen beiden nog een memorie genomen hebben.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Bij genoemd tussenarrest zijn TVM c.s. toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [geïntimeerde 2] uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de brandgevaarlijkheid van de daken waaraan werd gewerkt, meer in het bijzonder door te bewijzen dat

 Arisda B.V. een offerte aan [geïntimeerde 1] heeft uitgebracht voor de uitvoering van de later aan Hommel opgedragen werkzaamheden voor een bedrag van € 2.400,=;

 de door Arisda B.V. geoffreerde werkzaamheden inhielden dat twee man twee dagen aan het werk zijn, op de voorwaarde dat ook nog iemand van [geïntimeerde 1] zou meehelpen;

 [betrokkene] van Arisda B.V. aan [geïntimeerde 2] heeft medegedeeld dat de hoge kosten samenhingen met het brandgevaarlijke karakter van het dak, waardoor extra maatregelen moesten worden getroffen om het brandgevaar te beperken;

 ook Bosman met [geïntimeerde 2] heeft gesproken over de brandgevaarlijkheid van de daken;

of andere in dit verband relevante feiten of omstandigheden.

2. Met zijn in het tussenarrest gegeven bewijsopdracht heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk zijn voor de door de brand opgetreden schade, indien [geïntimeerde 2] uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor de brandgevaarlijkheid van de daken en de daarmee samenhangende te nemen veiligheidsmaatregelen bij werkzaamheden aan het dak, en in weerwil van die waarschuwingen heeft gekozen voor een wijze van herstel waarbij hij moest weten dat geen adequate veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

3. TVM c.s. hebben als getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] doen horen. Deze hebben – voor zover van belang en kort samengevat – het volgende verklaard.

3.1.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij aan [geïntimeerde 2] , die hij kende, voor de werkzaamheden aan de goot een offerte heeft uitgebracht van € 2.400,=. Hij heeft aan [geïntimeerde 2] toegelicht dat het bedrag vrij hoog was doordat de loodsen brandgevaarlijk waren. Verder heeft hij aan [geïntimeerde 2] gezegd dat hij met de werkzaamheden twee dagen bezig zou zijn en dat hij dan ook nog een mannetje van [geïntimeerde 2] nodig zou hebben om te helpen.

3.2.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat er een lekkage was en dat hij weet dat [getuige 1] van Arisda een offerte voor het verhelpen van die lekkage had gemaakt.

3.3.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij [geïntimeerde 2] , in verband met de opgetreden lekkage, heeft aangeraden om [getuige 1] de werkzaamheden te laten uitvoeren. Hij weet dat [getuige 1] toen een prijs heeft opgegeven aan [geïntimeerde 2] , voor zover hij zich herinnert tussen de € 2.500 en € 3.000, en dat [getuige 1] hem had verteld dat het ging om een asfalt dak, maar dat hij niet kon smelten of branden op het dak vanwege het feit dat het hout vermolmd was, om veiligheidsredenen. [getuige 3] heeft dit op zijn beurt verteld aan [geïntimeerde 2] .

4. [geïntimeerde 1] c.s. hebben in het tegengetuigenverhoor [geïntimeerde 2] doen horen. Hij heeft – voor zover van belang en kort samengevat – verklaard dat [getuige 1] naar aanleiding van de lekkage wel op het dak heeft gekeken, maar dat [getuige 1] alleen het hele dak wilde vervangen voor en bedrag van rond de € 40.000,=. [getuige 1] heeft niet aangeboden de lekkage te verhelpen voor een bedrag van tussen de € 2.500 en € 3.000. Een offerte heeft hij niet ontvangen. [geïntimeerde 2] heeft voorts verklaard dat als hij gewaarschuwd zou zijn voor brandgevaarlijkheid, hij de werkzaamheden anders had aangepakt. Hij heeft zelf ook grote schade geleden door de brand.

5. Het hof is van oordeel dat TVM c.s. zijn geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Zowel [getuige 1] , [getuige 2] als [getuige 3] hebben verklaard dat [getuige 1] een offerte heeft uitgebracht specifiek voor het verhelpen van de lekkage, waarbij [getuige 1] en [getuige 3] bovendien beiden een ongeveer gelijkluidend bedrag hebben genoemd. Zowel [getuige 1] als [getuige 3] hebben daarnaast verklaard dat [geïntimeerde 2] er door hen op is gewezen dat het om een relatief hoog bedrag ging omdat de daken brandgevaarlijk waren. Dat de volgens [getuige 1] door hem opgestelde schriftelijke offerte niet in het geding is gebracht, zoals door [geïntimeerde 2] wordt aangevoerd, maakt niet dat geen belang kan worden gehecht aan de genoemde getuigenverklaringen. Van de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. is met juistheid naar voren gebracht dat [geïntimeerde 2] – die niet de bewijslast draagt – niet geldt als partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Het hof is evenwel van oordeel dat hetgeen [geïntimeerde 2] in het tegengetuigenverhoor heeft verklaard niet opweegt tegen de verklaringen van de drie door TVM c.s. voorgebrachte getuigen. Dat deze drie verklaringen op onderdelen niet gelijkluidend zijn, acht het hof mede gezien het tijdsverloop, niet doorslaggevend.

6. Het voorgaande brengt, mede gezien hetgeen is overwogen in het tussenarrest van 14 april 2015 mee dat [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door TVM en [appellant 2] geleden schade.

7. TVM c.s. hebben de schade nader toegelicht door bij memorie na getuigenverhoor een rapport van taxatie van nautisch adviesbureau Dirk van der Zee in het geding te brengen. Laatstgenoemde heeft op basis van de in het dossier aanwezige gegevens de waarde van de Sandria vastgesteld per peildatum 2007 op € 54.400,=. [geïntimeerde 1] c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen het in dat stadium inbrengen van het taxatierapport, omdat in het tussenarrest van 14 april 2015 is vermeld (onder rov. 20) dat het hof TVM c.s. verzoekt om alle stukken waarop zij in deze procedure nog een beroep willen doen, inclusief die met betrekking tot de waarde van de Sandria, voorafgaand aan de te houden getuigenverhoren in het geding te brengen. Met die overweging strookt volgens [geïntimeerde 1] c.s. niet, dat het rapport pas bij memorie na getuigenverhoor in het geding is gebracht, zodat het rapport buiten beschouwing moet worden gelaten.

8. Het hof overweegt als volgt. Het verzoek van het hof aan TVM c.s. om alle stukken waarop zij nog een beroep wensten te doen voorafgaand aan de getuigenverhoren in het geding te brengen hangt ermee samen dat het mogelijk moet zijn om de getuigen met de ingebrachte stukken te confronteren, voor zover het gaat om stukken die betrekking hebben op hetgeen te bewijzen werd opgedragen. Voor de nadere onderbouwing van de schade gaat dit niet op, nu het probandum geen betrekking had op de schadeomvang. Daarbij komt dat [geïntimeerde 1] c.s. wel stellen dat zij in het kader van het getuigenverhoor aan [getuige 2] vragen hadden willen stellen over het taxatierapport maar niet toelichten om welke vragen het gaat en op welke wijze beantwoording van die vragen van belang zou zijn voor het vaststellen van de schade. [geïntimeerde 1] c.s. zijn voorts bij antwoordmemorie na enquête en contra-enquête in de gelegenheid geweest om op het rapport te reageren. De conclusie van het hof is dat [geïntimeerde 1] c.s. niet zijn geschaad door het moment van het in het geding brengen van het taxatierapport en – in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor – voldoende in de gelegenheid zijn geweest om op het rapport te reageren, zodat het hof dit rapport bij zijn oordeel zal betrekken.

9. Daarmee komt het hof toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door appellanten geleden schade. Bij memorie na getuigenverhoor hebben TVM c.s. hun eis verminderd. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd: “Op basis van de stukken uit het procesdossier komt Van der Zee tot een waardebepaling op het moment van de brand van € 54.400,--. Deze waarde ligt lager dan de aanvankelijk door appellanten gevorderde schade, en dientengevolge verminderen appellanten de hoofdsom tot EUR 54.400,--”.

Het hof begrijpt, met het oog op het in appel geformuleerde petitum, dat TVM c.s. thans vorderen betaling van een bedrag van € 54.400,= aan hen, althans aan ieder der appellanten het aan haar/hem verschuldigde gedeelte, te vermeerderen met de expertisekosten, buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor en de wettelijke rente per schadedatum.

10. Het hof overweegt ten aanzien van de schade allereerst dat er geen aanleiding is om TVM en [appellant 2] voor wat betreft de geleden schade met elkaar te vereenzelvigen. Niet ter discussie staat dat TVM een bedrag van € 36.250,= aan [appellant 2] heeft vergoed en dat dit bedrag dus de schade van TVM vormt. Voor [appellant 2] , die schade heeft geleden door het teloorgaan van zijn de Sandria, geldt dat zijn schade tot dit bedrag reeds is vergoed zodat hij dat gedeelte niet van [geïntimeerde 1] c.s. kan vorderen.

11. Het voorgaande brengt mee dat in hoofdsom een bedrag van € 36.250,= voor toewijzing aan TVM in aanmerking komt. De door [appellant 2] geleden schade dient te worden vastgesteld op het verschil tussen de werkelijke waarde van de Sandria ten tijde van de brand en het bedrag dat hij van TVM heeft ontvangen. Uitgaande van de verminderde eis gaat het volgens TVM c.s. om een bedrag van € 18.150,=. Artikel 6:97 BW brengt mee dat de schade wordt begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, en dat de omvang van de schade wordt geschat als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. [geïntimeerde 2] c.s. heeft aangevoerd dat het overgelegde rapport niet kan dienen ter onderbouwing van de waarde van de Sandria, omdat het rapport “hypothetisch is en niet meer te controleren”. Het feit dat de Sandria bij de brand teloor is gegaan brengt naar zijn aard mee dat een taxatie op basis van bezichtiging van de Sandria zelf niet meer tot de mogelijkheden behoort. Dat betekent echter niet dat er niet een (voldoende) gefundeerde inschatting kan worden gemaakt van de waarde van de Sandria teneinde de schade te kunnen vaststellen. Naar het oordeel van het hof hebben TVM c.s. met het door hen overgelegde taxatierapport de waarde van de Sandria ten tijde van de brand voldoende onderbouwd. De door de deskundige toegepaste methode om de dagwaarde te bepalen is naar het oordeel van het hof begrijpelijk en op objectieve gegevens gebaseerd. Uit het rapport blijkt, anders dan [geïntimeerde 2] c.s. aanvoeren, uitdrukkelijk dat de deskundige rekening heeft gehouden met het feit, dat de kosten van de in opdracht van [appellant 2] aan de Sandria uitgevoerde werkzaamheden niet één op één tot een waardevermeerdering van de Sandria hebben geleid. In het rapport is immers vermeld:

“Het moge duidelijk zijn dat het totale geïnvesteerde vermogen van € 59.000,= (=inclusief de motor) niet zondermeer bij de dagwaarde van het kale vaartuig opgeteld kan worden. Echter, wij zijn van mening dat een dergelijke re-fit wel degelijk gevolgen heeft voor de dagwaarde cq waarde voor vrije verkoop. Aan de hand van onze bevindingen in combinatie met het nodige deskresearch hebben wij dan ook den navolgende waarden vastgesteld: (…)”

Het hof zal gezien het voorgaande de door TVM c.s. in het geding gebrachte taxatie volgen, hetgeen meebrengt dat een bedrag van € 18.150,= kan worden toegewezen aan [appellant 2] .

12. De wettelijke rente over deze posten vanaf de schadedatum zijn – als niet betwist –voorts toewijsbaar als gevorderd. TVM c.s. hebben verder toewijzing verzocht van de kosten van het voorlopig getuigenverhoor ad € 254,=, de expertisekosten en buitengerechtelijke kosten. [geïntimeerde 1] c.s. hebben in eerste aanleg de toewijsbaarheid van deze posten bestreden. Voor de kosten van het voorlopig getuigenverhoor geldt, dat niet is verduidelijkt om welke kosten het gaat en op welke grond deze (als schadevergoeding) voor toewijzing in aanmerking komen. Naar volgt uit het proces-verbaal van verhoor waren de kosten van de gehoorde getuigen nihil. Deze post zal derhalve worden afgewezen. Voor de buitengerechtelijke kosten geldt dat deze alleen voor toewijzing in aanmerking komen als deze daadwerkelijk zijn gemaakt. [geïntimeerde 1] c.s. hebben dit betwist en TVM c.s. hebben die kosten ook in hoger beroep niet nader toegelicht, hetgeen meebrengt dat deze post zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de expertisekosten nu onderbouwing daarvan eveneens ontbreekt.

13. Bij deze uitkomst past dat [geïntimeerde 1] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van TVM c.s. in eerste en tweede aanleg, in eerste aanleg begroot op € 2.530,= aan griffierecht en € 4.263,= aan kosten advocaat, en in hoger beroep beroep op € 4.836,= aan griffierecht en € 8.970,50 aan kosten advocaat (5 ½ punten in tarief IV).

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan TVM te voldoen een bedrag van € 36.250,= met de wettelijke rente daarover vanaf de schadedatum tot het moment van voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant 2] te voldoen een bedrag van € 18.150,= met de wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2007 tot het moment van voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van TVM c.s. in eerste aanleg en in hoger beroep, in eerste aanleg begroot op € 6.793,= en in hoger beroep op € 13.806,50;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, M. Flipse en P.M. Verbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.