Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2330

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
200.198.162/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Inschrijving in 1978. Verdeling. Man start procedure tot de verdeling in 1996. Hoger beroep loopt sinds 1999. Toedeling appartement aan de vrouw tegen de waarde per medio 1977. Hof laat vrouw toe tot het bewijs van haar stelling dat de hele gemeenschap in obligatoire zin al is afgewikkeld inclusief de financiële kant en alleen nog overdracht plaats moet vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.198.162/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C / 09 / 58408 / HA ZA 96-1892

Arrest van 1 augustus 2017

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.G.H. Janssen te Leiden,

tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.C. de Jong te Leiden.

Het geding

Bij exploot van 24 augustus 2016 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 20 januari 2016 en 25 mei 2016 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw twee grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven gemotiveerd bestreden, tevens heeft hij (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld.

De vrouw heeft een memorie van antwoord in het (voorwaardelijk) incidenteel appel genomen.

Alleen de man heeft zijn procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis 25 mei 2016

2. Door de rechtbank is als volgt beslist:

3.1

stelt vast dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen aldus plaatsvindt, dat aan de vrouw wordt toegedeeld het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de tweede verdieping met toebehoren, staande en gelegen te [de man] , kadastraal bekend als gemeente [volgen gegevens]

3.2.

stelt vast dat dit vonnis ex artikel 3:300 BW in de plaats treedt van een akte bestemd tot levering van het aan de man toebehorende aandeel in het appartementsrecht aan de vrouw en dat dit vonnis vervolgens ex artikel 3:301 BW in het kadaster kan worden ingeschreven;

3.3

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 26.092,35 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis;

3.4

stelt de wederzijdse vorderingen uit hoofde van récompense en reprise vast op ieder

€ 408,40;

3.5

stelt vast dat, na uitvoering van de bovengenoemde scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, partijen in het kader van deze verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben;

3.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt;

3.8

wijst af het meer of anders gevorderde.

Vordering van de vrouw

3. De vrouw verzoekt het hof, het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 mei 2016 te vernietigen met alsnog afwijzing van de vordering zoals in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag verzocht, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide procedures.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die 40 jaar duurde en nog niet is voltooid

4. Partijen zijn in 1969 in de wettelijke gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Het echtscheidingsvonnis is op 20 juli 1978 ingeschreven in het register van de burgerlijke stand met als gevolg dat de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden.

5. In de periode van 16 mei 1978 tot en met september 1978 heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen de advocaten van partijen met betrekking tot de verdeling.

6. Op 15 mei 1996 heeft de man de vrouw gedagvaard met betrekking tot de verdeling van de op 20 juli 1978 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

7. Op 18 maart 1998 wordt door de rechtbank een tussenvonnis gewezen. In r.o 5 van dit vonnis is overwogen: “Dat appartement ( [adres] ; toevoeging hof) was door de man verlaten reeds voordat de echtscheiding was uitgesproken. Partijen waren het er steeds over eens dat het aan de vrouw zou worden toe gescheiden. Op 8 juni 1977 bracht ir. B.J. Huurman een taxatierapport uit, waarin het appartement werd gewaardeerd op f 40.000,-- in bewoonde en f 70.000,-- in lege staat.”. In r.o 8 is overwogen: “De rechtbank heeft daarom behoefte aan een deskundig oordeel omtrent de vraag naar de waarde van de woning [adres] medio 1977, naar de staat waarin die zich destijds bevond.”.

8. Van het vonnis van 18 maart 1998 is de man in hoger beroep gegaan. Dit hof heeft op 2 april 1999 arrest gewezen. Dit hof heeft in r.o 5 overwogen: “Bij de beoordeling hiervan is de waarde van de woning van belang. De rechtbank heeft terecht overwogen dat als peildatum medio 1977 genomen moet worden.”.

9. Op verzoek van de man is de zaak op 18 november 2015 weer op de rol gebracht.

10. Uit het vonnis van 17 februari 2016 van de rechtbank volgt dat de rechtbank alleen om een nadere toelichting aan partijen heeft gevraagd mede bezien de termijn die was verstreken na het vonnis van 18 maart 1998.

Wanneer is er verdeeld?

11. Niet in geschil is dat partijen het er over een waren en zijn dat het appartement te Leiden aan het [adres] aan de vrouw moet worden toegedeeld tegen de waarde per medio 1977.

12. De kern van het geschil is, of partijen ook met betrekking tot de financiële gevolgen van de verdeling overeenstemming hebben bereikt.

13. Uit Hoge Raad 8 februari 2013 ECLI:NL:2013:BY4279 volgt, dat een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming niet zonder meer impliceert dat partijen het ook eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor eenieder van hen heeft.

Grief 1 er is verdeeld

15. Het hof begrijpt uit grief 1, alsmede uit de summiere toelichting, dat de vrouw van mening is dat er is verdeeld en dat partijen ook met betrekking tot de financiële afwikkeling van de verdeling overeenstemming hebben bereikt. Partijen hebben de inboedel en de overwaarde betreffende het onroerend goed gedeeld.

16. In haar toelichting geeft zij aan bereid te zijn bewijs te leveren omtrent het feit dat de boedel tussen partijen is verdeeld. De vrouw wenst de kinderen als partij te horen.

17. De man is van mening dat de grief van de vrouw onbegrijpelijk is gemotiveerd. In randnummer 12 van zijn memorie van antwoord stelt de man dat de vrouw niet langer heeft bestreden dat uitsluitend de verdeling van de woning aan de orde is. Immers ter beantwoording van de hamvraag voor de verdeling heeft de man (in 2004) bij akte een taxatierapport overgelegd, welke door de vrouw niet is bestreden. De vrouw heeft tenslotte in het geheel niets meer van zich laten horen.

18. Het hof overweegt als volgt. De man is op 15 mei 1996 de procedure tot verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap begonnen. Dat de onderhavige procedure inmiddels 21 jaar bestrijkt is mede te wijten aan de proceskeuzes die de man zelf heeft gemaakt. Ook de man heeft de procedure volledig laten verzanden door vele jaren niets te ondernemen. De man had voldoende procesrechtelijke middelen om de voortgang van de procedure te bespoedigen, dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn rekening en risico.

19. De vrouw heeft bij conclusie van dupliek in eerste aanleg in randnummers 2 en 3 gesteld dat partijen na de scheiding de boedelscheiding hebben voltrokken (hetgeen uit de correspondentie blijkt). Alleen de feitelijke afwikkeling heeft niet plaats gevonden louter en alleen omdat de man zich nadien niet meer heeft gemeld bij de vrouw. In randnummer 3 bespreekt de vrouw de correspondentie tussen de advocaten van partijen in de periode 13 februari 1978 tot en met 8 september 1978. Eveneens is in het geding gebracht een brief van de advocaat van de vrouw van 25 januari 1995 gericht aan de advocaat van de man. Deze brief is bij brief van 22 november 1996 in het geding gebracht; zie productie 4. De strekking van de brief van 25 januari 1995 is dat de vrouw van mening is dat er tussen partijen ook overeenstemming is met betrekking tot de financiële afwikkeling van de verdeling.

20. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat de vrouw haar stelling niet heeft prijsgegeven dat er sprake is van een verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap waarbij partijen eveneens overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de finale financiële afwikkeling van de verdeling. Het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus dat in haar visie de gehele ontbonden huwelijksgemeenschap reeds in obligatoire zin is verdeeld, inclusief het onderhavige appartementsrecht dat enkel nog moet worden geleverd op de voet van artikel 3:186 BW en dat de overige gemeenschapsgoederen zijn geleverd op basis van de verdeling. De man betwist dit gemotiveerd. In zijn visie is het appartementsrecht ook in obligatoire zin niet verdeeld.

21. Het hof is van oordeel dat op basis van hetgeen is gesteld in de procedure niet vastgesteld kan worden dat partijen ook daadwerkelijk de gehele gemeenschap in obligatoire zin reeds hebben verdeeld met overeenstemming over de financiële afwikkeling daarvan. Uit de correspondentie tussen de advocaten van partijen ten tijde van de echtscheidingsprocedure en kort daarna volgt niet dat er overeenstemming is bereikt tussen partijen in het kader van de verdeling en wel in die zin dat partijen het ook eens waren over de financiële afwikkeling. In de brief van mr. J.C. de Vroom van 29 mei 1978 is gesteld: “Het voorstel, zoals dit is geformuleerd in Uw brief van 26 dezer is uiteraard voor cliënt onaanvaardbaar”. Ook met betrekking tot de periode van september 1978 tot en met de dagvaarding in mei 1996 heeft het hof geen feiten en omstandigheden kunnen vaststellen dat er tussen partijen overeenstemming was bereikt met betrekking tot de verdeling alszodanig.

22. In appel heeft de vrouw concreet bewijs aangeboden, en wel door het horen van de kinderen van partijen, dat de voormalige huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld inclusief de financiële afwikkeling tussen partijen. Het hof vindt dit bewijsaanbod voldoende concreet en zal de vrouw toelaten tot het bewijs dat de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van partijen in obligatoire zin geheel en deels goederenrechtelijk is verdeeld inclusief de financiële afwikkeling daarvan.

Beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het leveren van bewijs, onder andere door het horen van getuigen, van de stelling dat er tussen partijen overeenstemming is bereikt met betrekking tot de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap inclusief de financiële afwikkeling van deze gemeenschap;

verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2017 voor de opgave van de verhinderdata voor het te houden getuigenverhoor en wel voor de maanden vanaf november 2017 tot en met maart 2018;

gelast de vrouw tot het tijdig oproepen van de getuigen onder mededeling daarvan aan de wederpartij en de griffier van dit hof;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. O.I.M. Ydema ten overstaan van wie het getuigenverhoor plaatsvindt;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.