Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2309

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
BK-17/00335
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:317, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:11
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de in 3.7 vermelde correcties terecht zijn aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1921
Viditax (FutD), 15-08-2017
FutD 2017-2063
Viditax (FutD), 05-01-2018
NTFR 2017/2143
NLF 2017/1991 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00335

Uitspraak d.d. 4 juli 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 januari 2017, nummer SGR 16/7775, betreffende na te vermelden aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 17.458. Bij beschikking is een bedrag van € 11 aan belastingrente aan belanghebbende vergoed.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 mei 2017, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is - met bericht - niet verschenen. Belanghebbende heeft niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1965 en woonachtig in Nederland, is gehuwd met [Y] , geboren [in] 1978, die woonachtig is in Marokko. Tot het huishouden van belanghebbende behoort zijn zoon, [A] , geboren [in] 2004.

3.2.

Op 22 september 2015 heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.987. Hierin heeft belanghebbende rekening gehouden met een bedrag van € 2.100 aan aftrek specifieke zorgkosten en een bedrag van € 2.100 aan aftrek uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder. Verder heeft belanghebbende in zijn aangifte verzocht om toekenning van de alleenstaande-ouderaftrek en de jonggehandicaptenaftrek. Als restant persoonsgebonden aftrek over vorige jaren heeft belanghebbende een bedrag van € 4.000 in de aangifte vermeld. De in aftrek gebrachte bedragen heeft belanghebbende niet gespecificeerd.

3.3.

Bij brief van 29 december 2015 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht nadere informatie te verstrekken aangaande de in aftrek gebrachte kosten en daaromtrent, door de Inspecteur gespecificeerde bewijsstukken, in te sturen.

3.4.

Op 19 januari 2016 is het door belanghebbende ingevulde ‘Formulier aftrekbare kosten aangifte inkomstenbelasting 2014’ door de Inspecteur retour ontvangen. Belanghebbende heeft hierop verklaard dat niet iemand anders de aangifte voor hem heeft ingevuld en in het veld ‘Uw opmerkingen of aanvullingen’ ingevuld:

“Het is niet te doen een antwoord op elke vraag op te geven, want werkelijk iets en wat u vraagt is 100% iets anders. Ik ben een patiënt van zeer zware chroniche klachten door 2 Auto ongevals + blind in l.oog + bijna blind in mijn r.oog + mijn zoon is diabetes I en die heeft veel nodig van alle kanten op en 24/24.”

3.5.

Per brief van 7 maart 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld voornemens te zijn de aftrek specifieke zorgkosten niet toe te staan en het door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag aan ingehouden loonheffing van € 5.855 te corrigeren met

€ 1.365 tot op € 4.490 en belanghebbende uitgenodigd te reageren, mocht hij het niet eens zijn met de correcties.

3.6.

Partijen hebben op 10 maart 2016 een telefonisch onderhoud gehad over de door de Inspecteur aangekondigde correcties, waarna belanghebbende op 14 maart 2016 schriftelijk heeft gereageerd op het voornemen tot afwijking van de aangifte, zonder daarbij een specificatie of bewijsmiddelen van het door hem in de aangifte opgevoerde bedrag aan kosten te verstrekken, met onder meer het volgende:

“Ik ben volledig tegen je besluit die ik zie in je brief, en het is niet te doen op basis van je worden en op basis van je schema.

Naast mijn eigen medische situatie en die van mijn kind mijn woonplaats heeft wel veel mee te maken, deze beide situatie heb je geen rekening mee gehouden in je besluit want ik ben ook een patiënt van zeer zware chronische klachten met een aantal letsels en visuele problemen.

(…)”

3.7.

Bij brief van 18 maart 2016 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld op welke punten hij bij de aanslagregeling zal afwijken en vervolgens de definitieve aanslag, met dagtekening 9 april 2016, als volgt vastgesteld:

Belastbaar inkomen werk en woning volgens aangifte € 9.987

Correcties op de aangifte:

- Aftrek specifieke zorgkosten € 2.100

- Aftrek tijdelijk verblijf thuis ernstig gehandicapt kind € 2.100

- Restant persoonsgebonden aftrek vorige jaren

(€ 4.000 volgens aangifte -/- € 729 werkelijk) € 3.271

Totaal correcties € 7.471

Gecorrigeerd verzamelinkomen € 17.458

Voorts heeft de Inspecteur de jonggehandicaptenaftrek niet verleend en het bedrag van de loonheffing gecorrigeerd met € 1.365.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen:

“5. [Belanghebbende] stelt in het bijzonder dat zijn zoon diabetisch patiënt is en dat hij kosten heeft gemaakt die verband houden met de ziekte van zijn zoon, zoals reiskosten en kosten voor boodschappen. Het is voor [belanghebbende] echter onmogelijk om bewijsstukken te overleggen, omdat hij deze kosten dagelijks maakt.

(…)

7. De rechtbank overweegt allereerst dat niet is gebleken dat [de Inspecteur] de ingehouden loonheffing onjuist heeft berekend.

8. Met betrekking tot de specifieke zorgkosten heeft [de Inspecteur] zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat de door [belanghebbende] gestelde reiskosten voor aftrek in aanmerking komen. Omdat een nadere specificatie hieromtrent ontbreekt, heeft [de Inspecteur] de reiskosten geschat op in totaal € 100. Vanwege de van toepassing zijnde drempel, leidt dit echter nog niet tot aftrek. Met betrekking tot de overige uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op [belanghebbende] de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor aftrek voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] niet in deze op hem rustende bewijslast geslaagd. Eiser heeft immers geen bewijsstukken, zoals rekeningen en/of betaalbewijzen, overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2014 specifieke zorgkosten heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij specifieke zorgkosten over het jaar 2014 heeft gemaakt die uitkomen boven de voor hem geldende drempel voor dat jaar.

9. In artikel 6.25, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat weekenduitgaven voor gehandicapten de extra uitgaven zijn die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind te verzorgen, mits dit kind 21 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. Nu de zoon van [belanghebbende] jonger is dan 21 jaar en op hetzelfde adres als [belanghebbende] woonachtig is, heeft [belanghebbende] geen recht op vergoeding voor uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapten van 21 jaar of ouder.

10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [de Inspecteur] van een onjuist bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek is uitgegaan.

11. Op grond van artikel 8.16a van de Wet IB 2001 geldt de jonggehandicaptenkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderkorting geldt. Niet gebleken is dat [belanghebbende] recht heeft op een uitkering of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong, zodat naar het oordeel van de rechtbank [de Inspecteur] de jonggehandicaptenkorting terecht niet heeft verleend.

12. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente tot een te laag bedrag is berekend.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de in 3.7 vermelde correcties terecht zijn aangebracht, zoals belanghebbende betwist en de Inspecteur stelt.

5.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank alsmede van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag conform de door hem ingediende aangifte en tot dienovereenkomstige berekening van de belastingrente.

6.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne.

7.2.

Met name geldt, gelijk de Rechtbank heeft overwogen, dat belanghebbende geen recht heeft op de geclaimde aftrek wegens tijdelijk verblijf thuis van een ernstig gehandicapt kind reeds omdat de zoon van belanghebbende, anders dan de voorwaarden voor deze aftrek vereisen, jonger is dan 21 jaar en permanent, derhalve niet tijdelijk, op hetzelfde adres als belanghebbende woonachtig is. Belanghebbende heeft geen bewijs van de door hem gestelde uitgaven ter zake van tijdelijk verblijf thuis van een ernstig gehandicapt kind overgelegd, zodat ook om die reden de in zijn aangifte vermelde aftrek terecht is gecorrigeerd.

7.3.

Ten aanzien van de door belanghebbende geclaimde aftrek specifieke zorgkosten geldt het volgende. Belanghebbende dient gemotiveerd (lees: voldoende onderbouwd) te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij voor aftrek in aanmerking komende kosten heeft gemaakt en dat deze kosten op hem drukken. Belanghebbende heeft gesteld het bedrag aan kosten te hebben geschat. Hij heeft noch bij de aangifte, noch in een later stadium in het geding, hoewel daartoe meermaals in de gelegenheid gesteld te zijn door de Inspecteur, een specificatie van de door hem opgevoerde kosten gegeven dan wel bewijsmiddelen daaromtrent overgelegd. De aftrek is daarom terecht niet verleend.

7.4.

Dat belanghebbende in een moeilijke situatie verkeert doet aan het vorenoverwogene niet af. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat strikte toepassing van de regelgeving onredelijk of onbillijk is, overweegt het Hof dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet en ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen mag beoordelen.

7.5.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, Chr.Th.P.M. Zandhuis en S.A.W.J. Strik, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. Nederveen. De beslissing is op

4 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.