Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2324

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
22-001866-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1769, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een tegenspeler tijdens een voetbalwedstrijd, welke mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, subsidiair 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0696
TvS&R 2018, afl. 4, p. 90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001866-16

Parketnummer: 09-083734-15

Datum uitspraak: 21 juli 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 3 november 2016 en 10 juli 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 30 november 2014 te Schoonhoven aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) en/of een scheurtje in het linker enkelgewricht, heeft toegebracht door deze [benadeelde partij] op/tegen het linkerbeen te schoppen en/of te trappen en/of tegen het linkerbeen een sliding te maken;

subsidiair:


hij op of omstreeks 30 november 2014 te Schoonhoven

[benadeelde partij] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij] op/tegen het linkerbeen te schoppen en/of te trappen en/of tegen het linkerbeen een sliding te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) en/of een scheurtje in het linker enkelgewricht ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:


hij op of omstreeks 30 november 2014 te Schoonhoven grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig (tijdens een voetbalwedstrijd) met zijn, verdachtes, be(e)n(en) tegen de/het (linker)be(e)n(en) van [benadeelde partij] heeft geschopt en/of getrapt en/of is aangegleden (tengevolge waarvan deze [benadeelde partij] ten val kwam), waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat deze [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) en/of een scheurtje in het linker enkelgewricht, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van het ten laste gelegde

Verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij primair naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de verdachte, gelet op zijn handelen, geen opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad om letsel toe te brengen, ook omdat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op het letsel. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte – ingeval het hof van oordeel is dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kans op letsel - die kans niet heeft aanvaard. Tot slot heeft de raadsman zijn in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde gehandhaafd, inhoudende dat niet blijkt dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld omdat de handeling is ingezet in een actief spelmoment en de sliding gericht was op het afpakken van de bal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feiten

Op basis van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

Op 30 november 2014 vond in Schoonhoven een voetbalwedstrijd plaats tussen [x] en [y]. Aangever [benadeelde partij] speelde in het team van [x] en de verdachte speelde in het team van [y]. Op enig moment in de tweede helft sprintten [benadeelde partij] en de verdachte beiden achter de bal aan. Tijdens deze sprint bevond de verdachte zich (schuin) achter [benadeelde partij]. De verdachte maakte vervolgens – terwijl hij vlak bij [benadeelde partij] rende - een beweging met zijn rechterbeen/rechtervoet in de richting van de benen van [benadeelde partij]. Daarbij heeft hij het onderbeen van [benadeelde partij] geraakt.

[benadeelde partij] is ten gevolge van deze actie van de verdachte ten val gekomen en heeft een dubbele beenbreuk links (gebroken kuitbeen en een gebroken scheenbeen) en een scheurtje in zijn enkelgewricht opgelopen.

De actie van de verdachte zoals hiervoor omschreven hield verband met de spelsituatie, nu op basis van de door verschillende getuigen afgelegde verklaringen vastgesteld kan worden dat de bal op het moment van de actie in elk geval in de buurt van [benadeelde partij] was. Niet is vast te stellen waar de bal zich op dat moment precies bevond en ook niet op welke plek de verdachte het been van [benadeelde partij] precies heeft geraakt. De (vele) getuigenverklaringen verschillen op deze punten te zeer.

Opzet

De verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest om de aangever letsel toe te brengen. Ook uit de overige bewijsmiddelen is van bloot opzet naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Voorwaardelijk opzet

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Het hof neemt daarbij in overweging dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor is bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen plaats te vinden, dan wanneer het gaat om een gedraging die buiten zo’n situatie is verricht.

Verdachte heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat en voorgedaan hoe hij op de man en de bal speelde, en dat hij om balbezit te krijgen al rennend een sliding van dichtbij maakte. Het handelen van de verdachte is dan ook aan te merken als een ‘sliding tackle’. Hoewel dit een gevaarlijke actie is, kan niet gesteld worden dat de kans op zwaar lichamelijk letsel in zo’n situatie naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. Reeds daarom kan geen sprake zijn van voorwaardelijk opzet op het primair ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof was de kans dat [benadeelde partij] door de actie van de verdachte geraakt zou worden, ten val zou komen en dat daardoor pijn of letsel aan [benadeelde partij] toegebracht zou worden wèl aanmerkelijk. Bij het maken van een sliding tackle neemt de speler bewust het risico dat hij zijn tegenstander raakt en/of ten val brengt. Voorts is voor een sliding tackle altijd ruimte nodig; als een sliding tackle van te dichtbij wordt ingezet valt de aangevallen speler vrijwel zeker over het (uitgestoken) been van zijn tegenstander. Het is een feit van algemene bekendheid dat het aantal blessures ten gevolge van acties die sliding tackles worden genoemd groot is.

Het hof gaat ervan uit, dat het - gelijk de verdachte heeft verklaard - de bedoeling van de verdachte was balbezit te krijgen. Door dit op voornoemde wijze te doen, heeft hij zich niet alleen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever pijn of letsel zou oplopen ten gevolge van de sliding tackle, maar heeft hij die kans ten tijde van de gedraging bewust aanvaard (op de koop toe genomen).

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had de ander te mishandelen. Als gevolg van zijn actie heeft de ander zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het subsidiair tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof merkt ambtshalve op dat de omstandigheid dat de gedraging van de verdachte is verricht in een sportsituatie, namelijk tijdens een voetbalwedstrijd, wel van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. De deelnemers aan een sport als voetbal hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid.

Het hof stelt vast dat tijdens het handelen van de verdachte wel sprake was van een sportsituatie, maar dat dit niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten. Hij speelde gevaarlijk spel, hetgeen bovendien een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal opleverde.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:


hij op of omstreeks 30 november 2014 te Schoonhoven

[benadeelde partij] heeft mishandeld door deze [benadeelde partij] op/tegen het linkerbeen te schoppen en/of te trappen en/of tegen het linkerbeen een sliding te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) en/of een scheurtje in het linker enkelgewricht ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een tegenspeler tijdens een voetbalwedstrijd, welke mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Hiermee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring heeft het bewezen verklaarde een enorme impact gehad op het slachtoffer en zijn gezin en ervaart hij hier nog steeds de gevolgen van.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte subsidiair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 12.492,79 – bestaande uit een materieel deel van € 3.034,79 en een immaterieel deel van € 9.458,00 – te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag, inclusief de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.825,41 – bestaande uit een materieel deel zoals de rechtbank in eerste aanleg heeft toegewezen van € 1.367,41 en een immaterieel deel van € 9.458,00 –, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat materiële schade is geleden. Het hof wijst daarbij de volgende opgegeven schadeposten toe:

  • -

    het eigen risico van de ziektekostenverzekering over 2014 en in 2015;

  • -

    de aanvullende verzekering in 2015;

  • -

    de twee zelf betaalde behandelingen;

  • -

    de reiskosten die verband houden met de operatie, de controles en het bezoek aan slachtofferhulp, evenals de bijbehorende parkeerkosten en de hulpmiddelen.

Deze schade, die bij elkaar een bedrag van € 1.367,41 beloopt, is een rechtstreeks gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de reis- en parkeerkosten van de vrouw van de benadeelde overweegt het hof dat dit geen kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen, nu dit geen rechtstreekse kosten zijn die door de benadeelde zijn gemaakt. Ten aanzien van de kosten die zien op de post ‘Apotheek’ overweegt het hof dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de posten ‘Accupunctuur’,Fitness’ en ‘Oppas’ overweegt het hof dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen nu ze in een te ver verwijderd verband staan tot het gepleegde delict. Het hof zal de benadeelde ten aanzien van de voornoemde posten niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.867,41 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.867,41 (achtduizend achthonderdzevenenzestig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 1.367,41 (duizend driehonderdzevenenzestig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.867,41 (achtduizend achthonderdzevenenzestig euro en eenenveertig cent) bestaande uit € 1.367,41 (duizend driehonderdzevenenzestig euro en eenenveertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 79 (negenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 30 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. R.F. de Knoop en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffier mr. S. Rommen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 juli 2017.