Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2392

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
2200529416
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak shaken baby (doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel met de dood tot gevolg)

De verdachte is vrijgesproken in verband met het overlijden op 22 januari 2012 van zijn 1 maand oude zoontje.

De man en zijn partner, de moeder van het kind, hebben verklaard dat de baby, nadat de man hem zijn flesje had gegeven en had verschoond, was gaan huilen en door de man in zijn armen werd getroost. Even later werd het kind stil en bleek hij niet meer te ademen, waarna zij direct 112 hebben gebeld. Het kind is toen door de man beademd en door anderen thuis en in de ambulance op weg naar het ziekenhuis gereanimeerd. Deskundigen hebben bij het jongetje diverse ernstige hersenletsels, die mogelijk op verschillende momenten zijn ontstaan, geconstateerd. Deze letsels, in combinatie, wijzen zij aan als de oorzaak van zijn dood. Maar wat er met het jongetje is gebeurd en wat de man zou hebben gedaan, onder welke omstandigheden, is volgens het hof al met al niet duidelijk geworden. Het hof acht in elk geval niet wettig en overtuigend bewezen dat de man - willens en wetens - zijn kind heeft gedood. Het OM vond dat overigens ook niet. Anders dan het OM concludeert het hof dat ook niet wettig en overtuigend bewezen is dat de man bewust de kans heeft aanvaard dat zijn zoontje zou komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 5, p. 219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005294-16

Parketnummer: 09-757191-12

Datum uitspraak: 18 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboortedag] (Suriname) op [geboortedatum] 1968,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 4 augustus 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het – thans in hoger beroep: primair - ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks de periode van 21 tot en met 22 januari 2012 te 's-Gravenhage opzettelijk [het slachtoffer], geboren op [geboortedag] 2011 van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] beetgepakt en/of beetgehouden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer geschud en/of met kracht tegen een hard voorwerp geslagen en/of geduwd en/of gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

voor zover het vorenstaande niet tot veroordeling kan leiden, subsidiair dat:

hij op of omstreeks de periode van 21 januari tot en met 22 januari 2012 te ’s-Gravenhage opzettelijk aan zijn kind, te weten [het slachtoffer], geboren op

[geboortedag] 2011, zwaar lichamelijk letsel (te weten schedelhersenletsel), althans letsel heeft toegebracht, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] beetgepakt en/of beetgehouden en/of (vervolgens) (met kracht) heen en weer geschud en/of met kracht tegen een hard voorwerp geslagen en/of geduwd en/of gegooid, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op 21 januari 2012, omstreeks 03:38 uur, heeft de verdachte het alarmnummer 112 gebeld, omdat zijn zoon [het slachtoffer] niet meer ademde. [Het slachtoffer] is door de verdachte – met behulp van door de centralist gegeven aanwijzingen - beademd en door het ter plaatse gekomen politie- en ambulancepersoneel gereanimeerd. Een dag later, op 22 januari 2012, omstreeks 10:48 uur, is [het slachtoffer] overleden. [Het slachtoffer] was toen slechts vijf weken en 2 dagen oud.

Nadat de schouwarts had geconcludeerd dat mogelijk sprake was van een niet-natuurlijke dood, heeft er op last van het openbaar ministerie een gerechtelijke sectie plaatsgevonden. In het op 22 januari 2012 geopende strafrechtelijke onderzoek naar het overlijden van [het slachtoffer] zijn diens ouders, te weten de verdachte en zijn vrouw, [partner], als verdachten aangemerkt. De zaak tegen [partner] is door de officier van justitie op 14 november 2014 – bij gebrek aan bewijs - geseponeerd.

Op 10 augustus 2012 heeft de NFI-deskundige A. Maes, arts en patholoog, het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” uitgebracht. De in dat rapport vastgelegde bevindingen en conclusie zijn mede gebaseerd op rapportages van een radioloog van het AMC, een toxicoloog van het NFI, een oogpatholoog van het Erasmus MC, een neuropatholoog van het NFI, het Laboratorium Genetisch Metabole Ziekten van het AMC en op een rapport van wonddatering van het VUMC. In het rapport van Maes valt onder meer het volgende te lezen:

Al Het was het lichaam van een goed gevoed en goed verzorgd jongetje waarvan het lichaamsgewicht 4930 gram en de lichaamslengte van 56,3 cm konden passen bij de leeftijd van 1 maand, rond de P80, volgens Groeionderzoek LUMC/TNO 1997. De hoofdomtrek van 41,4 cm was veel, meer dan de P98 […]

A2 Er was een onderhuidse bloeduitstorting van circa 0,7 cm op het voorhoofd […]

B1 Er was links aan het schedeldak een circa 4,5 cm lange streepvormige opheldering met het aspect van een scheur met omgevende bloeduitstorting onder het botvlies. Bij microscopisch onderzoek werd een recente fractuurlijn waargenomen.

B2 Er was een schil van bloed links onder het harde hersenvlies en er was bloederig hersenvocht. De hersenen waren sterk gezwollen en zeer week. Er was complete verstrijking van de hersenwindingen met afplatting van het hersenoppervlak (inklemming) […]

B4 De longen waren zeer vochtrijk en weinig luchthoudend meer (longoedeem). Bij microscopisch onderzoek werd in alle longvelden beginnende longontsteking waargenomen […]

C3 Er is pathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen oogjes. De conclusie: oogbol links en rechts met uitgebreide retinale (netvlies)bloedingen, bloedingen in en rond de nervus opticus (oogzenuwschede) met uitbreiding intrascleraal (in de harde oogrok) ter hoogte van de nervus opticus insertie (intrede). Ook deposities van ijzerpigment: dit wijst op bloedingen van 2-3 dagen oud. De bevindingen kunnen passen bij een acceleratie/deceleratie/impact trauma, indien andere oorzaken voor bloedingen zijn uitgesloten […]

C4 Er is neuropathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen hersenen. De conclusie: Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg toonde recente bloeduitstorting in de zachte hersenvliezen, fors oedeem (hersenzwelling) en axonale veranderingen (veranderingen van de zenuwbanen), passend bij acceleratie/deceleratie trauma […]

Interpretatie van de resultaten

[…] Bij sectie werd een normaal geproportioneerd jongetje gezien zonder aangeboren misvormingen. Uitwendig werd een onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd gezien. Bij inwendig onderzoek werd een mogelijke scheur (fractuur) in het schedeldak links zijwaarts waargenomen. Dat het inderdaad een scheur (fractuur) betrof werd bevestigd door microscopisch onderzoek. Er was links bloed onder het harde hersenvlies. De hersenen waren sterk gezwollen en afgeplat met inklemmingsverschijnselen. Er waren bij neuropathologisch onderzoek recente bloeduitstortingen in de zachte hersenvliezen en veranderingen passend bij acceleratie/deceleratie-trauma. In de onderzochte oogjes waren er veranderingen passend bij acceleratie/deceleratie/impact-trauma conform de klinische bevindingen van de oogarts. In de beide longen was beginnende longontsteking, een verwikkeling van de hersenschade. Het overlijden wordt door de gevonden schedelhersenschade zondermeer verklaard. Verminderde longfunctie door de longontsteking heeft aan het overlijden bijgedragen.

De oorzaak van de schedelhersen- en oogschade wordt gevormd door een combinatie van impact met acceleratie/deceleratie trauma (door heftig schudden) op het hoofd. De sectiebevindingen wijzen op niet accidenteel/toegebracht schedelhersen- en netvliesletsels.

Bespreking: De oogpatholoog vond in de oogjes behalve recente bloedingen ook ijzer deposities als aanwijzingen voor oogletsels van 2-3 dagen oud. De neuropatholoog vond in de hersenen geen zekere ijzerdeposities. [Het slachtoffer] heeft in het ziekenhuis nog ruim 1 dag geleefd na het incident dat kan de verklaring vormen voor het reeds aanwezig zijn van ijzerpigment in de onderzocht netvliezen. Ook worden bij oogpathologisch onderzoek de oogjes in hun geheel onderzocht en uit de hersenen worden representatieve delen onderzocht. Hierbij kunnen mogelijke deposities van ijzerpigment bij neuropathologisch onderzoek worden gemist.

Conclusie

[Het slachtoffer], 1 maand oud geworden, is overleden aan de gevolgen van ernstig toegebracht schedelletsel.

Vervolgens heeft NFI-deskundige W.A. Karst, forensisch arts KNMG, zijn bevindingen en conclusie op 18 september 2012 neergelegd in een rapport, dat nadien is aangevuld met een rapport van 11 maart 2013. Karst heeft onder meer het volgende overwogen en geconcludeerd:

Combinatie van bevindingen

Bij [het slachtoffer] zijn ondermeer ernstig (fataal verlopend) hersenletsel, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, uitgebreide netvliesbloedingen, een onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en een schedelbreuk geconstateerd.

Deze combinatie van bevindingen is passend bij toegebracht schedelhersenletsel door een schudincident (acceleratie-deceleratietrauma), door impact, of door de combinatie van beide. De geconstateerde schedelbreuk en de onderhuidse bloeduitstorting kunnen wijzen op impact als oorzaak van het geheel van bevindingen, al dan niet in combinatie met een schudincident. Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [het slachtoffer], bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, of bij de bevalling […]

Datering

Op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het ontstaan van klinische verschijnselen (deels met verklaringen van bekennende daders) bij toegebracht ernstig schadehersenletsel, kan worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (ordegrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld

een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, moet hebben plaatsgevonden. Bovendien wordt aangenomen dat bij een kind dat direct na het ontstaan van hersenletsel gezond en normaal functioneert, het bijzonder onwaarschijnlijk is dat in latere instantie zonder nieuw incident alsnog ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel wordt geconstateerd.

Conclusie

Het fataal verlopen hersenletsel, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de uitgebreide netvliesbloedingen, de onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en de schedelbreuk zijn in combinatie zeer veel waarschijnlijker bij een niet-accidenteel contacttrauma, al dan niet in combinatie met een schudincident (repeterend acceleratie-deceleratietrauma), dan bij een medische oorzaak en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of door eigen toedoen van [het slachtoffer].

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de verdediging heeft F.R.W. van de Goot, forensisch patholoog, op 29 juli 2014 in opdracht van de officier van justitie een rapport uitgebracht. Zijn bevindingen en conclusie luiden als volgt:

[…] Het letsel van het voorhoofd betreft een vaag begrensde donkere huidverkleuring van circa 2 cm in doorsnede met een bruin aspect. Aan de binnenzijde van de huid wordt een kleine onderhuidse bloeduitstorting gezien welke uitbreid in de lederhuid. Het optreden van bloeduitstorting met uitbreiding in de lederhuid was het gevolg van inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld. Zoals bijvoorbeeld kan optreden bij stoten, slaan, vallen etc. Daar de overliggende huid niet zichtbaar beschadigd is, is de mate van geweldinwerking niet aan te geven. Het aspect van de bloeduitstorting is slechts bij benadering aan te geven als: bij leven, en niet al te lang voor het intreden van de dood. Met niet al te lang wordt een periode van minuten, uren maar ook circa 1 dag. Een nog langere periode van bijvoorbeeld 2 of meer dagen wordt gezien het aspect met de lengte van de duur toenemend onwaarschijnlijker.

Het sectierapport is verder te ontnemen dat sprake was van een bloeduitstorting onder de harde hersenvliezen bij tekenen van hersenzwelling en bloedig hersenvocht. Het optreden van een subdurale bloeduitstorting (onder de harde hersenvliezen) is vrijwel altijd het gevolg van inwerking van substantieel uitwendig mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan optreden bij slaan, schudden, hard vallen, hard stoten, etc.

Het neuropathologisch rapport geeft aan dat sprake was van diffuse hersenschade met op verschillende zogenaamde B-app positieve bulbs. Dergelijke zenuwbeschadiging heeft enige tijd nodig om te ontwikkelen. Tevens werd histologisch een beeld gezien met opkomende ontstekingsactiviteit, opkomende macrofagale activiteit en endotheelzwelling. Een dergelijk beeld is conform hersenletsel van recente datum. Een ouderdom van circa 1 dag behoort tot de mogelijkheden, een langere periode van bijvoorbeeld 2 dagen of meer wordt toenemend onwaarschijnlijk […]

Tevens werd bij revisie van het histologisch materiaal expliciet gekeken naar tekenen van oude bloedingen. Dit omdat overwogen werd in hoeverre een stollingsstoornis voor het een en ander verantwoordelijk zou kunnen zijn. Er werden geen resten van oudere bloedingen in de hersenen aangetroffen […]

Het oogpathologisch onderzoek leverde aan dat sprake was van uitgebreide retinale bloeduitstortingen in de rond de oogzenuw. Tevens waren er deposities van ijzerpigment.

Deze rapportage gebruikt echter het woord “ook” alvorens het ijzerpigment te benoemen. Het is namelijk zondermeer mogelijk dat er sprake is van recente bloeduitstorting bij reeds aanwezig ijzerpigment […]

De breuk van de schedel blijkt inderdaad reëel. Het wondbeeld is van dien aard dat geen sprake kan zijn van een na de dood ontstane breuk […] Met enige terughoudendheid kan worden gesteld dat de bevindingen een botbreuk met een veronderstelde ouderdom van circa 1 dag beslist niet tegenspreken […]

Samenvatting van alle bevindingen

[…] Centraal in het geheel is de plotselinge knik in het verhaal met rabiaat overlijden. Het optreden van een vers hematoom en daarbij diffuse hersenschade bij een baby die voorheen gezond was met rabiaat overlijden in vanuit een diep comateuze toestand, in combinatie met het uitsluiten van alle andere relevante oorzaken die aan een dergelijk beeld ten grondslag zouden kunnen liggen, laten feitelijk geen ruimte meer over voor alternatieve verklaringen.

In deze casus zijn de bevindingen redelijkerwijs niet anders te verklaren dan opgelopen door substantiële geweldinwerking kort voor, dan wel tijdens, het optreden van de knik. Het feit dat een kind tot dat moment symptoomloos zou hebben gereageerd geven geen ruimte voor een geweldinwerking langer geleden. Dat er ijzerpigment in het optische systeem aanwezig is kan een enkele keer toch ten gevolge van geboorte optreden dan wel op andere niet meer aantoonbare oorzaak. Hoe dan ook, in deze zaak is dit slechts bijzaak.

Conclusie

Bij deze circa 5 weken oud geworden baby wijzen de bevindingen zeer sterk in de richting van substantiële geweldinwerking kort voor, dan wel tijdens het optreden van de eerste symptomen, als oorzaak van het ontstaan van een uitzichtloze situatie en het daaruit volgende intreden van de dood.

De verdediging heeft daarnaast onder meer een rapport van J.A. Koppe, emeritus hoogleraar Neonatologie, in het geding gebracht. Koppe heeft in dit rapport van 29 juli 2015 en in haar aanvullingen daarop de conclusies van Maes, Karst en Van de Goot bestreden en zich op het standpunt gesteld dat deze deskundigen op het verkeerde been zijn gezet door aan te nemen dat de bevalling, alsmede de ontwikkeling en de groei van de baby na de geboorte normaal zouden zijn geweest. Koppe heeft in haar rapport onder meer het volgende omtrent de doodsoorzaak van [het slachtoffer] geconcludeerd:

Wij hebben te maken met een baby, die vanaf de tweede dag na de geboorte neurologische verschijnselen had en een abnormale schedelgroei waarschijnlijk veroorzaakt door een chronische subdurale effusie met drukverhoging in de schedel met als gevolg een abnormale toename van de schedelomtrek. Onder invloed van de druk op de hersenen, misschien ook geluxeerd door een zich ontwikkelende bronchopneumonie, waarvan tekenen gevonden worden bij de gerechtelijke obductie ontstond bij dit reeds zeer kwetsbare kind met al een ernstige hersenbeschadiging een nieuwe verse subdurale bloeding kort voor of in de nacht van 21-1-2012 en kreeg hij een apneu en werd slap.

De politie was in de nacht van 21 januari 2012 nagenoeg onmiddellijk nadat de verdachte het alarmnummer 112 had gebeld ter plaatse. De vrouw van de verdachte, eerdergenoemde [partner], heeft toen gezegd dat [het slachtoffer] een flesje had gehad, daarna begon te huilen en ineens stil werd, waarop het alarmnummer is gebeld.

De verdachte en [partner] hebben bij gelegenheid van hun verhoor op 31 januari 2012 onafhankelijk van elkaar gelijkluidende verklaringen over de gebeurtenissen in de nacht van 21 januari 2012 afgelegd. Die verklaringen komen er in de kern op neer dat de verdachte [het slachtoffer] die nacht in de slaapkamer, zittend op bed, een flesje heeft gegeven, dat [partner] toen naast hen op bed lag, dat de verdachte [het slachtoffer], nadat deze het flesje nagenoeg had leeggedronken, heeft laten boeren, zijn luier heeft verschoond en zijn mutsje op heeft gedaan, dat [het slachtoffer] toen begon te huilen, waarop de verdachte het mutsje weer af heeft gedaan, [het slachtoffer] heeft opgepakt en hem, al lopende naar de woonkamer, heeft getracht te troosten. [Partner] is meteen achter hen aan gelopen en heeft, aldus haar verklaring, continu zicht op de verdachte en [het slachtoffer] gehad. [Het slachtoffer] bleef huilen, slaakte op enig moment een zucht en werd slap. De verdachte, die volgens zijn verklaring in de veronderstelling verkeerde dat [het slachtoffer] in slaap was gevallen, heeft hem daarna desgevraagd aan [partner] gegeven, die vervolgens constateerde dat hij niet meer ademde, waarop de verdachte onmiddellijk het alarmnummer 112 heeft gebeld.

Die verklaringen, voor zover deze inhouden dat de verdachte die nacht de zorg voor [het slachtoffer] op zich had genomen, bezien in samenhang met – naar het hof begrijpt - de bevindingen en conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot, vormen de basis van het in de appelschriftuur neergelegde standpunt van het openbaar ministerie, inhoudende dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich aan het thans in hoger beroep primair ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt. Dat standpunt is ter terechtzitting in hoger beroep door het openbaar ministerie gehandhaafd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep – met name onder verwijzing naar hetgeen door Koppe over de mogelijke doodsoorzaak is gerapporteerd - vrijspraak bepleit en daarbij het voorwaardelijke verzoek gedaan om een neuropatholoog als deskundige te benoemen teneinde antwoord te krijgen op de vraag of er een tijdsindicatie valt aan te geven tussen het moment van het ontstaan van de axonale schade dan wel het mechanisme dat tot die schade heeft geleid en het moment van het optreden van de eerste klinische symptomen dan wel het overlijden van [het slachtoffer].

Het hof is met de verdediging van oordeel dat - onder meer - deze vraag in het tot op heden verrichte onderzoek nog onderbelicht is gebleven en dat specifieke deskundigheid op het gebied van de neuropathologie is vereist teneinde die vraag te kunnen beantwoorden.

Desalniettemin acht het hof het niet noodzakelijk om in dezen een neuropatholoog als deskundige te benoemen. Naar zijn oordeel kan namelijk geen bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde volgen, zelfs niet indien de conclusies van de deskundigen Maes, Karst en Van de Goot zouden worden gevolgd en daarbij zou worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die – gezien hetgeen hierna wordt overwogen: in ieder geval een deel van - de uiteindelijk fataal gebleken letsels heeft toegebracht. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Aan de verdachte is primair doodslag en subsidiair (zware) mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, ten laste gelegd. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is wettig en overtuigend bewijs vereist dat de verdachte [het slachtoffer] met opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – van het leven heeft beroofd dan wel (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht als gevolg waarvan [het slachtoffer] is komen te overlijden.

Dat de verdachte [het slachtoffer], uitgaande van de vooropstelling dat [het slachtoffer] door zijn toedoen is overleden, willens en wetens van het leven heeft beroofd dan wel willens en wetens (zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht, valt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet te bewijzen. Dat is, naar het hof begrijpt, ook het standpunt van de advocaat-generaal.

Naar het oordeel van het hof ontbreekt, uitgaande van eerder bedoelde vooropstelling, eveneens het wettig en overtuigend bewijs van het voorwaardelijk opzet, dat minst genomen is vereist voor een bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde.

Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu de dood dan wel (zwaar) lichamelijk letsel - aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien – zoals in casu - de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, eveneens van de feitelijke omstandigheden van het geval afhangen. Ook daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Juist omtrent de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging – meer in het bijzonder ook de kracht waarmee de volgens Maes, Karst en Van de Goot niet-accidentele geweldsinwerking gepaard moet zijn gegaan – alsmede de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht, hebben het voorbereidend onderzoek, het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen, althans onvoldoende, duidelijkheid kunnen verschaffen.

Maes heeft in haar rapport van 10 augustus 2012 geconcludeerd dat de schedelhersen- en oogschade is veroorzaakt door een combinatie van impact en acceleratie/deceleratie-trauma op het hoofd. Zij maakt daarbij geen onderscheid tussen de diverse letsels en legt, naar het hof begrijpt, de gezamenlijkheid van deze letsels aan haar conclusie ten grondslag. De kracht die nodig is om deze letsels toe te brengen is door haar niet nader gespecificeerd dan dat, waar het althans het acceleratie/deceleratie-trauma betreft, sprake moet zijn geweest van “heftig” schudden.

Van de Goot heeft in zijn rapport van 29 juli 2014 geconcludeerd dat alle bevindingen – naar het hof begrijpt: in onderling verband en samenhang beschouwd - zeer sterk wijzen in de richting van “substantiële” geweldsinwerking kort voor dan wel tijdens het optreden van de eerste symptomen.

Karst tenslotte heeft in zijn rapport van 18 september 2012 onder het kopje “Combinatie van bevindingen” opgemerkt dat het ernstige (fataal verlopen) hersenletsel, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de uitgebreide netvliesbloedingen, de onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en de schedelbreuk – in combinatie bezien – passen bij toegebracht schedelhersenletsel door een schudincident (acceleratie/deceleratie-trauma), door impact of door de combinatie van beide. Hij heeft daaraan toegevoegd dat meer specifiek de schedelbreuk en de onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd – hof: ten aanzien van welk laatste letsel de mate van geweldsinwerking volgens Van de Goot niet valt aan te geven – kunnen wijzen op impact als oorzaak van het geheel van bevindingen, al dan niet in combinatie met een schudincident. Dat er – naar het hof begrijpt – volgens hem in ieder geval sprake moet zijn geweest van een impact, is ook in zijn uiteindelijke conclusie terug te vinden. Die conclusie luidt immers

– zoals eerder in dit arrest reeds geciteerd - dat het fataal verlopen hersenletsel, de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de uitgebreide netvliesbloedingen, de onderhuidse bloeduitstorting op het voorhoofd en de schedelbreuk in combinatie zeer veel waarschijnlijker zijn bij een niet-accidenteel contacttrauma, al dan niet in combinatie met een schudincident (repeterend acceleratie/deceleratie-trauma) dan bij een medische oorzaak en/of een val van beperkte hoogte en/of gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of door eigen toedoen van [het slachtoffer]. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 maart 2016 heeft hij op dit punt verklaard:

Ik zou alles onder een fors contacttrauma moment kunnen scharen. Dat wil niet zeggen dat het zo is geweest, maar het is wel te verklaren.

In het rapport van Karst van 18 september 2012 valt onder het kopje “Combinatie van bevindingen” voorts het volgende te lezen:

Het is niet goed mogelijk om de noodzakelijk benodigde kracht voor het ontstaan van de klinische verschijnselen in combinatie met de medische bevindingen exact aan te geven […]

Hij voegt daaraan toe dat vallen van beperkte hoogte (tot circa 1,5 meter) van jonge kinderen zeer zelden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd leiden – zonder nadere duiding van leeftijd en ondergrond – en dat wordt aangenomen dat er een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 HZ) en duur (vanaf circa 5 seconden) is vereist indien schudden – zonder impact – als oorzaak van ernstig hersenletsel valt aan te wijzen. Zoals reeds overwogen, moet er volgens hem bij [het slachtoffer] echter – naar het hof begrijpt – in ieder geval van een impact sprake zijn geweest, al dan niet in combinatie met een schudincident. Of het schudincident, indien daar tevens sprake van zou zijn geweest, met een aanmerkelijke kracht gepaard moet zijn gegaan, zo frequent en lang als hiervoor aangegeven, valt op grond van het vorenstaande niet zonder redelijke twijfel vast te stellen.

Karst heeft in meergenoemd rapport onder het kopje “Combinatie van bevindingen” aan het slot nog wel opgemerkt dat het schudden en/of de impact dusdanig heftig moet zijn geweest om bij kleine kinderen tot hersenletsel te kunnen leiden dat getuigen de handeling direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.

Zoals reeds overwogen, heeft Karst zijn conclusie, in welk verband laatstgenoemde opmerking moet worden bezien, gebaseerd op de combinatie van bevindingen, evenals Maes en Van de Goot. Volgens Van de Goot hoeven, gezien zijn ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2015 afgelegde verklaring, de bij [het slachtoffer] geconstateerde letsels echter niet het gevolg van slechts één geweldsinwerking te zijn geweest. Hij heeft in dat verband verklaard:

Er wordt uitgegaan van één geweldsinwerking. Er kan ook sprake zijn van een aantal handelingen waarbij door de ene handeling een hematoom is ontstaan, door een andere handeling de breuk en door weer een andere handeling het schudden van de hersenen. We koppelen het vast aan één moment, maar het kunnen meerdere momenten zijn geweest, kort achter elkaar.

Hoe kort achter elkaar wordt uit zijn verklaring, ook indien deze in samenhang met zijn rapport van 29 juli 2014 wordt bezien, niet duidelijk. Karst heeft evenwel ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 maart 2016 verklaard:

Het kan zijn dat er thuis een incident is geweest op basis waarvan traumatisch hersenletsel is ontstaan en dat er bijvoorbeeld in de ambulance een moment is geweest dat [het slachtoffer] met forse kracht impact heeft opgelopen en dat die impact een subduraal hematoom heeft veroorzaakt. Dat kan ik niet uitsluiten.

Zoals reeds overwogen, heeft de verdachte omstreeks 03:38 uur het alarmnummer 112 gebeld. Het hof heeft geen reden om te betwijfelen – en het openbaar ministerie heeft ook niet in twijfel getrokken - dat dit onmiddellijk is gebeurd toen werd geconstateerd dat [het slachtoffer] geen adem meer haalde, zoals door de verdachte en zijn vrouw is verklaard. Omstreeks 04:30 uur is door het ambulancepersoneel besloten om [het slachtoffer] naar het ziekenhuis te vervoeren.

Indien al hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking wordt genomen en meer in het bijzonder in aanmerking wordt genomen dat er meerdere geweldsinwerkingen kunnen zijn geweest, in welk verband niet valt uit te sluiten, gelet op hetgeen Karst heeft verklaard, dat [het slachtoffer] bijvoorbeeld in de ambulance - ongeveer 52 minuten nadat hij in ademnood kwam - met forse kracht een impact heeft opgelopen met een subduraal hematoom tot gevolg, kan naar het oordeel van het hof geen bewezenverklaring van het primair dan wel subsidiair ten laste gelegde volgen, ook niet indien ervan zou worden uitgegaan dat de overige letsels dan wel het subduraal hematoom, die [het slachtoffer] – gelet op de rapporten van Maes, Karst en Van de Goot: bezien in combinatie met bedoeld hematoom – uiteindelijk fataal zijn geworden, door toedoen van de verdachte zijn ontstaan. Omtrent de aard en uiterlijke verschijningsvorm van de handeling (of handelingen) die alsdan door de verdachte zouden zijn verricht – waaronder meer in het bijzonder de daarmee gepaard gaande kracht – en de omstandigheden waaronder die handeling(en) alsdan zou(den) zijn verricht, bestaat geen althans onvoldoende duidelijkheid. Dit leidt ertoe dat het hof het niet gewettigd acht te concluderen dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te achten kans dat [het slachtoffer] dientengevolge zou overlijden, dan wel (zwaar) lichamelijk letsel zou oplopen.

Naar het oordeel van het hof dient de verdachte dan ook van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. A.J.M. Kaptein en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 augustus 2017.

Mr. Van Dijk en mr. Van den Hurk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.