Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2321

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
22-001689-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is schuldig aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof bepaalt dat er geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001689-14

Parketnummer: 10-660432-12

Datum uitspraak: 2 juni 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 16 april 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1975,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 mei 2015, op 31 mei 2016 en op 22 mei 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 oktober 2012 te Rotterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 613,3 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerd verweer

Door de raadsman van de verdachte – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – is betoogd dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte, alsmede dat aan de verdachte, voorafgaande aan de vraag of hij verdovende middelen bij zich had, niet de cautie is gegeven. Naar de mening van de verdediging is er sprake van onherstelbare vormverzuimen en dient het hierdoor verkregen bewijsmateriaal te worden uitgesloten van het bewijs en de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Subsidiair verzoekt de raadsman deze vormverzuimen te verdisconteren in de strafmaat.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens het proces-verbaal aanhouding d.d. 6 oktober 2012 zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 6 oktober 2012 bezig met een zogenaamde camera actie in de omgeving van de Crooswijkseweg te Rotterdam. Bij een dergelijke actie zitten twee verbalisanten bij de afdeling cameratoezicht Rotterdam die collega’s op straat aansturen. Eerdergenoemde verbalisanten horen dat er een, ambtshalve bekende, junk rondfietst en dat de man kort stopt bij [x]. Verbalisant [verbalisant 2] ziet de betreffende man fietsen, na enige tijd zijn fiets parkeren en verder lopen. Verbalisant [verbalisant 1] gaat de man lopend achterna. Bij metrostation Blaak spreekt de verbalisant de man aan en vraagt hem naar zijn identiteit. De man geeft op te zijn [verdachte]. De verbalisant vraagt vervolgens aan [verdachte] of hij verdovende middelen bij zich heeft. [verdachte] reageert ontkennend, maar begint te zweten en schichtig te bewegen. De verbalisant vraagt opnieuw of [verdachte] drugs bij zich heeft waarop [verdachte] bevestigend reageert en een pakket met bruin poeder uit zijn zak haalt. De verbalisant hoort de verdachte zeggen dat het heroïne betrof.

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de verbalisanten – gelet op hun vraagstelling - kennelijk hebben gemeend dat er sprake was van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) ten aanzien van [verdachte] en op basis daarvan gehandeld. Verbalisant [verbalisant 1] had [verdachte] dan ook, alvorens de vraag te stellen of hij verdovende middelen bij zich had, de cautie moeten geven ex artikel 29 Sv, daargelaten de vraag of de door de verbalisanten gerelateerde feiten en omstandigheden van dien aard waren dat daaruit een r[verbalisant 2]ijk – dat wil zeggen voldoende objectiveerbaar - vermoeden van een strafbaar feit voortvloeide.

Het niet geven van de cautie levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Door dit verzuim is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift geschonden, dat noodzakelijk is ter verzekering van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het bewijsmateriaal verkregen door dit verzuim, te weten de hem belastende verklaringen van de verdachte afgelegd op 6 oktober 2012, dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre gehonoreerd.

Anders dan de raadsman heeft bepleit leidt dit naar het oordeel van het hof niet tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit. De vondst van de ten laste gelegde heroïne is primair het gevolg van het door de verdachte eigener beweging, zonder dat hem was gevraagd om verdovende middelen uit te leveren, overhandigen van de heroïne aan de verbalisant. Het feit dat aan de verdachte, voorafgaande aan de vraag of hij drugs bij zich had, niet de cautie is gegeven doet daar niet aan af. Het ten laste gelegde feit is naar ’s hofs oordeel dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 06 oktober 2012 te Rotterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 613,3 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Geen straf of maatregel

Het bewezen verklaarde betreft een feit uit 2012, de verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie en de gang van zaken bij de aanhouding van de verdachte is, zoals hierboven weergegeven, niet correct geweest. Gelet hierop acht het hof het raadzaam om in dezen, met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert,

mr. H.C. Wiersinga en mr. M.A.C.L.M. Bonn, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2017.

mr. M.A.C.L.M. Bonn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.